52

De weduwe Laine was stokoud en even knoestig als de vruchtbomen rondom haar huis aan de bosrand. Toen ze de keukendeur uit kwam om hen te begroeten, zag ze er even broos en breekbaar uit als een uitgebloeide paardebloem. Haar witte, doorzichtige haar was net een stralenkrans om het gezicht dat werd doorkruist door eeuwenoude rimpels. Of iets jongere.

Haar heldere ogen getuigden ervan dat ze ook inwendig rimpels had, dacht Münster, die haar als eerste een hand gaf.

‘Het is niet te geloven’, grinnikte ze en ze schopte een lapjeskat opzij die langs haar benen streek. ‘Zo veel bezoek heb ik sinds mijn negentigste verjaardag niet meer gehad. Als jullie koffie willen, moeten jullie het zelf zetten, want ik ben bijna aan mijn ochtendslaapje toe. Ik ben al vanaf zes uur in touw.’

Münster knikte en verklaarde dat dat niet hoefde. Ze had gelijk: ze waren in groten getale gekomen. De drie auto’s waren zo’n beetje tegelijkertijd gearriveerd. Bausen en De Klerk kwamen van het politiebureau. Rooth, Stiller, Moerk en hijzelf kwamen uit de Wackerstraat, waar ze het buurtonderzoek meteen hadden gestaakt toen ze in kennis waren gesteld van de waarneming van mevrouw Laine.

Met zijn zessen waren ze, dat was inderdaad niet gering.

‘U hebt die auto dus gezien?’ vroeg De Klerk. ‘Waar was dat? Wij hebben elkaar zojuist telefonisch gesproken.’

‘Daarginds.’

Ze wees met een kromme wijsvinger over het weiland naar de bosrand. Vijf politiemensen en één voormalig politieman staarden in de aangegeven richting. Het pad dat vanaf de grote weg naar het huis van mevrouw Laine leidde, ging in afgezwakte vorm – niet meer dan een karrenspoor eigenlijk – verder door het weiland en tussen de hoge, zacht wiegende espen en beuken door.

‘Ik loop ’s ochtends altijd een stukje met Ginger Rogers’, deelde ze luidkeels mee zodat iedereen het kon horen. ‘Elke ochtend. Naar de zee en terug, we hebben allebei beweging nodig. Weer of geen weer.’

‘Dat is uw hond?’ vroeg Bausen.

‘Mijn hond, ja. U herken ik. Een vuilnisbakkie van veertien … soms moet ik haar naar huis slepen, ze is luier dan de pastoor, godsamme … ze ligt alweer voor de kachel te slapen.’

‘Had u het opsporingsbericht op de radio gehoord?’ vroeg brigadier Moerk.

Mevrouw Laine knikte en duwde haar kunstgebit met haar tong op zijn plaats.

‘Om half acht luister ik altijd naar het nieuws. Maar nu moeten jullie het verder zelf maar uitzoeken. Gewoon de weg volgen … die auto staat tweehonderd meter het bos in. Een blauwe dus.’

Münster gaf haar weer een hand en bedankte haar. Mevrouw Laine maakte rechtsomkeert, keerde terug naar de warme kachel en deed de deur achter zich dicht.

Stiller en Moerk hadden al twintig meter voorsprong.

Stiller en Moerk bereikten ook als eersten de auto. Ze bleven even staan wachten op de anderen.

‘Is dit hem?’ vroeg Stiller.

‘Ik geloof het wel’, zei Moerk. ‘Een blauwe Opel met het kenteken …’

‘Dat is hem’, bevestigde Münster over haar schouder. ‘Verdomme!’

Rooth opende het portier aan de bestuurderskant en keek naar binnen.

‘De sleutels zitten er nog in’, constateerde hij. ‘Ik weet niet wat dat betekent.’

‘Doe de motorkap eens open’, verzocht Bausen hem. ‘Het kan zinvol zijn om te voelen of de motor nog warm is.’

Rooth stopte de sleutels in zijn zak, vond de hendel onder het dashboard en trok eraan. Bausen trok de kap omhoog en voelde eronder met zijn hand. Münster deed hetzelfde.

‘Niet helemaal koud’, zei Bausen. ‘Hij staat hier in ieder geval nog niet de hele nacht. Of wat denk jij?’

‘Hooguit een paar uur’, schatte Münster. ‘Maar welke conclusies je daaraan kunt verbinden weet ik niet.’

Rooth sloeg het portier dicht.

‘Laat die conclusies maar zitten’, zei hij. ‘Zeg liever wat we moeten doen.’

Münster keek naar de overige aanwezigen. Hij zag bij iedereen dezelfde onrustige spanning, dezelfde onderdrukte angst die ook in hem gistte.

Dit vergeet ik nooit meer, dacht hij opeens. Deze vreselijke ochtend in dit vreselijke bos, hier zal ik de rest van mijn leven nachtmerries over hebben. Als het een film was zou ik opstaan en de zaal verlaten, dit hoef ik niet …

De Klerk kuchte en onderbrak zijn gedachten.

‘We moeten zoeken, natuurlijk’, zei hij en hij gebaarde met zijn arm. ‘Als we nou aan deze kant van de weg beginnen, en we lopen met telkens vijftien meter tussenruimte tien, vijftien minuten rechtuit. En als we niets vinden daarna aan de andere kant …’

Hij keek iedereen aan, op zoek naar instemming. Die kreeg hij ten slotte van Bausen in de vorm van een kort knikje en een vloek.

‘Oké’, zei Rooth. ‘Waarom niet? Hoe zit het met onze bewapening? Voor het geval …’

De rest van de zin bleef in de koele ochtendlucht hangen, terwijl iedereen zijn dienstwapen tevoorschijn haalde.

‘Ik heb er geen’, constateerde Bausen. ‘Maar dat maakt me geen ene donder uit.’

‘Zoals je wilt’, zei De Klerk neutraal.

‘Zullen we beginnen of willen jullie nog langer staan delibereren?’ vroeg Beate Merk.

Met een zekere omslachtigheid formeerden ze zich naast het smalle weggetje. Ze bestreken een gebied van ongeveer honderd meter breed en op het signaal van De Klerk en Münster op de flanken zetten ze zich in beweging, het bos in.

‘Zorg dat je oogcontact houdt met je buurman of buurvrouw’, maande de politiechef. ‘En waarschuw als je ergens tegenaan loopt.’

Münster keek op zijn horloge en week uit voor een omgevallen boom.

Kwart over acht. Hij voelde een druppel koud zweet langs zijn slaap lopen.

Binnen vijf minuten had Bausen het gevonden.

Na een wat ruiger stuk met esp- en beukopslag kwam hij op een open plek met raai- en zwenkgras, en wat hij toen zag deed hem verstijven.

Voor hem, op maar een paar meter afstand, was een vers graf gedolven. Daar kon geen twijfel over bestaan. Een gapend gat in de grond van circa twee meter lang en een halve meter breed. Niet al te diep, de opgeworpen aarde lag keurig langs de ene lange zijde en de schop lag een stukje verderop in het gras. Maar het was niet deze aanblik die ervoor zorgde dat Bausen zich om moest draaien om zijn eenvoudige ontbijt van die ochtend uit te kotsen.

Anderhalve meter van de plek waar hij was blijven staan lag een hoofd.

Een vrouwenhoofd met donker haar, een wijdopen mond en dito ogen, die hem met een soort bevroren verbazing leken aan te staren.

En met een soort volledig groteske glimlach. Uit de nek hingen bloederige slierten in een donkere plas bloed. Hij kreeg een snelle – en even groteske – associatie met een nagerecht dat hij enkele weken geleden samen met Mathilde bij Fisherman’s Friend had gegeten.

Chocoladecitroensorbet op frambozenspiegel.

Misschien moest hij daarom overgeven.

Het lichaam lag twee meter verderop, vlak bij de schop, en binnen een seconde begreep Bausen hoe het moest zijn gegaan.

Hoe Elizabeth Nolan was onthoofd.

Toen zag hij Van Veeteren.

Hij lag aan de andere kant van de open plek. Op zijn linkerzij met zijn knieën een stukje opgetrokken en zijn armen en handen stijf tegen zijn borst gedrukt. Bijna in foetushouding, hij moest daar op eigen kracht naartoe gestrompeld zijn … ten minste twee of drie stappen … als het zo was gegaan als Bausen dacht. Vlak naast de uitgestrekte rechterhand van Elizabeth Nolan lag een pistool in het gras. Ja, het scenario was duidelijk.

Op het moment dat hij Van Veeteren bereikte, dook Münster van een andere kant op.

‘Godnogaantoe’, kreunde hij en hij staarde Bausen aan, die op zijn knieën naast Van Veeteren ging zitten. ‘Wat is er …?’

Bausen hief een vinger om Münster tot stilte te manen. Hij boog nog wat verder over het roerloze lichaam heen en voelde voorzichtig met zijn handen over zijn hals en hoofd.

Münster sloot zijn ogen en wachtte. Even had hij het idee dat de grond onder zijn voeten schokte en dat verbaasde hem absoluut niet.

Absoluut niet.

Mijn god, dacht hij. Laat nu …

‘Hij leeft’, riep Bausen uit. ‘Godzijdank, hij leeft!’

Münster ging op zijn knieën naast hem zitten. Hij merkte niet dat Beate Moerk en Rooth achter hem opdoken, maar wel dat Van Veeteren zijn ogen opendeed en zijn lippen bewoog.

‘Hij wil iets zeggen.’

Bausen trok zijn jasje uit en legde het met een bijna teder gebaar over Van Veeteren heen. Daarna hield hij zijn oor vlak bij zijn mond en luisterde. Een paar seconden later rechtte hij zijn rug en keek Münster aan.

‘Wat zegt hij?’

Bausen fronste zijn voorhoofd.

‘Als ik het goed heb verstaan zegt hij dat hij op de terugweg vijftien mensen is tegengekomen.’

‘Dat hij wat?’

‘Ja, vraag mij niet wat het betekent. Hij liep over het strand en kwam die mensen tegen, beweert hij. Vijftien personen. Maar laat verder maar en bel een ambulance, ik denk dat hij in zijn borst is geraakt. En hij ligt hier al een tijdje. Het kan allemaal best goed komen, maar er zit niet veel leven meer in.’

Münster kwam overeind, maar hij had zijn telefoon nog niet gepakt of Moerk had de alarmcentrale al aan de lijn.

Hij keek omhoog en had het gevoel dat de bijna witte hemel dichterbij was dan anders.