48

Hij kwam weer bij bewustzijn.

Het was geen wakker worden, er kwam alleen een klein scheutje buitenwereld zijn hersenen binnen, dat was alles.

Of misschien was er geen sprake van een buitenwereld. Misschien waren het gewoon reflexen van zijn eigen lichaam; broze, ongeslepen signalen in de duisternis en de traagheid. Hij had hoofdpijn. Zijn tong plakte aan zijn verhemelte. Zijn armen en benen sliepen.

Hij lag op een soort harde bank in een houding die vreselijk ongemakkelijk was.

Op zijn linkerzij. Zijn handen stijf samengebonden achter zijn rug. Zijn voeten eveneens bijeengesnoerd. Zijn enkelknobbels schaafden tegen elkaar. Het grove weefsel rook stoffig. Opeens werd hij misselijk.

Duisternis. Hij deed zijn ogen heel even een millimeter open en zag dat het buiten hem even zwart was als binnen in hem.

Hij zakte weer weg.

Een tijd later werd hij echt wakker. De vermoeidheid drukte nog steeds als een loodzware last op hem, maar zij stond vanuit een lichte deuropening tegen hem te praten.

Ze gaf hem instructies.

Ze kwam naar hem toe lopen en zette iets op een tafel vlak bij zijn gezicht.

‘Koffie.’

Dat was het eerste woord dat hij verstond.

‘Ga rechtop zitten. Neem een beetje koffie.’

Hij deed zijn ogen een paar keer open en weer dicht. Het deed pijn. Hij snoof de geur van de koffie op in zijn neusgaten.

‘Ga rechtop zitten.’

Dat leek lachwekkend onmogelijk en van de pijn in zijn rug bij het uitvoeren van die manoeuvre werd hij helemaal wakker.

‘Ik kan niet …’

Zijn stem brak en hij begon opnieuw.

‘Ik kan niet drinken met mijn handen op mijn rug gebonden.’

‘Er zit een rietje in het kopje.’

Hij boog voorover en dronk.

Ik leef nog, dacht hij.

Waar dat goed voor is?

Hij trok zijn armen naar links en kon zo op zijn horloge kijken.

Kwart over vijf. In de ochtend, waarschijnlijk. Er moest veel tijd verstreken zijn. De kamer waarin hij de laatste zestien uur had doorgebracht was kennelijk een soort rommelkamer. Een opslagplaats voor oude meubels, maar ook een verbinding tussen het woonhuis en de garage.

Dat registreerde hij met een soort onwillekeurig automatisme. Het ging buiten hem om.

Toen hij zijn koffie ophad, dirigeerde ze hem naar de garage. Hij moest met twee benen tegelijk springen. Pijnlijke, stijve sprongetjes, en hij bleef met moeite overeind. Hij moest steun zoeken bij meubels en wanden. Het deed hem overal zeer. Ik hoop dat ze me in ieder geval met een zekere waardigheid laat sterven, dacht hij. Een donker gordijn dreigde aldoor voor zijn ogen te worden neergelaten. Zijn misselijkheid hield hem op de been.

Hij zag zijn eigen blauwe Opel. Ze had de auto’s waarschijnlijk van plaats verwisseld, bedacht hij. Ze had de Rover en de japanner achteruitgereden en zijn Opel in de garage gezet.

Ze had de sleutel waarschijnlijk uit zijn zak gehaald toen hij sliep.

Hij probeerde te controleren of dat echt zo was, maar hij kon er niet bij. Hij begreep dat ze niets aan het toeval wilde overlaten.

Ze pakte alles grondig aan. Dat was hem inmiddels wel duidelijk.

Een beetje aan de late kant, zou je kunnen denken.

Het denken bezorgde hem nog meer hoofdpijn. Hij haalde diep adem met open mond en keek naar zijn auto. Hij zag dat de kofferbak openstond.

‘Ga uw gang.’

Hij staarde haar aan. Staarde naar het pistool.

‘Daarin?’

Ze knikte.

‘En als ik weiger?’

‘Dan schiet ik u meteen dood.’

Hij dacht enkele seconden na.

Toen dook hij onder de achterklep en kroop in de kofferbak.

De bank was stukken comfortabeler geweest.

Alles is relatief, dacht hij.

Zou de dood ook relatief zijn? Misschien wel.

Even hield de gedachte aan een poging tot ontsnappen hem bezig. Toen besefte hij hoe zinloos dat was. Hij had het gevoel dat hij nu al begraven was, zoals hij hier in de krappe kofferbak gepropt lag. De geur van vuil. Van olie en antivries … hij herinnerde zich dat hij daar de afgelopen winter een halve liter van had gemorst, de geur hing er nog.

Het was pikdonker en hij kreeg bijna geen lucht, hij voelde een druk op zijn borst … hij kon zich ook bijna niet bewegen met zijn handen op zijn rug gebonden. Er was geen mogelijkheid om ze los te krijgen. En ook als die er wel was geweest, kon hij de kofferbak toch van binnenuit niet open krijgen.

Ze reed achteruit de straat op en stopte. De motor bleef draaien. Hij hoorde haar het portier aan de bestuurderskant opendoen en uitstappen. Hij overwoog even om te gaan schreeuwen, maar liet ook dat idee varen. Er waren geen mensen op straat op dit uur van de dag. Dat er toevallig iemand vlak langs de auto zou lopen die zijn gebarsten stem kon horen … nee. Hij had er ook geen zin in … om zijn leven te besluiten met hulpgeroep.

Hij hoorde een andere auto starten. Hij begreep dat ze de orde herstelde. De Rover in de garage, de japanner op de oprit. De vreemde Opel de buurt uit.

Nee, ze liet niets aan het toeval over.

Hij probeerde van houding te veranderen, zodat het iets beter te verdragen zou zijn, maar ook dat leverde niets op. Hij schramde zijn wang aan een ruw uitsteeksel, gaf het op en dacht aan Erich.

Dat was vreemd. Om de een of andere reden kreeg hij het idee dat zijn zoon hem nu zag.

Niet Ulrike, niet Jess.

Alleen Erich en niemand anders.

Het viel moeilijk vast te stellen hoelang de rit duurde. De duisternis, zowel in als buiten hem, stompte hem af. De pijn in zijn onderrug werd steeds heviger, hij betwijfelde of hij nog rechtop zou kunnen staan. Zijn schouders en bovenarmen leken wel verlamd en hij had barstende hoofdpijn.

Een kwartier? Meer zou het niet zijn. Een eindje buiten de bebouwde kom dus. Tien, vijftien kilometer. Het laatste stuk was ongelijk en hobbelig, een smallere weg door een bos of over een akker, waarschijnlijk.

Ze stopte. Hij hoorde het voorportier open- en dichtgaan. Vervolgens verstreek er een minuut en daarna maakte ze de kofferbak open.

Hij draaide zijn hoofd en knipperde met zijn ogen tegen het licht. Weer schramde hij zijn wang, bijna op dezelfde plek. Hij ging een paar keer met zijn blik heen en weer, van de loop van het pistool naar haar gezicht.

Praten, dacht hij. Hoe langer ik haar aan de praat kan houden, des te langer heb ik te leven.

‘Uitstappen.’

Ze zwaaide met het wapen. Het duurde even voor hij eruit was en op zijn benen stond. Het duurde nog iets langer voor hij zijn rug weer recht had. Hij keek om zich heen in het zwakke ochtendlicht. Aan alle kanten bos, net wat hij had gedacht, ze waren over een weg gekomen die niet veel meer was dan twee bandensporen met een hoge grasrand ertussenin.

Overwegend beuken, maar hier en daar ook wat jonge espen en sparren. Tamelijk heuvelachtig, hij raadde dat ze in oostelijke richting was gereden. Toen hij voorzichtig de lucht opsnoof, meende hij de zee te ruiken.

Maar dat was misschien verbeelding. Misschien wilde hij de zee gewoon ruiken op een moment als dit.

‘Hier komt u niet mee weg’, zei hij.

‘Laten we elkaar tutoyeren.’

‘Prima. Hier kom je niet mee weg.’

‘Onzin. Jij komt hier niet weg.’

Hij kon horen dat ze geloofde in wat ze zei. Hij kreeg het idee dat het nu een kwestie van seconden was, maar toen zag hij dat ze een schop vasthield en hij vermoedde dat ze andere plannen had.

‘Ga op je buik liggen.’

Omstandig liet hij zich eerst op zijn knieën en vervolgens voorovervallen.

‘Gezicht op de grond.’

Hij gehoorzaamde. Een schreeuwende pijn in zijn rug. Met twee snelle halen sneed ze met een mes de touwen om zijn handen en voeten door.

Nu, dacht hij. Nu had ik een kans gehad. Als ik dertig was geweest.

Maar het duurde even voor hij de touwen los had en zich ervan had bevrijd en toen hij weer overeind kwam, stond zij twee meter van hem af, de situatie volkomen meester.

‘Lopen.’

Ze gaf de richting aan door te knikken en met het pistool te gebaren. Hij probeerde voorzichtig zijn rug los te maken, terwijl hij de licht glooiende heuvel op liep.

De begroeiing werd wat dichter. Wat meer struiken. Hij begon te begrijpen wat ze in gedachten had.

Hij begon te begrijpen wie ze was.

‘Stop hier maar.’

Hij bleef in het kleine dal staan en keek om zich heen. Hij kon in geen enkele richting meer dan tien meter ver kijken. De ochtendschemering had de nacht nog steeds niet afgelost. Niet helemaal. Er klonk hier en daar een vogel, maar dat waren geïsoleerde geluidjes, speldenprikken in de stilte. Geen wind. Hij voelde de nachtelijke koelte nog en er hingen dunne mistflarden, die langzaam oplosten. Hij nam aan dat het nog geen zes uur was, maar nam niet de moeite om het te controleren. Hij voelde een golf van vermoeidheid over zich heen spoelen.

Ik ben nog steeds gedrogeerd, herinnerde hij zich. Hij schrok toen ze de schop voor zijn voeten neergooide.

‘Graven.’

Hij keek haar aan.

‘En als ik weiger?’

Dat heb ik al gezegd, dacht hij. Heb ik geen betere vragen?

‘Dan schiet ik je dood en dan graaf ik zelf.’

‘Je redt het niet.’

‘Ik red het niet als ik jou laat leven.’

Hij dacht na. Daar zat iets in. Natuurlijk moest ze hem doden.

‘Hoe is dat nou in Linden gegaan toen?’ vroeg hij. ‘Je bent me toch minstens een uitleg schuldig.’

Ze keek hem door samengeknepen oogleden aan en hief het wapen zodat het naar een plek midden tussen zijn ogen wees. Ze bleef een paar seconden roerloos staan, toen liet ze het een paar decimeter zakken.

‘Graven.’

Hij vatte dat op als een soort afspraak en pakte de schop. Hij keek om zich heen naar een geschikte plek.

Geschikt? dacht hij. Hoe wil ik liggen?

‘Waar is het oosten?’ vroeg hij.

‘Waarom vraag je dat?’

‘Ik wil met mijn hoofd naar het oosten liggen.’

Ze lachte.

‘Die kant.’

Hij knikte. Hij koos een plekje waar de grond hem zacht leek. Als ik toch mijn eigen graf moet graven, dacht hij, dan wil ik niet met een massa wortels en stenen in de weer. Dat zou … onwaardig zijn.

‘Linden’, begon hij weer en hij stak de schop in de grond.

Ze ging op een omgevallen boomstam zitten, twee meter van hem af, en stak een sigaret op. Net als de vorige keer met één hand en zonder hem ook maar een seconde uit het oog te verliezen of het wapen te laten zakken.

‘Wat wil je weten?’ vroeg ze.