Thuis zit Jeroentje in de huiskamer op de
grond te
spelen. Niks aan de hand. Tenminste, niet met hem.
Erik rent met grote sprongen de trap op naar zijn
kamer. Al op de drempel ziet hij dat het mis is. Pre-
cies zoals hij gedacht had. De lego!
„Nee, hè!" zucht Erik. Moedeloos laat hij
zich op
zijn knieën naast zijn legers zakken. Alles door
elkaar! De leider van de Zwarte Ridders heeft een
motorhelm op zijn hoofd. Aan de staart van zijn
paard hangt een scheepskanon. De speren van de
Witte Ridders liggen als luciferhoutjes in de schatkist
van de piraten. En de piraten zelf zitten met z'n tie-
nen bij elkaar gepropt in een maanlandingsvoertuig
van de lego-astronauten.
Woedend graait Erik om zich heen en gooit
alles
dwars door elkaar in zijn legokist. Het fort van de
Zwarte Ridders dat hij gisteren met veel moeite in
elkaar heeft gezet, valt krakend in vijf brokken uit
elkaar. Ook dat nog.
Maar dan ziet Erik iets wat nog veel erger
is. Van de
prachtige tekening die hij had gemaakt van het mon-
ster vindt hij op zijn bureau alleen de 'U' nog terug.