51

Hij deed zwijgend een paar scheppen. Bij elke beweging voelde hij zijn rug, maar in het licht van wat hem te wachten stond, was dat niet de moeite. Zolang ik pijn heb leef ik, dacht hij. Hij zweette nu ook, maar wilde zijn jasje niet uittrekken. Een vaag idee dat het koud was in de grond speelde door zijn hoofd, waarschijnlijk weerhield dat hem.

‘Jullie hadden Verlangen er niet in hoeven te betrekken’, zei hij. ‘Het was evengoed wel gelukt.’

‘Kletskoek. Jaan had een reden om hem te straffen … bovendien hadden we hem natuurlijk nodig.’

Hij vermoedde dat ze het ondanks zichzelf belangrijk vond hem hiervan te overtuigen. Alsof ze toch de behoefte had om haar acties te rechtvaardigen.

‘Waarvoor?’

‘Om jullie zand in de ogen te strooien. Jaan G. Hennan had zijn vrouw vermoord, zij had het zien aankomen en had een privédetective in de arm genomen, die haar leven echter niet had weten te redden. Zo moesten jullie het zien, en zo zagen jullie het ook. Hebben jullie geen moment vermoed dat het slachtoffer iemand anders zou kunnen zijn?’

Hij gaf geen antwoord, maar er welde een gevoel van schaamte in hem op. Ze heeft gelijk, dacht hij. We hebben het niet gezien. Ik niet en wij allemaal niet. Alleen een aan de drank verslaafde detective vijftien jaar later. Zo was het.

En eervol was dat niet.

Net goed voor me, concludeerde hij. Deze finale is een waardig eindpunt van de hele ellende. Eigenlijk zou het nu ook nog moeten gaan regenen.

Maar dat scheen niet de prognose te zijn voor deze ochtend in september. Tenminste niet voor de korte tijd die hem nog restte. Het was nu bijna helemaal licht. De zon scheen echter niet, en die zou sowieso pas tegen lunchtijd dit dal bereiken. En dan was alles allang voorbij.

De hemel was bleek en nietsvermoedend. Geen wind, geen tekenen. Hij deed zwijgend nog een paar scheppen en bedacht dat aarde lekker rook.

‘Wie was Liston?’ vroeg ze opeens.

‘Liston?’

‘Ja. Verlangen had het over een man die zo heette. Hij zou geld van mijn man hebben aangenomen.’

Van Veeteren rechtte zijn rug en steunde met zijn elleboog op de handgreep van de schop.

‘Geen idee.’

‘Echt niet?’

‘Erewoord. Hoe hebben jullie elkaar trouwens leren kennen?’

‘Wie?’

‘Jij en Hennan.’

Ze aarzelde even en besloot toen om hem ook dit te vertellen.

‘In 1980. Een paar jaar voor zijn huwelijk met Philomena.’

‘Juist, ja. Dus dat was van begin af aan een schijnhuwelijk.’

‘Schijnhuwelijk?’ Ze lachte. ‘Ja, zo kun je het wel noemen. Ze was een ontzettend domme gans, ze mocht blij zijn dat ze trouwde.’

‘Jullie hadden geen morele scrupules?’

Nu glimlachte ze echt.

‘Moraal, commissaris! Wat een groot woord! Niemand rouwde om Philomena McNaught, geloof me. We hebben haar aardse lijden met veertig, vijftig jaar bekort. En hoeveel belangstelling verwacht u op de begrafenis van Verlangen?’

Het viel hem op dat ze weer op ‘u’ was overgegaan. Hij ging door met graven en opeens schoot hem iets te binnen.

‘Ze had een kind, die vrouw die je hebt vermoord, wist je dat?’

Haar glimlach werd vervormd tot een grimas.

‘Je hebt er slordige hoeren bij.’

Plotseling voelde hij dat zijn woorden opraakten. Ze verdiende het niet, dacht hij. Ze was het niet waard dat hij deze macabere dialoog met haar voerde. Ik moet haar niet laten geloven dat ik enig respect voor haar heb, alsof ze een tegenstander zou zijn waar ik mijn nek voor ontbloot.

Stel je voor dat ze ermee wegkomt? schoot het door hem heen. Terwijl ze de dood van vijf mensen op haar geweten heeft. Waaronder de mijne.

Misschien was er nog een slachtoffer geweest, in Engeland bijvoorbeeld, daar hadden ze toch ook een paar jaar gewoond? Hij wilde haar er niet naar vragen, hij wilde helemaal niets meer zeggen. Of weten.

Terwijl hij verder groef, probeerde hij toch in te schatten hoe waarschijnlijk het was. Dat ze er zonder kleerscheuren van af zou komen. Hij besefte dat zijn analytische vermogen onder de omstandigheden niet alles was, maar toch leek ze best goede kansen te hebben. Ja, toch?

Verdomme, dacht hij. Als dit mijn memoires waren, dan was dit het droevige laatste hoofdstuk. De grote commissaris zet een punt achter zijn enige onopgeloste zaak door zich te laten vermoorden door Lady Macbeth. Wat een geluk dat ik het schrijven eraan heb gegeven. Wat een geluk dat ik het politiekorps heb verlaten.

Maar het ging hier niet alleen om zijn memoires of om zijn werk, maar om zijn leven. Het naakte leven.

Erich? mompelde een stem in zijn binnenste. Zie je me nog, zoon?

Hij hoorde geen antwoord, maar besloot hoe de slotscène eruit moest komen te zien. Waarom nog langer gedraald? De tijd was rijp. Hij voelde het zweet op zijn rug plakken.

Een kans van een op de honderd.

Hooguit.

‘Wat je moet doen?’ zei Bausen. ‘Nou, dat zal ik je vertellen. Je moet Van Veeteren en zijn auto via elk denkbaar radio- en tv-kanaal laten opsporen. Meteen! Dit is geen toeval, en als er maar iets waar is van wat Rooth beweert, kan er haast bij zijn … verdomd veel haast!’

Misschien is het al te laat, dacht hij, maar dat zei hij niet.

‘Oké’, zei De Klerk. ‘Ja, dat was ik natuurlijk ook van plan. Maar verder, bedoel ik.’

‘Verder’, mompelde Bausen, ‘moeten we zorgen dat Rooth en Münster assistentie krijgen. Vraag de buren of ze gisteren een blauwe Opel in de straat hebben gezien. En dan maar duimen. Zal ik naar het bureau komen?’

De Klerk aarzelde een halve seconde.

‘Ja, graag’, zei hij. ‘Dat zou wel prettig zijn.’

Münster en Rooth drongen de villa van de Nolans binnen via een open ventilatieraampje aan de achterkant.

Vervolgens dwaalden ze vijf, zes minuten doelloos door de verschillende kamers in de ijdele hoop tegen iets aan te lopen wat hun een hint kon geven van wat er was gebeurd.

Als er tenminste iets was gebeurd.

‘Waar zoeken we naar?’ vroeg Münster.

‘Dat weet ik niet,’ zei Rooth, ‘maar als je het vindt, zal ik het je vertellen.’

‘Fijn’, zei Münster. ‘Zo duidelijk als jij dingen kunt uitleggen, daar heb ik je altijd al om bewonderd.’

Rooth reageerde niet. Münster zuchtte en keek de ruime woonkamer rond. Er was geen spoor van Elizabeth Nolan, in ieder geval niet voorzover hij kon zien.

Geen vingerwijzing waar ze naartoe was gegaan, beter gezegd. Natuurlijk waren er genoeg legitieme redenen te verzinnen waarom ze niet thuis was. Ze hadden geconstateerd dat beide auto’s, zowel de Rover als de japanner, op hun plaats stonden in de garage en op de oprit, maar ook dat was natuurlijk een feit waar je niet veel mee opschoot. Er reden bijvoorbeeld ook bussen en treinen. En je had vliegtuigen, als je om de een of andere reden verder weg wilde gaan. Toen Münster voor de derde keer had vastgesteld dat mevrouw Nolan niet in haar bed lag en ook niet in de kast in de slaapkamer hing, begon hij de toestand als uitzichtloos te ervaren.

‘Dit is niks’, zei hij tegen Rooth, die net voor de tweede keer uit de badkamer kwam. ‘We lopen hier als een stel idioten rond. Hier is niets te vinden, we moeten rationeler te werk gaan.’

Rooth haalde hulpeloos zijn schouders op en keek uit het raam naar de straat, waar Beate Moerk en aspirant Stiller net uit een auto stapten.

‘Hulptroepen’, constateerde hij. ‘Nu zijn we met zijn vieren. Zullen we allemaal een buurhuis nemen … en hopen dat ze nog niet naar hun werk zijn?’

Münster keek op zijn horloge. Het was twintig over zeven en zijn misselijkheid was nog niet over. Die was eerder erger geworden.

‘Goed’, zei hij. ‘Baat het niet, het schaadt ook niet.’

‘Koffie?’ vroeg De Klerk.

Bausen schudde zijn hoofd en ging voor het bureau zitten, tegenover zijn dertig jaar jongere opvolger.

‘Het opsporingsbericht is eruit’, verklaarde De Klerk. ‘Het komt op tv in een nieuwsuitzending, en op de radio wordt het elk uur herhaald tot …’

‘Ik weet het’, viel Bausen hem in de rede. ‘Ik heb het in de auto onderweg hierheen gehoord. Hoe gaat het in de Wackerstraat?’

‘Ze zijn navraag aan het doen bij de buren. Mevrouw Nolan was dus niet thuis. Dat hoeft niets te betekenen, maar op dit moment hebben we geen andere sporen die we kunnen volgen.’

Bausen knikte moedeloos.

‘Ik hoop dat het genoeg is’, zei hij. ‘Als we Rooth serieus nemen … en als ze dat flauwvallen heeft gesimuleerd … ja, dan valt er met Elizabeth Nolan niet te spotten.’

‘Het is maar een detail’, merkte De Klerk op.

‘Zeker. Maar dat maakt niet uit. We hebben een of-of-situatie, zoals dat heet.’

‘Of-of?’

‘Ja. Als Rooth het goed heeft gezien, moeten we dat niet bagatelliseren. Ze probeerde te doen alsof ze in shock was, terwijl ze dat niet was. Er is maar één verklaring mogelijk. De dood van haar man was geen verrassing voor haar … En de verklaring daarvoor is ook niet moeilijk te verzinnen.’

‘Je bedoelt dat ze hem heeft vermoord?’ vroeg De Klerk.

‘Daar kunnen we voorlopig van uitgaan. Van die hypothese. Ook mogen we veronderstellen dat ze waarschijnlijk een goede reden had voor haar daden … enzovoort. Hoe we ook redeneren, we komen steeds weer terug bij die oude geschiedenis van vijftien jaar geleden. Vraag me niet hoe. Nou ken ik Van Veeteren al een hele tijd en hij is er verdomme de man niet naar om zomaar in rook op te gaan.’

‘Wat denk jij dan dat er …?’ vroeg De Klerk, maar hij werd onderbroken door de telefoon.

Hij nam op en luisterde. Hij hield zijn hand voor de microfoon en zei op luide fluistertoon tegen Bausen: ‘Een vrouw met een tip. Naar aanleiding van het opsporingsbericht.’

De daaropvolgende minuten luisterde hij weer; hij stelde vragen en maakte aantekeningen. Bausen leunde achterover in zijn stoel en observeerde hem nauwlettend. En toen duidelijk werd waar het gesprek over ging, was het alsof iets in zijn binnenste langzaam uit de knoop raakte. Alsof hij de hele ochtend zijn adem had ingehouden.

Of dat er een gebalde vuist tegen zijn middenrif had geduwd.

Eindelijk, dacht hij. Eindelijk valt er iets op zijn plaats in deze klotezaak.

Maar alstublieft, Heer …

Hij formuleerde de gedachte niet. Dat hoefde niet.

‘Het is klaar.’

Ze stond op van haar plaats op de boomstam.

‘Hoe weet je dat?’

Hij stapte uit de kuil, rekte voorzichtig zijn rugspieren en pakte de greep van de schop met beide handen vast. Hij zorgde ervoor dat het blad niet in de aarde stak, maar alleen tegen een kluit rustte.

‘Dieper hoef ik niet te liggen.’

Ze keek even naar het graf en leek ergens over na te denken. Hij keek op zijn horloge. Het was vijf voor zeven. Het bos was wakker. Dat merkte hij half bewust en van een afstand, door zintuiglijke indrukken die zo subtiel waren dat hij ze niet afzonderlijk registreerde. Of de moeite nam ze te registreren. Zachte geluiden, vage geuren, onmerkbare bewegingen.

‘Dicht bij de hemel’, zei hij. ‘Ik lig liever wat hoger. Als het jouw graf was, zou ik het natuurlijk wat dieper maken.’

Daar had ze niet van terug. Ze kneep haar lippen opeen tot een smal streepje en hief haar wapen.

‘Mag ik nog een laatste wens doen?’

‘Een laatste wens? Zeg het maar.’

Ze lachte. Toch een beetje nerveus. Hij kuchte en kneep in het handvat. Hij spande zijn arm- en beenspieren.

‘Een vogel. Ik wil een vogel zien als ik doodga. Kun je wachten tot er een langskomt?’

Hij keek omhoog naar de bleke lucht boven de bomen. Hij hoorde haar een geluid uitstoten dat het midden hield tussen snuiven en lachen.

Toen zag hij dat ze ook een blik omhoogwierp.

Nu, dacht hij.

Hij deed een stapje naar voren en zwaaide met de schop.

Op hetzelfde moment hoorde hij het schot en hij voelde de pijn.

Een pijn zo hevig, dat had hij zich nooit kunnen voorstellen. Nooit.

Toen een verblindend wit.

Daarna duisternis.