47

‘Oerstom’, herhaalde ze en hij zag de minuscule spiertjes in haar mondhoeken weer trillen. Vlinderlichte prikkelingen als een windvlaag over het water.

Verder drong er weinig tot hem door. Alleen het besef dat ze volkomen gelijk had in haar oordeel, hij was echt ontzettend stom geweest. Hij kreeg steeds sterker het gevoel dat er iets met zijn ogen aan de hand was. Iets wat leek op kokerkijken. De omgeving, de meubels, de felgekleurde kunst aan de wand, het grote raam met uitzicht op de tuin en het stadspark, alles kromp langzaam ineen tot onbelangrijke flauwekul. Het enige wat hem relevant en werkelijk toescheen en wat hij wel scherp zag, was het feit dat hij in een bordeauxrode fauteuil zat tegenover een in het zwart geklede vrouw, die haar wapen strak op hem gericht hield.

Als hij zich niet vergiste, was het een Pinchmann 7,6. Het was goed mogelijk dat Maarten Verlangen daar ook kennis mee had gemaakt. Heel goed mogelijk.

‘Ik begrijp het’, zei hij.

Wat duidelijk gelogen was. Ze trok een wenkbrauw op en hij zag dat zij het ook betwijfelde.

‘Laat ik één ding volkomen duidelijk maken’, zei ze. ‘Ik kan met dit pistool omgaan, en ik zal niet aarzelen er gebruik van te maken. Als u wilt, kan ik meteen in uw been schieten om alle twijfels op dat punt weg te nemen.’

‘Dat is niet nodig’, verzekerde Van Veeteren haar. ‘Ik geloof u wel.’

Haar ene mondhoek trilde nog heviger, maar een glimlach leverde het niet op.

‘Mooi. Het grootste deel van uw leven ligt toch achter u en u lijkt me een verstandig mens. Of liever: dat idee hád ik.’

Hij reageerde niet. Ze leek even na te denken, terwijl ze moeiteloos met één hand een sigaret tevoorschijn haalde en opstak.

Ik moet haar aan de praat houden, dacht Van Veeteren. Dat moet. Met zwijgen schiet ik in dit geval niets op.

‘Die Verlangen, hè?’

‘Ja?’

‘Die privédetective. Hoe is dat eigenlijk in zijn werk gegaan?’

Ze bevochtigde haar lippen met het puntje van haar tong en aarzelde even.

‘Hij had ons gezien’, zei ze.

‘In Maardam?’

‘Ja. Puur toeval, maar vroeg of laat moest dat misschien toch gebeuren.’

‘Wanneer was dat?’

‘In maart. Halverwege de maand ergens. We waren daar om naar een aantal schilderijen te kijken die iemand had nagelaten.’

‘Maar u had hem toch niet herkend. Dat was toch …’

‘Natuurlijk niet’, viel ze hem op licht geïrriteerde toon in de rede. ‘Dat vertelde hij later. Zeg, hebt u niet toevallig een mobieltje in uw jaszak?’

Van Veeteren haalde het tevoorschijn en legde het op tafel.

‘Hij doet het toch niet.’

Ze pakte het toestelletje op en bestudeerde het enkele seconden. Ze vond het juiste knopje en schakelde het uit.

‘Voor alle zekerheid’, zei ze. ‘Ja, Verlangen was van hetzelfde laken een pak als u, kennelijk. Iemand die zo nodig oude koeien uit de sloot moest halen.’

‘Ja, die neiging zie je bij meer mensen’, gaf Van Veeteren toe. ‘Hebt u er bezwaar tegen als ik er ook eentje opsteek?’

‘Helemaal niet. Hier, neemt u er een van mij, dan hoeft u dat onhandige geval niet te gebruiken.’

Dat deed hij. Toen hij de sigaret aanstak, merkte hij dat zijn hand niet helemaal vast was. Dat kon ook haast niet anders, bedacht hij.

‘Verlangen is u dus hierheen gevolgd?’

Ze knikte.

‘Ja. Die sukkel. Hij zal wel een aanval van zijn oude detectivekoorts hebben gekregen, het was natuurlijk geen kunst om ons te vinden toen hij eenmaal een spoor had. Zelfs voor hem niet. Op een avond in april stond hij ineens voor de deur, hij beweerde dat hij marktonderzoek deed … binnen een paar minuten hadden we al door wie hij was.’

‘Hebt u hem doodgeschoten?’

Ze nam een trekje van haar sigaret en wachtte even alvorens ze antwoord gaf.

‘Dat heeft mijn man gedaan. Jammer dat hij het lichaam niet beter heeft verstopt.’

Van Veeteren schrok van die laatste zin. De manier waarop ze die had uitgesproken liet er geen twijfel over bestaan hoe de machtsverhouding in hun huwelijk was geweest.

Geen enkele twijfel.

Het maakte helaas ook duidelijk wat voor soort tegenstander ze was. Hij begreep dat zij zo’n vergissing met het lichaam niet zou begaan.

Ik heb het allemaal verkeerd ingeschat, bedacht hij. Vijftien jaar lang. En dit is mijn straf.

Ze drukte de sigaret uit en stond op.

‘Wilt u zo vriendelijk zijn om op te staan?’ vroeg ze.

Hij kwam uit zijn stoel.

‘Trek al uw kleren uit, op uw onderbroek na.’

‘Ik draag al vijf jaar geen wapen meer.’

‘Doe wat ik zeg.’

Terwijl hij haar verzoek inwilligde, stond ze van twee meter afstand naar hem te kijken. Zonder een spier te vertrekken. Hij hing het ene kledingstuk na het andere over de stoel, maar zelfs toen hij uiteindelijk zielig in zijn onderbroek stond, lachte ze niet.

‘Mooi’, zei ze. ‘U mag zich weer aankleden.’

Hij voerde de omgekeerde procedure met een zekere omstandigheid uit en ging weer in de stoel zitten. Zonder hem uit het oog te verliezen en met de loop van het pistool voortdurend op hem gericht, haalde ze een potje uit haar handtas, die op de bank lag. Ze pakte een karaf en een glas van een laag bijzettafeltje, schonk een paar centimeter whisky in (hij nam tenminste aan dat het dat was), en gooide daar vier of vijf tabletten uit het potje in. Ze losten meteen op in de bruine vloeistof. Ze roerde erin met een vulpotlood dat ze eveneens uit haar tas haalde. Het leek alsof ze er met haar gedachten niet bij was. Alsof ze een routinehandeling uitvoerde, iets wat ze al duizendmaal eerder had gedaan.

Mijn galgemaal, dacht hij.

‘Drink maar op’, zei ze en ze schoof het glas naar zijn kant van de tafel.

Hij staarde in de loop van het pistool. Hij moest denken aan de uitgangswond die hij eens had gezien in de nek van een man die met een Pinchmann was doodgeschoten. Een vrij grote wond, als hij zich goed herinnerde.

Als ik dertig was geweest, zou ik nu waarschijnlijk een uitval hebben gedaan, dacht hij.

En dan was ik nooit ouder geworden.

Hij haalde diep adem, sloot zijn ogen en dronk het glas leeg. Hij registreerde dat hij het bij het rechte eind had gehad wat de soort drank betrof.

Een vrij goede whisky. Naar alle waarschijnlijkheid hadden de tabletten geen smaak.

‘Lekker’, zei hij. ‘Alleen de rooksmaak is een tikje overheersend.’

Ze haalde haar schouders op. Ze bleven een paar minuten op hun plaats zitten zonder iets te zeggen, en het laatste wat hij waarnam was dat de buurman zijn grasmaaier weer aanzette.

‘Ik heb het gevoel dat we iets over het hoofd zien’, zei Rooth.

‘Je hebt drie biertjes op en een groot glas cognac’, zei Münster terwijl hij de ober wenkte dat ze wilden betalen. ‘Dan krijg je dat.’

‘Onzin’, zei Rooth. ‘Het zit al sinds gisteren in mijn achterhoofd, ik ben iets vergeten … ik heb dat gevoel wel vaker en het klopt altijd.’

‘Zou je je misschien iets duidelijker kunnen uitdrukken?’ vroeg Münster.

‘Duidelijker? Ik zeg toch juist dat ik het niet weet. Soms is er zo’n bal die meteen doorrolt naar het onderbewuste. Heb jij dat nooit?’

‘Continu’, zei Münster. ‘En gewoonlijk blijft die daar dan liggen.’

‘Precies’, zei Rooth. ‘Dat is het gevaar. Maar in dit geval wil ik dat dus niet. Ik weet nog dat ik dacht: dat is raar, of zoiets … maar vervolgens had ik geen tijd om er verder bij stil te staan.’

‘Geen tijd?’ zei Münster. ‘Ik dacht dat tijd het enige was wat we in dit onderzoek nou juist wel hadden?!’

Rooth knikte en probeerde zijn cognacglas uit te likken.

‘Ik weet het’, zei hij en hij staakte zijn schoonmaakwerk. ‘Hoe dan ook, het zou mooi zijn als ik er weer op kon komen. Er zijn immers nog steeds een paar onbeantwoorde vragen.’

Münster zweeg. Hij keek verstrooid om zich heen in de sober ingerichte eetzaal van het hotel en besefte dat ze de laatste gasten waren. Het was bijna half twaalf, hij vond het tijd worden om de lift naar de vierde verdieping te nemen en naar bed te gaan.

De laatste nacht in een hotelbed. Fijn. De afgelopen dagen had hij Synn en de kinderen erg gemist, een hele week zonder hen was gewoon te veel.

Veel te veel. Af en toe een paar uur was genoeg.

Maar er zat wel iets in de opmerking van Rooth, dat kon hij niet ontkennen. Ze hadden iets over het hoofd gezien. Er was hun iets ontgaan, misschien kon je het zo beter zeggen. G. had vijftien jaar lang in een soort verborgen agenda gestaan, niet zozeer in Münsters agenda als wel in die van de commissaris, natuurlijk, en nu ze pas weer een spoor van hem hadden opgepikt en vervolgens met zijn zelfmoord waren geconfronteerd gaf dat een gevoel van … ja, waarvan?

Alsof hun iets was afgesnoept? dacht Münster. Ja precies, alsof iets aan hun neus voorbijging.

Namelijk de voldoening om hem op te pakken en hem ter verantwoording te roepen. Om ervoor te zorgen dat Jaan G. Hennan zijn rechtmatige straf kreeg.

Zon reactie was toch begrijpelijk en billijk? Dat het hun niet lekker zat.

Tevens was het een feit dat ze het oude moordraadsel niet hadden opgelost. Hoe Barbara Hennan nu eigenlijk op de bodem van dat zwembad in Linden was terechtgekomen, dat was een geheim dat G. had meegenomen in zijn graf. Dat hij die arme Maarten Verlangen had doodgeschoten, daar mocht je wel van uitgaan, maar hoe je het ook wendde of keerde, de Lindense moord was nog steeds niet opgelost. Dat zou vermoedelijk ook niet meer gebeuren. Nooit.

Op zich was het nauwelijks een raadsel, redeneerde Münster bij zichzelf verder, terwijl Rooth er introvert bij zat, met zijn ogen halfgesloten. Hennan had een huurmoordenaar ingeschakeld, die ze niet hadden gevonden. Nu zijn opdrachtgever dood was, kon deze gangster er natuurlijk zeker van zijn dat hij nooit ontmaskerd zou worden.

Maar dat hoorde erbij in dit vak, concludeerde Münster. Sommige misdadigers werden nooit gepakt en sommige vragen nooit beantwoord. Het was irritant, maar je moest ermee leren leven.

‘Misschien is het alleen die klootzak van een G. die me zo dwarszit’, knoopte Rooth bij zijn gedachten aan. ‘Weet je wat mij een goed idee zou lijken voor hem?’

‘Nou?’

‘Hetzelfde als bij Jezus.’

‘Jezus?’

‘Ja. Een wederopstanding. Voor een paar dagen. Dan zou ik hem verschrikkelijk zwaar verhoren en hem daarna weer doodslaan. Alleen om hem te kwellen, dus. Dat heeft hij verdiend.’

Een interessante interpretatie van de Bijbel, dacht Münster. Maar hij moest er wel om lachen.

‘Wat een goed idee’, zei hij. ‘In ieder geval erken je je lage motieven, dat is mooi.’

‘Ik ben niet zo’n hoogstaand type’, zei Rooth met een zucht. ‘In wezen. Ik weet dat ik met mijn ridderlijke optreden mensen een rad voor ogen kan draaien, maar als ik eerlijk ben, dan …’

De ober kwam de rekening brengen en Rooth onderbrak zijn biecht. Ze betaalden en verlieten het restaurant. In de lift op weg naar hun verdieping begon Rooth weer over zijn onderbewuste.

‘Datgene wat me niet te binnen wil schieten’, zei hij. ‘Dat moet te maken hebben met toen we hem vonden … toen we Nolans huis binnenstormden dus.’

‘Waarom?’ vroeg Münster. ‘Waarom moet het toen geweest zijn?’

‘Dat heb je zelf gezegd. Dat was de enige keer deze week dat we het een beetje druk hadden.’

Münster dacht na, maar had geen commentaar.

Hij geeuwde, deed zijn kamerdeur open en wenste Rooth mooie dromen.