Bob draagt Jeroentje op zijn arm en geeft
Erik een
hand. Met zijn drieën lopen ze het ziekenhuis uit.
Buiten is het nu helemaal donker.
„Het zal wel weer goed komen," zegt Bob.
Erik knikt. Ze zijn alle drie stil.
„Het is wel een dapper mannetje, hè?" zegt
Bob
dan.
„Nou!" zegt Erik.
Onderweg in de auto weet niemand iets te
zeggen.
Jeroentje slaapt, met een handje aan zijn oor en een
aan Eriks shirtje. Erik kijkt door het autoraampje naar
buiten. Er zijn sterren in de lucht. 'Als er eentje valt,
wens ik dat Jeroentje beter wordt,' denkt hij. Alle ster-
ren blijven op hun plaats. 'Maar wensen kan altijd,'
denkt Erik. 'Was ik maar net iets sneller geweest. Dan
had ik Jeroentje kunnen vangen, toen die viel. In
plaats van hem zo te zien gaan.' Hij hoort weer de
harde bons waarmee Jeroentje in de bocht van de trap
terechtkwam. Erik legt zijn wang tegen de zachte
haartjes van zijn neefje. „Beter worden," fluistert hij.
Thuis draagt Bob Jeroentje voorzichtig naar
bin-
nen.
„Ik leg hem maar meteen in zijn bedje," zegt
hij
zachtjes.
Met zijn drieën lopen ze naar boven.
Jeroentje
slaapt ondertussen verder. Bob legt hem in zijn
logeerbedje. Het lijkt wel of hij kleiner is dan anders.
„Zal hij altijd zo zielig blijven?" vraagt
Erik als ze
samen naar de slapende Jeroentje kijken.
„Volgens die dokter kan het snel genezen,"
zegt
Bob.
Ze lopen de trap af. Beneden in de kamer
doet Erik
de televisie aan en zapt twee keer langs alle kanalen.
Niks. „Hoe laat komen Anne en Floor thuis?" vraagt
hij dan.
Bob kijkt op zijn horloge. „Zo, denk ik."
Hij pakt
een boek, maar legt het meteen weer weg.
Op het vloerkleed ligtBoris, de hond. Zijn
kop op
zijn voorpoten. Met droevige ogen staart hij naar
niets en zucht eens diep.
„Wanneer gaan ze eigenlijk weer naar hun
eigen
huis?" vraagt Erik.
„Morgenochtend vroeg."
„Hoe vroeg?"
„Meteen na het eten."
Erik knikt. „Van mij mag hij best nog een
nachtje,"
zegt hij dan en kijkt de andere kant op.
„Ja, hè," zegt Bob.
Dan horen ze opeens gestommel op de trap.
„Wat is dat?" vraagt Bob. Allebei schieten
ze over-
eind. Bob doet de deur open.
Achter de deur staat Jeroentje. Zijn luier,
die eigen-
lijk verschoond had moeten worden, hangt tussen
zijn knietjes. Hij kijkt Bob en Erik vriendelijk aan,
alsof er nooit iets gebeurd is. „Nee!" zegt hij en
schudt zijn hoofd als iemand die lang heeft nage-
dacht en het nu zeker weet. „Nee, niette bedje toe,
bedje isse niet. Bedje isse weg!"
Bob en Erik vallen allebei lachend terug op de bank.
„O nee, hè!" roept Erik dan. Hij loopt naar
de
kamerdeur en steekt allebei zijn armen uit. „Jeroen-
tje," zegt hij, „je bent echt hopeloos!" En hij klemt
zijn neefje stevig tegen zich aan.