„Wijje boekeleze?" Jeroentje houdt de
stickers stevig
in een handje geklemd. In zijn andere hand heeft hij
een boekje dat zijn moeder van huis heeft meegeno-
men. Het heeft bladzijden van dik karton die aan de
hoeken een beetje afgesabbeld zijn. Jeroentje legt het
boekje bij Erik op schoot. Daarna klimt hij er zelf
achteraan. Het gaat een beetje lastig met de stickers
in zijn hand. Als het eindelijk gelukt is, draait hij net
zo lang heen en weer tot hij lekker in een holletje
tegen Erik aan zit.
„Zo!" zegt hij tevreden en hij slaat de
eerste blad-
zijde van het boekje maar vast open. Het is een boek
met alleen maar plaatjes van dieren uit de dierentuin.
„Wa is nongetje noue bleve?" vraagt
Jeroentje ver-
baasd, terwijl Erik nog zit te bedenken wat hier nou
aan voor te lezen valt.
„Oooo!" geeft hij zelf antwoord. „Da is
nongetje!"
Hij wijst op een jochie ergens in een hoekje van de
tekening.
'Voor Jeroentje gaat het verhaal daar over,'
bedenkt
Erik.
„Gaattie pringe!" knikt Jeroentje met een spannend
gezicht naar Erik. Jeroentje slaat de
bladzijde alweer
om. „Zooo, evekijke!" zegt hij op een gezellige vertel-
toon. „Jaaa! Da is nongetje wee!"
„Maar wat is dit dan voor beest?" vraagt
Erik. Hij
wijst op een levensgrote pinguïn die midden op de
bladzijde staat. Jeroentje snapt blijkbaar niets van het
boek.
„Isse beest?" vraagt die verbaasd.
„Ja, dit is een pinguïn," wijst Erik.
Jeroentje kijkt heel lang naar het plaatje
van de pin-
guïn. Dan wijst hij naar een klein hoekje van de blad-
zijde waar het jongetje weer staat. „Isse nongetje!"
knikt hij vastbesloten. Dit is zijn verhaal. En hij weet
er nog wel meer over te vertellen. „Nongetje heefte
oor," legt hij geduldig uit, „enne muts oppe hoofd.
Nee, nongetje isse niette pingping."
Erik haalt zijn schouders op en slaat de
bladzijde
om. Een aapje staat erop, dat zal hij toch wel leuk vin-
den. „Kijk, Jeroentje, aap! Daar, aapje!" Erik wijst op
het aapje dat aan een boomtak slingert.
Maar Jeroentje zit ondertussen zachtjes te
kreunen.
„Oooo, nongetje beetje valle! Ooooo, nongetje beetje
pijn!" En met een triest gezicht wijst hij op het jonge-
tje, helemaal achteraan op de tekening. Net als het
aapje slingerde hij aan een tak, maar hij is daarbij op
de grond gevallen. Jeroentje weet het
allemaal precies
en wijst ook heel bedroefd op de muts van het jonge-
tje. „O nee!" kreunt hij. „Mutsevalle! Oooo, nongetje
beetje huile!"
En als hij vertelt over het verdriet van het
jongetje,
herinnert hij zich ook opeens weer hoe zielig hij zelf
is. Waar het precies over ging, is hij alleen een beetje
vergeten. Maar dat geeft niet zo erg. Snel laat Jeroen-
tje zich van de bank glijden en meteen door naar de
grond. Daar gaat hij voorzichtig liggen en doet dan
even zijn hoofd tegen de vloer.
„Ooooo," kreunt hij, „Joentje ookke beetje
valle!"
Met heel verdrietige ogen kijkt hij Erik aan en zacht-
jes begint hij te huilen. „Joentje koppie pijn."
En als hij ziet hoe bezorgd Erik kijkt, weet
Jeroentje
opeens weer waar het allemaal echt om ging. Meteen
komen alle tranen ook weer terug. „Joentje eige huis
toe!" snikt hij.