49

Rooth werd wakker van het gebeier van kerkklokken.

Tenminste, hij dacht een mooie, hoopvolle seconde lang dat het kerkklokken waren. Hij had gedroomd van zijn eigen bruiloft met een licht olijfkleurige vrouw met de naam Beatrice, die veel gemeen had met zijn klasgenootje van de middelbare school, Belinda Freyer, op wie hij zolang hij zich kon heugen verliefd was geweest. Midden onder de plechtigheid – een nokvolle kerk, een juichend engelenkoor en een in het wit geklede bruid – ging de telefoon.

Hij tastte over het nachtkastje, deed een lamp aan en ontdekte dat het nog maar kwart over zes was.

Wie belt er nou om kwart over zes ’s ochtends? dacht hij.

En wat wil het zeggen dat je op dat tijdstip over kerkklokken droomt?

De telefoon stond verderop op het smalle bureau, ontdekte hij. Hij gooide het dekbed opzij en hees zich overeind, en toen hij Münsters stem door de telefoon hoorde en op hetzelfde moment zijn eigen krijtwitte gezicht in de spiegel boven het bureau zag, in die fractie van een seconde wist hij wat de ontbrekende schakel was die al een paar dagen door zijn hoofd speelde.

Dat detail.

Het werd zwart voor zijn ogen.

‘Wacht even’, zei hij tegen Münster.

Hij leunde voorover en kwam weer een beetje bij.

‘Wat is er met je?’

‘Sorry’, zei Rooth. ‘Gewoon een beetje duizelig. Ik ben te snel opgestaan, denk ik …’

‘Juist’, zei Münster. ‘Ja, ik weet dat het akelig vroeg is, maar we hebben een probleem.’

‘O ja?’ zei Rooth. ‘Een probleem?’

‘Van Veeteren is niet thuis aangekomen. Het lijkt … ja, het lijkt erop dat hem iets is overkomen.’

Rooth staarde weer naar zijn eigen gezicht. Het was geen fraaie aanblik, maar dat kon hem nu niets schelen.

‘De commissaris?’ zei hij. ‘Niet thuis aangekomen? Waar heb je het over?’

‘Bausen heeft een kwartier geleden gebeld’, ging Münster verder. ‘Hij had met Ulrike Fremdli gesproken … nee, er is duidelijk iets gebeurd. Hij is immers gisteren meteen na de lunch van hier vertrokken. Alle ziekenhuizen en dergelijke zijn gebeld. Hij is … ja, gewoon verdwenen.’

Rooth voelde hoe in zijn hersenen de synapsen tastend naar elkaar zochten. Er werd gewroet en gespit naar een verband. Van Veeteren verdwenen … en dit plotselinge inzicht in wat hij had gezien, maar waarvan hij de betekenis niet had begrepen …

Zou het …?

Waarom was anders …?

Het graven en wroeten stopte om een bericht te bestuderen.

‘Sodeju’, zei hij. ‘Laat me even nadenken … ik geloof dat ik iets heb bedacht.’

‘Bedacht?’

Münster klonk sceptisch.

‘Ja.’

‘Nou, zeg dan wat het is! Het lijkt wel of … ja, ik weet niet waar het op lijkt.’

‘Kom over twee minuten bij me, dan leg ik het uit’, zei Rooth. ‘Godsammekrake.’

Daarna hing hij op en hij controleerde nogmaals zijn gelaatskleur in de spiegel.

Na een haastig ochtendtoilet begon hij zich aan te kleden.

‘Ik voel me niet goed’, zei Münster. ‘Dit is idioot. Ik weet niet of ik wakker ben of droom.’

‘Je hebt in ieder geval je kleren aan’, zei Rooth. ‘We kunnen er maar beter van uitgaan dat we allebei wakker zijn.’

‘Oké. Wat had je bedacht?’

Alvorens te antwoorden knoopte Rooth omstandig zijn overhemd dicht en trok zijn schoenen aan. Münster keek hem ongeduldig aan. Hij overwoog een bizarre seconde lang hem te helpen, maar deed het niet.

‘Er klopt iets niet met mevrouw Nolan’, zei Rooth.

‘Hoezo niet?’

‘Ik zei toch dat er iets in mijn achterhoofd zat, en toen je belde drong het tot me door wat dat was.’

‘Toen ik belde?’

‘Precies op dat moment, ja. Ik sprong uit bed om op te nemen, en het werd zwart voor mijn ogen. Maar daarvoor zag ik mijn gezicht nog in de spiegel. Het was wit … bijna grauw.’

‘O?’ zei Münster. ‘En?’

‘En toen moest ik aan mevrouw Nolan denken. Toen ze het huis uit kwam rennen … nadat ze haar man dood in de badkuip had gevonden. Moerk en ik zaten immers …’

‘Dat weet ik’, zei Münster. ‘Wat was er mis dan?’

Rooth kuchte.

‘De kleur’, zei hij.

‘De kleur?’

‘De kleur, ja. Ze viel flauw en bleef op het gras liggen … ik keek nog gauw even naar haar voordat ik het huis in ging. Ze was rood in haar gezicht.’

‘Ja?’

‘Ja? Is dat alles wat je kunt zeggen? Ik moet zeggen dat je me teleurstelt. Hoe kun je een rode kleur hebben als je bent flauwgevallen? Als het bloed uit je hoofd wegstroomt, word je toch bleek, verdorie!’

Münster staarde hem drie seconden aan. Rooth staarde terug.

‘Dus je wilt zeggen dat …’

‘Dat ze toneelspeelde. Ze viel helemaal niet flauw. Er is iets verdachts aan de hand met Elizabeth Nolan, en als Van Veeteren verdwenen is, kan het heel goed zo zijn dat …’

‘Mijn god!’ viel Münster hem in de rede en hij haalde zijn mobieltje uit zijn zak. ‘Dat moet betekenen dat …’

Hij maakte zijn gedachtegang niet af. Hij zweeg en toetste het nummer van Bausen in. Na één signaal werd er al opgenomen, maar in de gauwigheid vroeg hij zich nog wel af waarom hij Bausen belde in plaats van De Klerk.

Misschien was het gewoon omdat dat nummer nog in het toestel zat na het gesprek van twintig minuten geleden?

Of het had een andere oorzaak.

Het kostte niet veel tijd om Bausen te informeren. Münster vertelde dat hijzelf en Rooth op het punt stonden om naar de Wackerstraat te gaan en hij vroeg Bausen om De Klerk en Moerk in te lichten.

Bausen klonk even verbluft als Münster zich voelde.

Dachten ze dus dat Van Veeteren naar Elizabeth Nolan toe was gegaan in plaats van af te reizen naar Maardam?

Münster antwoordde dat hij geen idee had wat er gebeurd zou kunnen zijn, en op dat moment, terwijl hij die woorden uitsprak, voelde hij een koude golf door zich heen gaan, zo hevig dat hij heel even dacht dat hij een hartaanval kreeg.

Toen begreep hij dat het iets psychisch was, hij was immers nog geen vijftig, hij beëindigde het gesprek met Bausen en hing op.

Rooth stond klaar om weg te gaan.

‘Vertel eens wat dit eigenlijk betekent’, zei Münster. ‘Als jij gelijk hebt, dus. Betekent het dat … dat Jaan G. Hennan geen zelfmoord heeft gepleegd, of wat wil je ermee zeggen?’

‘Ik wil helemaal niets zeggen’, zei Rooth. ‘Ik wil alleen weg om te kijken hoe het er bij de Nolans voor staat. Snap je? Ga je mee of duik je weer je bed in?’

‘Oké, oké’, zei Münster. ‘Waar wachten we nog op?’