Boem pijn
„Och Jeroentje toch," zegt Erik zachtjes.
Voorzichtig
tilt hij Jeroentje onder zijn armen overeind en draagt
hem zo de trap af. Zijn beentjes slepen erbij langs de
treden, want eigenlijk is Erik niet lang genoeg voor
dit werkje. Jeroentje is heel stil geworden en zegt
alleen telkens zachtjes 'auwauw'. In de kamer zet
Erik hem op de bank. Jeroentje blijft precies zo zitten.
Alsof hij een pakketje is geworden. Een bleek pak-
ketje.
„Wat is er gebeurd?" vraagt Bob bezorgd.
„Van de trap gevallen," zegt Erik. „Wat
moeten we
doen?"
„Boem pijn," zegt Jeroentje.
Bob haalt een nat washandje en bekijkt
Jeroentje
eens goed. „Waar doet het pijn, Jeroentje?"
„Auwauw."
„Heb je pijn op je hoofd?"
Jeroentje zegt niets meer en kijkt
verdrietig voor
zich uit. Dan komt hij een stukje overeind en wijst
naar iets onder het tafeltje. „Bal pele," zegt hij, zo
zachtjes dat niemand het verstaat.
„Wat zegje?" vraagt Erik en komt vlak bij Jeroentje
om het beter te horen.
„Bal pele," fluistert Jeroentje weer.
„Ai!" roept Erik dan geschrokken. „Zijn tong
is
helemaal gesneden!"
Bob komt ook kijken. „Doe je mondje eens
open,"
zegt hij. Dwars over de tong van Jeroentje loopt een
diepe, rode snee. De randen hangen een beetje naar
buiten, als een puddinkje dat in twee helften uit
elkaar aan het vallen is. „Dat ziet er niet zo mooi uit,"
mompelt Bob. „Zijn tong is tussen zijn tanden geko-
men tijdens de klap."
Jeroentje wordt nog stiller.
Erik gaat naast Jeroentje op de bank zitten
en doet
een arm om hem heen. „Stil maar hoor," fluistert hij
tegen Jeroentje. „Bob zal het wel regelen."
Bob loopt naar de telefoon. „Ik zal de
dokter maar
even bellen," zegt hij, „vragen wat we kunnen doen."
Bob draait het nummer. Tijdens het gesprek knikt hij
telkens, met een ernstig gezicht. „Ja, ik begrijp het,"
antwoordt hij een paar keer.
„We moeten naar het ziekenhuis," zegt hij
als hij de
hoorn neerlegt. „Het is beter dat ze er daar even naar
kijken. Doe je mondje nog eens open," zegt hij dan
tegen Jeroentje.
Maar Jeroentje kijkt alleen maar bedroefd terug.
Even later zitten Erik en Jeroentje achter
in de auto.
Jeroentje kijkt met een rimpeltje tussen zijn ogen
naar Erik. „Boem pijn!" zegt hij.
„Je bent van de trap gevallen," legt Erik hem uit.
„Bente tappe valle," knikt Jeroentje, maar
dan
schudt hij zijn hoofd. „Boem pijn!" zegt hij.
„Okee," zegt Erik. „Boem pijn!"
Dan wijst Jeroentje met een vingertje dat
nog klei-
ner lijkt dan anders op Eriks knieën. „Wijje goot
zitte?"
Erik knikt en hijst Jeroentje op zijn
schoot. Wan-
neer Jeroentje zit, legt hij zijn hoofd tegen Erik aan.
Met één handje pakt hij zijn eigen oortje vast, met het
andere Eriks shirtje. Hij zucht en blijft heel stil zo
zit-
ten.