Hoofdstuk 1
‘Kraai van Oranje’ (1945-1965)
Eigenlijk vindt Bernhard dat ik een te grote smoel heb maar hij weet wat ie aan me heeft. Bovendien waardeert hij mijn solide voorbereiding van legeroefeningen. Voor de oorlog heb ik de Koninklijke Militaire Academie doorlopen, gevochten in de Grebbelinie en ben aan het begin van de oorlog gevlucht. Als Engelandvaarder heb ik de invasie bij Normandië meegemaakt. Zwaar gestreden in Frankrijk, België en Nederland. Ik ben een ervaren ‘legerzak’ en bovendien zeg ik alles. Daar houdt Bernhard van. Als ik na een lange en gevaarlijke vluchtpoging eind zomer 1942 in Engeland kom ervaar ik dat hij een belangrijke pion is voor Wilhelmina. Bernhard zwerft langs de troepen. Hij hoort en ziet veel en verschaft de Koningin belangrijke informatie. Wilhelmina trekt in Engeland aan de touwtjes. Zij regelt alles zelf. Dat moet ook wel. Er is geen Tweede Kamer. Zij zit in Londen met elf waardeloze ministers. Die doen wat administratie voor de Koningin maar weten verder niks. Minister President de Geer vliegt op een gegeven moment via Lissabon naar Nederland. Moet achter ‘Kaap Kont’ liggen bij z’n vrouw. Ik waag mijn leven om in Engeland te komen en dan gaat de Minister President naar huis!
Ik heb een zwak voor Bernhard. Hij heeft het legerhart op de juiste plaats. Hij is graag bij de troepen. Hij vindt het heerlijk om met soldaten te ouwehoeren. Hij is ook altijd in voor een geintje. Enkele jaren na de oorlog word ik bij de legercorpscommandant geroepen. Kort en zakelijk deelt die mee:

Prins Bernhard en kapitein Jan Wynekes tijdens een veldoefening na de Tweede Wereldoorlog.
‘Er ligt momenteel in het Noorden een bataljon. Dat ga jij samen met Bernhard morgenvroeg om vijf uur wekken. Grapje van de Prins.’
De volgende morgen meld ik mij in alle vroegte op Paleis Soestdijk. De Marechaussee is op de hoogte. Hare Majesteit Juliana doet zelf open en vraagt of ik een kopje thee wil want Bernhard zit nog te ontbijten.
‘Ach nou, nee Koninklijke Hoogheid dat is niet nodig hoor.’
Na tien minuten laat Bernhard mij halen. Met z’n drieën, Kolonel van der Minne gaat ook mee, rijden we naar de vliegbasis in Soesterberg. Ik zie dat Bernhard geniet als hij samen met een jongensachtige bravoure in zijn ouwe Dakota stapt. Niet lang daarna stijgen we op. Na korte tijd duikt hij volkomen onverwachts met dat apparaat naar beneden. Wjjjjjjjjjjjoooooong. Ik schrik me rot, duw de gordijntjes weg die in mijn gezicht waaien en schreeuw:
‘Wat is dit?’
‘De meiden moeten wakker worden’, antwoordt Bernhard lachend.
Ik kijk naar buiten en zie in een flits dat we vlak over de paleisgebouwen van Soestdijk scheren. ‘Is ie van de ratten besnuffeld? Effe z’n dochters wakker vliegen!’
Grinnikend trekt de Prins zijn kist weer omhoog en zet koers richting Groningen. Daar landen we stuiterend op vliegveld Eelde. Tegen van der Minne zeg ik:
‘Je merkt wel dat ie van de cavalerie is en niet van luchtmacht.’
Daarop laat Van der Minne de Prins weten, ‘Koninklijke Hoogheid, Wynekes vindt dat u vliegt als een cavalerist.’
Bernard gaat tegen me tekeer, waarna we vertrekken naar het bataljon. Als we daar arriveren krijgt de wachtcommandant bijna een hartinfarct. Die staat sprakeloos en genageld in het gelaat van de Prins te staren. Er ontstaat een geweldige chaos. Iedereen is in rep en roer omdat de Prins aanwezig is. En Bernhard maar grinniken. Die geniet van deze situaties.
Tussen 1945 – 1949 werk ik op de nog op te richten Inspectie Artillerie te ’s Gravenhage. In 1949 word ik toegelaten tot Hogere Krijgsschool en daarna volgt een detachement bij de Shape-missie van de Generale Staf. Dit is een collectief van buitenlandse officieren dat contacten onderhoudt met de Inspecteur van De Landmacht, zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard. Als Generale Stafofficier werk ik een groot aantal jaren in verschillende functies. Ik ben afdelingscommandant afdeling veldartillerie, hoofd opleiding en operatie van de 4de Divisie en het Leger Corps, Chef Staf van de 4de pantserdivisie te Harderwijk, Chef Staf van het 1ste legercorps te Apeldoorn en Commandant van de 41ste Pantserdivisie te Ermelo. Uiteindelijk ga ik, vlak voor mijn promotie tot Brigade Generaal, in 1965 als Kolonel met ‘Gouden Handdruk’ uit dienst. Iedereen verbaast zich hierover. Niemand begrijpt die wending. Maar bijna niemand kent het hele verhaal. Ik zal u dat vertellen. Misschien dat u dan wèl begrijpt waarom het zo gelopen is:
Ik ben op 13 oktober 1918 in Denpasar op Bali geboren. Mijn vader, Anton Wynekes, was de enige blanke arts op het eiland. Twee jaar voor mijn geboorte was hij getrouwd met mijn moeder, Maria Anna Elisabeth Vuyk. Hij was een rustige man. Specialist op het gebied van alle tropische ziekten. Mijn moeder, die hij op een medisch bureau op Java had leren kennen, deed het huishouden en was vreselijk zuinig. De allerbeste kluisbewaarder van het hele eiland. Mijn vader was een gezellige dikzak. Eén meter vijfentachtig groot. Grote bruine ogen, sluik haar met een scheiding opzij en een klein snorretje. Mijn moeder was ook vrij groot en had prachtige blonde krullen. Een schat van een vrouw. Mijn ouders hadden een goede relatie. Als baby hing ik bij een Baboe, een Balinese dienstmaagd, in een slendang. Een draagdoek. Ik bungelde met mijn witte koppie tussen grote bruine borsten want vrouwen liepen destijds met ontbloot bovenlijf. Mijn vader zei: ‘Als ie daar te lang blijft hangen wordt ie nog scheel.’

De ouders van Jan Wynekes: Anton Wynekes en Maria Anna Elisabeth Vuyk
Mijn grootmoeder woonde bij ons. Zij was de weduwe van een Nederlandse officier die was gesneuveld in de Atjeh-oorlog. Hij heeft later postuum de Militaire Willemsorde, de hoogste militaire onderscheiding, gekregen. Ik was dol op mijn grootmoeder. Ik noemde haar Moesje I. Als zij vertelde over de oorlog hing ik aan haar lippen. Ze was er vaak bij geweest. Vrouwen gingen mee naar het front om hun echtgenoot te steunen. Ze maakten verband en watten voor de soldaten. Waarschijnlijk is hierdoor, onbewust, een gevoel voor het leger ontstaan. Zij heeft mij altijd stiekem gestimuleerd officier te worden. Op een nacht werd zij opgeschrikt door een fel licht en een aantal korte hevige knallen. Vanuit een diepe slaap stond zij op en liep langs de spoorrails de rimboe in. Er werd op dat moment zwaar gevochten. Dwars door die gore bossen liep zij kilometers naar de plaats waar kort daarvoor haar man was doodgeschoten…..

Moesje I en haar man Jan Vuyk.
Medio 1946, een jaar na de bevrijding houdt de Engelse generaal Montgomery een lezing in de Trèveszaal in den Haag. Hij laat zijn toehoorders weten dat het salaris van de Nederlandse soldaten bedonderd is. In aanwezigheid van enkele ministers zegt hij:
‘The soldiers are earning so little. They are going to die for this country. You should pay them. You should pay them. They are going to die. You should pay them.’
Hij staat op en verlaat met een vriendelijke glimlach de zaal. Enkele weken later heb ik in een villa in de Zoutenlandenlaan te Den Haag een bespreking met Staf, de minister van Defensie. Prins Bernhard is ook aanwezig en verzoekt mij te notuleren. Bij aanvang van het gesprek roept de Amerikaanse generaal Ward, hoofd van de Shape-missie:
‘It’s a scandal.’
In navolging van Montgomery pleit ook Ward voor meer loon voor de soldaten. Minister Staf vraagt vervolgens aan Bernhard:
‘Koninklijke Hoogheid, kunt u daar wat aan doen?’
‘Wie krijgt hier salaris als minister van Defensie?’, grinnikt Bernhard.
Drie maanden later lees ik op de achterzijde van een dagblad, klein gedrukt: ‘salarisverhoging voor soldaten’. Kijk, dat is de kracht van Bernhard. Hij regelt wat nodig is. De landmacht, luchtmacht en marine, overal zit een vinger van Bernhard tussen. Materieel, opleiding en promotie. Bernhard doet alles voor de troepen. Zonder Bernhard waren er nooit stoottroepen regimenten geweest. Na de bevrijding wil hij in Apeldoorn een Staf oprichten. Dat mag niet van de regering. Ik heb het idee dat men bang is dat ie teveel macht krijgt. Hij is een echte legerman en wordt onder de troepen zeer gewaardeerd.
Enkele maanden later ontvang ik een uitnodiging om nader kennis te maken met generaal Ward. Ik heb net een kleine Morris gekocht en als ik zijn kantoor binnenkom vraagt hij:
‘Do you need a driving license for that fucking thing?’
Tijdens ons gesprek informeert hij naar mijn salaris.
‘Driehonderdzestig gulden. Daar moet ik met mijn vrouw en twee kinderen van rondkomen.’
Hij snapt er niks van. Later vertel ik hem over de belasting op koelkasten.
‘What? You are saving food! It’s fucking crazy.’
Hij is verontwaardigd over de slechte salariëring en begrijpt niets van ons belastingsysteem. Hij maakt zijn ongenoegen duidelijk in een pittige brief aan het ministerie. Tot mijn grote verbazing verdwijnt een half jaar later de belasting op koelkasten. Generaal Ward heeft een Amerikaanse kolonel. Die vent, Pierreboy, verstaat geen woord Nederlands. Ik groet hem altijd met rare teksten en dan knikt hij allervriendelijkst. Jaarlijks stuurt hij rond de kerstdagen een brief en wat foto’s. Hij heeft zes dochters en in zes verschillende landen gewerkt. Iedere dochter krijgt een naam uit één van die landen. De jongste heet Annie en ‘representeert’ Engeland.
‘Noem haar toch Ann. Dat is veel Engelser.’.
‘No, no, no. Ann is no good. She’s a real Annie.’

Kapitein Wynekes verdient 326 gulden per maand zoals deze salarisstrook uit december 1948 laat zien.
Na de oorlog word ik Ridder in de Orde van Oranje Nassau en ontvang ik het Kruis van Verdienste en het Verzetsherdenkingskruis. Ook worden mij vele Nederlandse, Engelse en Franse oorlogs- herinneringskruizen uitgereikt. Bovendien krijg ik voor mijn verdienste tijdens de oorlog vijf jaar voorpromotie. Hierdoor ben ik op jonge leeftijd kapitein. Dat gedoe met rangen en standen geeft voortdurend spanning en jaloezie in het leger. Velen loeren op promotie en misgunnen anderen het succes. Mij interesseert het niets. Ik kijk nooit in het standaardwerk van de Landmacht waarin alle rangen, standen en promotieregels staan beschreven. Ik noemde dat het boekje van ‘haat en nijd’.

In 1951 ontvangt Jan Wynekes het Oorlogsherinneringskruis voor zijn verdienste tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Mijn vader, die vele generaals tot zijn patiënten mag rekenen, probeert er een aantal kort na de oorlog voor zijn karretje te spannen. Hij wil hen overtuigen dat ik medicijnen moet gaan studeren en hoopt dat ze mij dit willen adviseren. Maar hij krijgt nul op het rekest. De generaals maken hem duidelijk dat mijn oorlogservaring van groot belang is voor de opbouw van het leger en de ontwikkeling van de manschappen.
In 1947, tijdens een detachering in Arnhem, krijgt mijn vader een attaque. Iedere dag rij ik van Arnhem naar Den Haag. Hij ligt in coma als gevolg van een hersenbloeding die is ontstaan door een te hoge bloeddruk. Er bestaan nog geen medicijnen tegen hoge bloeddruk. Alleen zoutloos eten. Later zijn er vijftig soorten medicijnen tegen te hoge bloeddruk. Voor de oorlog liep mijn vader altijd op vrijdag naar de brievenbus, pakte het tijdschrift van de Geneeskunde en bladerde vluchtig door het maandblad. Even later zei hij dan teleurgesteld: ‘Ze hebben nog steeds niks uitgevonden Jan’.
Ik zit vaak hele nachten aan zijn bed. Hij ligt rustig te slapen. Mijn gedachten gaan terug naar vroeger.
Mijn vader had op Java vele verpleegkundigen opgeleid. Die hielpen hem in de strijd tegen pest, malaria, cholera en tyfus. Hij heeft een hekel aan geweld, oorlog en het leger. Hij zei altijd tegen mij, ‘Jan, in het leger valt niets te verdienen. Geweld kent geen winnaars. En al die medailles en onderscheidingen zijn niet in te wisselen voor geld. Het is zinloos’. Onbewust ben ik in mijn jeugd door twee mensen sterk beïnvloed. Mijn grootvader, waarnaar ik ben vernoemd, de held uit de verhalen van Moesje I. En ik was trots op mijn vader en bewonderde zijn werk als arts. Dat ik beroepsmilitair ben geworden heeft hem waarschijnlijk teleurgesteld. Hij wilde zo graag dat ik arts zou worden. Uitgerekend een oorlog elimineert die mogelijkheid.
Nadat hij bij kennis komt is het spreken voor mijn vader erg moeilijk.
‘Waar ben je gebleven?’, prevelt hij.
‘Ik ben hier elke avond en nacht geweest.’
‘Daar heb ik niks van gemerkt.’
Hij leeft daarna nog drie jaar. Eén jaar na zijn dood komt er een middel tegen hoge bloeddruk op de markt!
De legerleiding heeft inmiddels besloten dat er in Oldebroek een nieuwe artillerieschool komt. Hier ligt het enige schietterrein van Nederland. Men vraagt mij de organisatie voor mijn rekening te nemen. Begin 1948 zoek ik met mijn Engelse vrouw Sheila een woning.
Sheila had ik tijdens de oorlog ontmoet in het zuid-Engelse Eastbourne. Vier maanden later was ik met haar getrouwd. Een huwelijk dat nu, achtenzestig jaar later, nog steeds is gebaseerd op intense liefde en een diep wederzijds respect. Sheila is een dappere vrouw. Al haar collega´s en vriendinnen waren negatief over onze trouwplannen en hebben geprobeerd haar op andere gedachten te brengen. Desondanks volgt zij haar hart en zijn we in 1943 getrouwd. De huwelijksdag was bijzonder. Ik trouwde in oorlogstijd met mijn grote geliefde maar voelde mij die dag ook alleen. Er was geen familie, geen vrienden en ik wist dat ik mijn kersverse vrouw weer zou moeten verlaten. Dat moment kwam al snel en pas twee jaar later, na de invasie en de bevrijding, zag ik haar terug in de haven van Hoek van Holland…
Sheila en ik komen terecht op een terrein met vakantiehuisjes. Onze nieuwe woning is gekraakt door honderden vlooien. Samen reinigen we die het huis uit. Op het kamp wonen verschillende collega’s. Sheila heeft contact met de echtgenotes van Riseeuw, Gouman en Sandbergen. Met ons vieren zijn we verantwoordelijk voor de opbouw en organisatie van het nieuwe opleidingsinstituut. We zijn een goed team. We kennen elkaar al jaren. Hebben lief en leed gedeeld in Engeland en samen gevochten bij de invasie in Normandië. Dat schept een band voor het leven. Dan gun je elkaar ook wat. Dit is lang niet met iedereen het geval. Ik word vaak met jaloezie geconfronteerd. Eind 1949, ik ben inmiddels weer terug in Den Haag, zit ik te werken aan mijn bureau als er twee onbekende militairen mijn kantoor binnen stappen. Een majoor van de infanterie en een majoor van de Cavalerie. Ze kijken mij minzaam aan en zwijgen lange tijd. Ik vraag of ze ook geluid maken
‘Dus jou hebben ze kapitein gemaakt?’, zegt één van die twee.
‘Dat klopt’, reageer ik gelaten.
‘Nou, dat zal dan ook wel je laatste promotie zijn.’
Niet lang na dit voorval belt overste Lefèvre,
‘Wynekes, jij komt aan de beurt voor de Hogere Krijgsschool.’
Ik moet een handgeschreven verzoek inleveren bij de nieuw opgerichte Inspectie Artillerie. Na een maand opnieuw telefoon van Lefèvre:
‘Wynekes, waar blijft je verzoek jongen?’
Verdomme, dat zou die toch allang in z’n poten moeten hebben? Ik bezoek de Inspecteur der Artillerie en vraag hem wat er met mijn verzoekschrift is gebeurd.
‘Ja Wynekes, ik vind het eigenlijk zonde om een goeie artillerist kwijt te raken aan de Generale Staf. Ik heb je verzoek dus niet doorgestuurd.’
Ik ben zeikend van woede maar blijf rustig en motiveer dat ik het heel graag wil.
Zonder enige schroom haalt hij het verzoekschrift uit z’n lade.
‘Nou dan zal ik het noodgedwongen door moeten sturen.’
In 1949 word ik tijdens de eerste dag op de Hogere Krijgsschool geconfronteerd met twee oude bekenden. De majoor van de cavalerie en van de infanterie. De twee die beweerden dat ik mijn eindrang heb bereikt. Die blijken in Engeland en Amerika de krijgsschool te hebben gevolgd en zijn aangetrokken als leraren. Mijn leraren! ‘Laat de wolken nu maar donderen’, denk ik. Ik ben kansloos. Die gaan mij laten struikelen. Dus ik naar Couzy, directeur van de Krijgsschool en vader van de latere luitenant-generaal Couzy, over wie in het rapport van de Parlementaire Enquête Srebenica werd geoordeeld dat hij minister Voorhoeve onvolledig heeft geïnformeerd.
Hij zit achter zijn bureau met een dikke sigaar. Pfffft. Rook cirkelt om zijn kale kop.
‘Excellentie, ik ben Jan Wynekes en dit is het geval. Trapt u me maar meteen het moeras in. Ontsla me maar want dit heeft geen zin. Ik krijg les van die twee. Ik ben kansloos.’
‘Pffffffft. Jongen je schakelt mij helemaal uit’, reageert hij droogjes.
‘Ja maar, begrijpt u…’. Hij onderbreekt me bruut en brult:
‘Ik begrijp dat jij nu moet wegwezen en de deur aan de andere kant dicht moet doen.’
Ik leg dat maar uit als dat hij de zaak in de gaten zal houden. En inderdaad lijkt het erop alsof hij die twee in hun lurven heeft gegrepen. Ik krijg bekwaam les en ze leggen mij geen strobreed in de weg. Ik ben keurig behandeld door dat duo.
Ik leer onder andere netjes bevelen te schrijven. Volgens de legerleiding belangrijk omdat slordig handschrift leidt tot foute orders en beslissingen. Maar in de praktijk werkt het anders. Alles gaat via de radio of met de mond. Na een aantal weken is er een lezing van een Amerikaanse kolonel. Die komt vertellen over zijn ervaringen. Het is een initiatief van Couzy. Een officier steekt zijn hand op en vraagt,
’Sir, how many orders have you written?’
‘Two in my whole career. One for the invasion, and the second to go home.’
We grinniken triomfantelijk naar Couzy. De kolonel vervolgt: ‘Fucking bastard, no time to lose. So asshole take your position…’. ‘You can’t write that!’
De opleiding op de Hogere Krijgsschool duurt twee jaar. Elke dag fiets ik tien kilometer heen en tien kilometer terug. Ik heb altijd wind tegen. En altijd zeikregen. Ik ben de jongste op de krijgsschool. ‘Boerenlul Wynekes, die kleine met die grote smoel.’ We zijn in die periode veel op oefening. Vaak in de Belgische Ardennen. Tijdens die oefeningen lig ik op een veldbedje in een tentje. Ik speel de hele dag voor scheidsrechter.
‘Jij bent dood, opdonderen.’
En altijd maar commandanten ‘uitmoeren’ als ze het verkeerd doen. Op een gegeven moment is het zaakje rijp voor een grote oefening in Duitsland. Wij met de hele rotzooi naar Moffrika. Met alle tanks en auto’s. Het interesseert ons niet dat we de hele boel plat rijden. Die Engelsen reageren lachend, ‘We have to learn it.’
Je kan raggen wat je wil, dus wordt er flink geoefend! De Belgen zijn onze tegenstander. Aan het eind van de oefening vraagt Couzy:
‘Jan, zullen we die Belgen nog eens even naaien? Zullen die regimenten nog kracht hebben om vannacht de rivier over te steken?’
Ohhhhhhhh, die Belgen liggen te slapen en Couzy laat alarm geven. Midden in de nacht moeten ze, uitgeput en ‘voor dood’, een riviertje over. Ze zijn helemaal aan flarden. Het is een verdediging van niets meer. Daar kun je overheen pissen.
Korte tijd later ben ik met Sheila op een feest van de Krijgsschool. Ik heb een kameraad die net zo’n kale kop heeft als Couzy. Na binnenkomst geeft Sheila hem een joviale klap op z’n kanus. Langzaam draait die kale zich om. Sheila kijkt in twee grote, woedende ogen. De ogen van Couzy!
’Wynekes, hier komen. Leer jij je vrouw op deze wijze met een generaal om te gaan? Hoe zit dat?’ ‘Mijn excuses. Mijn vrouw is Engelse en dacht dat u mijn kameraad was.’
‘Your miss didn’t miss’, zegt Couzy. Vervolgens praat ie lang en geamuseerd met Sheila.
Tussen 1955 en 1965 blijf ik Bernhard regelmatig ontmoeten. Hij is graag bij de troepen. Zo heb ik hem ook tijdens de oorlog in Engeland zien opereren. Als een kraai zwerft hij langs de afdelingen en praat veel met de manschappen. Lang na de oorlog krijg ik ook weer met hem te maken als ik via de adjudant van de generaal verneem dat ik bij de generaal word ontboden. Dit in verband met een groot internationaal militair feest voor alle generaals in Oldebroek. Een slim gekozen locatie van de generaal, want op kosten van de overheid wordt de kazerne, die in slechte staat verkeert, helemaal opgeknapt. De vloeren worden vervangen en er komt nieuw meubilair. Zelfs de wegen worden geasfalteerd. Het hele complex wordt opnieuw in de verf gezet. Als je op het station uit de trein stapt ruik je het al.

Kolonel Couzy ondertekent in maart 1951 het brevet van de Hogere Krijgsschool.
‘En Wynekes, het is jouw taak om Bernhard uit te nodigen’, meldt de Generaal.
Ik doe dit via de Chef Staf van Bernhard en krijg de volgende dag bericht dat de Prins ’s avonds tussen acht en negen uur op het feest aanwezig zal zijn. Op het feest kijkt Sheila haar ogen uit. Allemaal generaals in prachtige uniformen. Ik zeg tegen haar:
‘Wij zijn dom, duf en gewoon. Trek je nergens iets van aan.’
Het is vijf over negen. De Prins is nog steeds aanwezig. Waarom gaat ie niet weg?
Op dat moment wordt ik aangesproken door een adjudant van de Bernhard.
‘Wynekes, de Prins wil graag met een vervelende zak gebruik maken van het diner.’.
Blijft ie eten? Hij zou toch om negen uur opdonderen?, flitst het door mijn hoofd
‘Nou dat is heel eenvoudig want het zijn hier allemaal vervelende zakken. Laat ie er maar eentje uitzoeken’, antwoord ik die Adjudant.
‘Nee Wynekes, jij begrijpt het niet. De Prins wil met jou aan tafel.’
Het eerste wat hij aan me vraagt:
‘Waar is je vrauw?’
Dus ik naar Sheila, ‘We zijn de klos, hij wil met ons aan tafel.’
Ik begrijp hem wel. Hij wil even van die generaals af. Die zwermen als vliegen om hem heen. Iedereen gaat aan tafel en Bernhard neemt plaats naast Sheila en mij. De generaals kijken verbaasd. Zij denken ongetwijfeld, ‘die Wynekes slijmt zich scheel bij de Prins’.
‘Hier krijg ik morgen gesodemieter mee’, zeg ik tegen de Koninklijke Hoogheid.
‘Dat is ook precies de bedoeling’, zegt hij droogjes.
Sheila is in haar element en gaat helemaal op in de Engelse conversatie. De Prins spreekt volgens haar geweldig Engels. Oxford Engels van hoog niveau. Vol bewondering sla ik Sheila gade. Het is wat hoor. Bij al die officiële bijeenkomsten en feesten wil zij er netjes uitzien. Maar we hebben nauwelijks geld voor dure gala kleding. Dus telkens vermaakt zij haar jurken. Een extra strik op haar hoedje, een nieuw frutseltje op haar jurk of haar hoofddeksel een kwartslag gedraaid. Door haar creativiteit ziet zij er, met dezelfde kleding, telkens ‘nieuw’ en feestelijk uit.
Iets na elven wil de Prins vertrekken. Het is de afspraak dat hij op een teken van mij wacht. Ik loop naar boven. Daar zit zijn chauffeur. In de keuken vraag ik aan de kok:
‘Je hebt hem toch geen zuipen gegeven hè?’
‘Nee, hij heeft alleen meegevreten.’
Ik vraag de chauffeur met draaiende motor voor de ingang te wachten. Ik vraag de kok langs de tafel te lopen en, ten teken dat alles gereed is, zijn witte handschoenen te dragen. Ik ga terug naar de Prins. Even later wandelen de witte handschoenen voorbij.
‘Koninklijke Hoogheid, u kunt nu weg.’
‘Wynekes, het beste ermee.’
Zonder van de anderen afscheid te nemen wandelt hij snel naar buiten.
De volgende morgen krijg ik van al die generaals op m’n flikker.
‘Zo Wynekes, de Prins mag naast jou zitten!’
‘Ja, dat bepaal ik allemaal. Hij doet wat ik wil en jullie zijn door de ratten genaaid. Wat denk je nou!’
Ik kreeg op de lagere school les van negen tot twaalf uur in de ochtend. ’s Middags was het te heet en kreeg ik bijles van mijn moeder. Om de zes jaar kreeg mijn vader een jaar verlof om een ‘koude neus’ te gaan halen. We gingen dan een jaar naar Nederland. Daar zat ik dus als zesjarige op een lagere school in Den Haag. Ik was stomverbaasd dat de blanken op klompen liepen en er geen donkere mensen waren. Bovendien moest ik wennen aan de strenge discipline. Op Java ging alles veel losser en gemoedelijker. Terug op Java kwam ik op school in Meester Cornelis. Ik werd elke dag gebracht en gehaald door een chauffeur van m ’n vader. Zijn praktijk zat altijd stampvol Javaanse vrouwen en rochelende ouwe mannetjes. Mijn vader deed soms vijf bevallingen per dag. Ik ging na schooltijd altijd zwemmen. Dat had ik mijzelf aangeleerd. Ik kon daardoor ontsnappen aan die ellendige hitte. Ik had er een hekel aan. Ook het eten vond ik niets. Ik at alleen maar rijst en biefstuk.

Jan en zuster op school bij de nonnen op Bali.
Toen wij, door een promotie van mijn vader, naar Batavia vertrokken kwam ik daar in de klas bij meester Roorda. Een strenge man met zo’n kunstzinnig lorgnetje op z’n neus. Mijn vader had tegen hem gezegd,
‘Je mag alles met hem doen als hij maar op de hbs terecht komt.’
Dit had twee gevolgen. Die Roorda werd patiënt bij mijn vader en ik kreeg iedere middag na schooltijd bijles.
Zes jaar later zijn we opnieuw in Nederland en het viel mijn vader op dat ik veel meer eetlust had. Hij zag dat ik opknapte in de Hollandse kou. Pas later kwam ik erachter dat we daarom niet meer zijn teruggekeerd. Mijn vader had gezien dat ik in Nederland beter functioneerde. Daarom begon hij een praktijk in Den Haag.
Ons ouderlijk huis was groot en statig. Een herenhuis in de Haagse 2de Sweelinckstraat. Nummer 124. Er woonden over het algemeen medici. Naast ons een gynaecoloog en een internist en tegenover ons een kno-arts. Ik sliep op de eerste verdieping met mijn grootmoeder en zuster. Mijn grootmoeder was gelukkig meegekomen. Zij had gezegd ‘laat Jantje maar bij mij slapen’. De verdieping daarboven sliepen mijn vader en moeder. Op de bovenste verdieping, een soort zoldertje, waren nog twee kamers. Daar sliep de dienstmaagd. Op een dag, ik was veertien jaar, werd ik plotseling van school gehaald. Moesje I lag op sterven en iedereen moest afscheid nemen. Mijn vader zei dat grootmoeder wilde dat ik als laatste zou komen. Verdrietig stond ik naast haar bed. Zij keek mij indringend aan en zei met broze stem: ‘wat zul jij nog veel moeilijke jaren krijgen Jan, maar uiteindelijk zie ik je toch in een witte jas’. Verward en bleek kwam ik uit de kamer. Wat bedoelde zij toch met die woorden? Ik vertelde mijn vader wat Moesje I had gezegd.
‘Laat maar Jan, dat gaat zo bij mensen die sterven. Die krijgen allemaal visioenen.’ Mijn vader ging direct naar binnen. Moesje I was overleden….
De eerste jaren na de oorlog wonen wij bij mijn vader in Den Haag. Ik ben veelvuldig weg dus Sheila brengt heel veel tijd met hem door en tussen hen ontstaat een hechte band. Tot ons grote verdriet overlijdt hij in 1950 als gevolg van een te hoge bloeddruk. De medicijnen zijn niet op tijd gekomen voor de man die zich op Bali en in Den Haag met zoveel overgave voor de gezondheidszorg had ingezet.
Een jaar later, 1951, worden Sheila en ik door Bernard uitgenodigd voor een groot feest in Hilversum. Het is erg druk en vele dames dartelen als hijgende herten rondom de Prins. Allemaal op zoek naar een kort gesprek en wat Koninklijke aandacht. Sheila en ik staan in een zijkamer met een collega en zijn vrouw te praten. Na een half uur komt Bernhard binnen en zegt,
‘Hè, hè, eindelijk rust. Hé Sheila…’, en die twee beginnen weer Engels te babbelen. Ondertussen loopt de hele kudde het zijkamertje binnen. Bernhard kijkt mij aan en sist:
‘Die vrauwen stelen mijn rust.’
Hij blijft ze allemaal met z’n rug aankijken.
Niet lang daarna laat Bernhard weten dat hij een bataljon grenadiers en jagers te grazen wil nemen. Precies in een periode waarin ook een onaangekondigde nato-oefening kan plaatsvinden. Als dit maar goed gaat denk ik. De kolonel van de Prins draagt me op een diner op het Kroondomein te regelen.
‘Zorg dat niemand het weet Wynekes. Alleen de kok maar die krijgt gevangenisstraf als ie z’n bek opendoet. En als jouw rechterhand z’n smoel voorbij praat heeft ie z’n eindrang bereikt.’
Ik maak een oefening waarbij twee bataljons tegelijk een denkbeeldige vijand moeten aanvallen. Op de heidevelden naast het kroondomein. De kok geef ik opdracht voor een eenvoudig diner.
‘Doe maar een fazant, een soepje vooraf en wat ijs na. Maar hou je smoel anders is het je laatste diner geweest.’

Prins Bernhard in gesprek met Jan en Sheila (geheel rechts) tijdens een feest in Hilversum.
Midden in de nacht rij ik met Bernhard in een jeep naar de kazerne in Arnhem. De schildwacht schrikt waanzinnig. Die staat een uur later nog in de houding. Bernhard heeft de grootste schik. De wachtcommandant ligt in z’n pyjama te ‘knoeren’. Hij lijkt schijndood. Ik maak hem wakker en zeg, ‘weet jij wie hier staat jongen? Dit is de Prins der Nederlanden.’
‘Ja maar, ik heb helemaal geen broek aan’, prevelt die vent verbouwereerd.
‘Trek die dan maar snel aan en luister goed. Dit is geen nato-alarm. Onthou dat, geen nato-alarm. Jij gaat nu dat bataljon grenadiers en jagers uit hun nest trappen. Niet de hele kazerne, alleen die twee bataljons. Begrijp je dat? Herhaal!’
‘Alleen die twee bataljons’ stamelt hij.
‘Juist en de rest laat je liggen. God zegene je.’
Even later loop ik met de Prins over het kazerneterrein. Overal flitst licht aan dat meteen weer bruut wordt uitgedrukt. Ruzies op de kamers en vele godvers sterven boven het kazerneplein. De tranen lopen over het gezicht van de Prins. Om deze consternatie is het hem allemaal te doen. Het gonst door de kazerne dat de Prins aanwezig is en er komt eindelijk schot in de zaak. De aanval moet om zeven uur beginnen maar op dat moment is de helft van de bataljons nog onderweg.
Het is vijf graden onder nul. Ik zeg tegen Bernhard:
‘De Garde sneuvelt al voor dat ze aanvallen.’ Hij grijnst en zegt:
‘Er klopt hier helemaal geen sodemieter van.’
De artillerie begint over zevenen te schieten. Er is helemaal nog geen infanterie. Ik sta met de Prins en een kop thee op de vrieskoude hei en wat denk je? Om acht uur…… nato-alarm!
‘Onze Lieve Heer sta me bij’, denk ik. Nu moet de hele rotzooi op die kazerne wèl hun nest uit. Gelukkig had ik een plan gemaakt met alternatieve routes. Bij een werkelijk alarm rijden we dan niemand in de weg. De bataljons kunnen gewoon doorklooien zonder dat ze anderen hinderen. Ach, er gaat een hoop mis maar dat geeft niks. De manschappen leren veel van deze oefeningen.
Aan het einde van de dag nemen we plaats aan de dinertafel. Bernhard vraagt:
‘Wynekes, waar stam jij van af?’
‘Mijn vader komt uit Rotterdam. Ik ben op Denpasar geboren en heb in een slendang van een Javaanse meid gehangen en ik hoop dat het eten u goed smaakt Koninklijke Hoogheid.’
‘Waar heb je die fazant eigenlijk vandaan?’
‘Die heb ik op uw Kroondomein laten schieten.’
Hij grijnst zuur naar mij. Kijk, hij sart mij en ik sar terug. Dat kun je met hem doen.
Met Hans Stam deed ik ook alles. Ik had hem leren kennen in de derde van de Haagse hbs. In de jaren daarna werden we dikke vrienden. Samen leren en sporten. Hans was waterpoloër. Woest sterk met een indrukwekkende biceps. Een tank. Ik voetbalde bij hbs maar ben later overgestapt naar de Haagse Voetbal Vereniging. Vroeg het bestuur van mijn nieuwe club of het hbs-bestuur boos was. Nee hoor, zei ik, ik kom hier alleen maar om te bridgen en omdat vriendje Stam hier speelt. Heb daar maar één keer gevoetbald. Als doelman. De rest heb ik gebridged. Hans speelde in het Nederlands waterpoloteam. Hij is naar de Olympiade geweest en scoorde in de finale de winnende goal. Later is hij inspecteur van politie geworden. Nadat ik de Koninklijke Militaire Academie had doorlopen en in de Grebbelinie had gevochten maakte de capitulatie een einde aan mijn dienstperiode. Ik ben toen in Leiden en Amsterdam medicijnen gaan studeren. Tot grote vreugde van mijn vader. De universiteit in Leiden werd echter in 1941 door de Duitsers gesloten. Een half jaar later ben ik gaan studeren in Amsterdam maar na korte tijd moest ik vluchten. Samen met Hans, jonge twintigers, zijn we in het begin van de oorlog gevlucht. Een gevaarlijk, emotioneel en macaber avontuur……
Bernhard belandt eveneens in diverse avonturen. De regering stuurt hem naar Argentinië als er treinen en spoorrails moeten worden verkocht. Daar zit dat loeder, dat blonde wijf, Evita Peron. Hij moet de Nederlandse Leeuw uitreiken, dansen en flirten. Net zo lang knoeien totdat men onze treinen en rails koopt. Hij is handelsreiziger voor de Nederlandse Staat geworden. Als er ergens moeilijkheden zijn of zaken geregeld moeten worden stuurt men Bernhard. Volgens mij heeft ie daar onder geleden. Het is mijn overtuiging dat ie is gebruikt en misbruikt.

Prins Bernhard (midden) en Jan Wynekes (derde van rechts) volgen de ontwikkelingen tijdens een veldoefening.

Overleg tussen Prins Bernhard en Jan Wynekes tijdens een winterse veldoefening.
Enige tijd later belt een kolonel van Soestdijk,
‘De Prins wil je morgen spreken. Om elf uur op Soestdijk. Niemand mag dit weten.’
‘Ja da’s lekker. Wat zeg ik tegen mijn commandant?’
‘Zeg maar dat je een boodschap moet doen.’
‘Dat kan niet. Op en neer naar Soestdijk kost me een paar uur en ik weet niet hoe lang hij me te grazen neemt.’
‘Luister, je commandant mag het wel weten maar zwijg tegen hem over de inhoud van het gesprek.’ Ik vertel de commandant dat ik bij de Prins ben ontboden en misschien wel op m’n flikker krijg.
‘Nou, veel sterkte Jan.’
De volgende dag stuur ik mijn ‘blauwe engel’ naar Soestdijk. Een lakei in smetteloos wit brengt me naar een studeerkamer. Daar staat prachtig lederen meubilair en er hangen schitterende afbeeldingen van paarden, reeën en foto’s van alle prinsen en koningen. Na een aantal minuten komt Bernhard binnen. Ik sta op.
‘Hallo Wynekes, ga zitten. Whisky?’
‘Eentje kan wel. Niet meer want ik moet nog terugrijden.’
Hij trekt aan een belkoord en even later nippen we aan een glas whisky.
‘Kijk’, zegt de Prins, ‘je weet dat ik het leger het Kroondomein heb aangeboden voor oefeningen. Dat ik daar tanks wil laten rijden. Maar nu is er onrust ontstaan. Het ene kamp is voor, het andere tegen. Wat is jouw mening?’
‘Koninklijke Hoogheid, u bent gek als u dat doet. We hebben in Moffrika voldoende terreinen waar je met tanks kan raggen. Het Kroondomein is voor eeuwig naar de bliksem als daar een paar dagen lang tanks doorheen stuiteren. In Zuid-Duitsland houden de Amerikanen oefeningen op de hei met hele pantserdivisies. Daar moeten we zijn.’
‘Nou dan weet ik genoeg.’
Daarna hebben we nog gezellig een half uurtje zitten kletsen. Op de terugweg denk ik na over het gesprek. Ik heb spijt dat ik Moffrika heb gezegd. Stomme idioot, denk ik. Maar goed, hij had me er niet op aangesproken.
In het voorjaar van 1965 ga ik op oefening naar Duitsland. Op zondag mogen we met het militair transport niet rijden dus ik zit in Markelo te wachten. Op een gegeven moment komt er een wachtmeester naar me toe.
‘Uw vrouw aan de lijn.’
‘Jan, ik heb een mooi huis in Ermelo gevonden. Zo’n mooi huis, daar zou ik best in willen wonen.’
Ik vraag haar wat dat huis moet kosten.
‘Nog geen ton’, antwoord Sheila.
‘Godsamme, wacht even’, en ik loop naar de generaal.
‘Mag ik uw jeep lenen? Ik moet op en neer voordat Sheila gekke dingen doet.’
Hij is akkoord, dus ik naar Ermelo. De makelaar is ook gearriveerd.
‘Wat maak je voor ons huis in Harderwijk?’, vraag ik. ‘Zesentachtigduizend.’
Ik denk razendsnel na, ‘zesentachtig, voor vijftien..., dit een ton…. Doe ik. Meteen.’
Sheila is verrukt. Het huis is helemaal kant en klaar. Nieuw in de verf en met centrale verwarming. Kort na het vertrek van de makelaar stap ik in mijn jeep en roep joviaal naar Sheila,
‘Als jij nog eens wat weet. Ik ben op weg naar een oorlog.’
Ons gezin bestaat uit vier leden. In 1946 is onze zoon Jan Richard geboren en drie jaar later jaar onze dochter Susan Mary. Jan Richard, die wij Dick noemden vanwege zijn bolle geboortetoet, werkt op een schip en is alleen in de weekenden thuis. Susan woont nog wel thuis. Mijn kinderen hebben nooit iets geweten of gevraagd over mijn oorlogsverleden. Mijn zoon heeft de pest aan het leger.
Op een gegeven moment moet hij in militaire dienst. Ik ben bang dat hij het door mijn naam moeilijk krijgt in het leger. In de trant van, ‘ben jij de zoon van die klootzak die de divisies en het legercorps gecommandeerd heeft?’ Men plaatst mijn zoon bij de infanterie. Dat is helemaal niets voor hem dus ik ga naar de indelingsraad in den Haag om daar een stokje voor te steken. Gelukkig tref ik een bekende.
‘Piet hoe gaat ie ermee?’
‘Goed.’
‘Dan moet het goed blijven, hè jongen’, zeg ik dreigend.
‘Mijn zoon moet in militaire dienst maar hij moet naar de aat. Begrepen?’
‘Oké Jan, dat kan ik regelen. Ik zet hem bij de aat.’
Daarna ondergaat mijn zoon de ‘Tilanus-keuring’. Een controle instrument waaruit blijkt of een nieuwe militair in de juiste categorie is ingedeeld. Piet belt me geschrokken,
‘Hij moet toch naar de infanterie.’
Ik zeg dat hij dat direct moet oplossen.
‘Ik wacht een week en dan plaats ik hem weer terug.’
Uiteindelijk komt hij terecht bij de Marechaussee in Amsterdam. Hij moet luxe boten binnenvaren. Hij vreet nooit in het leger maar op die schepen. Eerste klas, hè. Het enige dat ie moet doen is de motoren draaiende houden en de Marechaussee aan boord brengen. Hij zit gewoon uit z’n neus vreten. Tot overmaat van ramp heeft Tante Leen een zwak voor hem. Krijgt ie ook nog gratis zuipen. En aat hè. Alle Avonden Thuis!
Tijdens een feest op de Frederik Hendrik kazerne in Den Haag dans ik met een vrouw van een technisch ambtenaar. Die zegt op een gegeven moment tijdens het dansen:
‘Kolonel, ik vind dat u ver onder de maat functioneert.’
‘Waar hebt u het over?’
‘U kunt veel meer dan Chef Staf. U heeft teveel hersens om oorlogje te spelen op de hei.’
‘Wat moet ik dan doen?’, vraag ik haar enigszins overdonderd.
‘U heeft als jongeman voor de oorlog voor arts gestudeerd. Waarom maakt u dat niet af?’
‘Kent u mijn leeftijd? Hoe kom ik aan het geld?’
‘Ach, waar een wil is, is ook altijd geld.’
Enigszins verbouwereerd dank haar voor de suggestie, de prettige dans en breng haar snel naar haar stoel. Wat denkt die vrouw wel? Ik bespreek het later met Sheila maar zij is het roerend eens met haar.
‘Ja Jan, ik denk ook dat je het moet doen. Je haalt het wel.’
In 1965 wordt de Commissie Haaks ingesteld. Deze roept een regeling in het leven om oudere kolonels en oversten te laten afvloeien. Precies in die periode kom ik Haaks tegen.
‘Hoe ga jij dat doen Haaks?’
‘Nou voor twintigduizend gulden opruimen die boel hè.’
‘Dat doen ze niet hoor. Dat gaat allemaal naar de belasting. Veertigduizend hè. Je moet ze veertigduizend geven. Anders gaan ze niet hoor.’
‘Ik zal daar eens over nadenken Wynekes’, zegt Haaks en neemt beleefd afscheid.
Nadat de regeling van kracht wordt blijkt dat de ouderen blijven zitten en vooral jongeren er gebruik van maken. Ik word ondertussen commandant van de pantserbrigade in Ermelo. Dat ik als jong kolonel direct commandant word leidt tot veel jaloezie. Dat doet mij niets maar ik krijg wel steeds meer het gevoel dat alles een sleur aan het worden is. Alles is een herhaling. Tijdens de oorlog had ik geleefd als een zigeuner. Een levensgevaarlijke vlucht en gruwelijke gevechten tijdens de invasie. Nu zit ik steeds vaker achter een bureau met een pen te spelen.
Vuile briefjes te schrijven…. ‘naar aanleiding van...’, ‘moet ik mededelen...’ Vreselijk.
Ik denk aan mijn vader. Zijn afschuw van geweld en zijn vurige wens dat ik arts zou worden. De woorden van Sheila, ‘je haalt het wel’. Het spookt allemaal door mijn gedachten.
Op een gegeven moment denk ik, ‘Ik word geen generaal, Ik word arts!’
De Commissie Haaks komt mij goed van pas. Ik besluit er ook gebruik van te maken en bel een vriendje op het Departement en vraag of hij me wil waarschuwen als er zich dertig artilleristen hebben aangemeld. Er mogen er immers vijftig uit. Ik verwacht dat het een half jaar zal duren maar na een week krijg ik een telefoontje.
‘Jan, ik zit aan de dertig hoor.’
‘Dan ben ik nu nummer éénendertig.’
Met een motor-ordonnans laat ik mijn verzoekschrift naar het Departement brengen.
‘Dit is spoed en laat me weten of je het er levend af hebt gebracht’, zeg ik tegen de koerier.
Aanvankelijk weet niemand dit, maar na enkele maanden lekt het toch uit. Iedereen verklaart me voor gek en er wordt van alles over mij gefluisterd:
‘…..die zit in een crisis……’,
‘…..Hij kan generaal worden!’.
‘…….die ouwe denkt dat ie nog arts kan worden......’,
‘Wie doet dit nou?’
Ik, Jantje Wynekes. Ik ga studeren voor arts. In Utrecht.
Sheila is enthousiast over mijn onverwachtse overstap van het leger naar de collegebanken.
‘Ik hoop dat je bovenkamer het nog doet Jan. Anders doe je er maar een jaartje langer over’. ‘Godsnakende. Ik ben over de vijftig als ik afstudeer. Een jaartje langer!’