45

Brigadier Moerk was van plan geweest de zondag met man en kinderen door te brengen, maar al om acht uur belde de politiechef om te vragen of ze mee wilde naar het ziekenhuis voor een gesprek met Elizabeth Nolan.

Beate Moerk begreep dat er plotseling weer behoefte was aan vrouwelijk medeleven, en even overwoog ze tegen hem te zeggen dat hij de boom in kon. Dat wist ze echter in te slikken en na wat heen en weer gepraat ging ze akkoord met twee uur in ruil voor de belofte dat ze de komende week een hele dag vrij zou krijgen.

Tijdens de onderhandelingen stond Franek bij het fornuis de ochtendpap op temperatuur te brengen. Hij keek wat zorgelijk. Niet om zichzelf, dat wist ze, maar om haar. Toen ze had opgehangen vroeg ze zich stiekem af of er meer mannen waren zoals hij, of dat zij het inderdaad uitzonderlijk had getroffen, zoals haar moeder beweerde toen ze met hem thuiskwam.

Maar misschien had hij gelijk als hij zei: ‘Doe geen moeite het goede te analyseren. Hou het gewoon vast, dat is het belangrijkste.’

‘Ik ben voor twaalven terug’, beloofde ze. ‘Dan gaan we er nog even opuit.’

‘Zeg maar tegen haar dat ik bereid ben in december twaalf doeken tentoon te stellen, mits ze goed betaalt’, zei hij. ‘Maar misschien is het daarvoor niet het moment?’

‘Waarschijnlijk niet’, zei Beate Moerk en ze gaf hem snel een zoen.

Ze knuffelde haar kinderen en ging weer op pad in dienst van de mensheid.

‘Wat moet dit voorstellen?’ vroeg Bausen met gefronst voorhoofd.

‘Een kleine dankbetuiging’, verklaarde Van Veeteren. ‘Een uitnodiging om Kerst te komen vieren in Maardam, samen met Mathilde. Je zei immers dat jullie toch maar samen bourgogne zitten te drinken … En dan heb je die fles cognac om in de herfst van te genieten. Bache-Gabrielsen, een Noorse variant, elke druppel het zuiverste goud, ik weet niet of je die kent?’

Bausen stopte het kaartje weer in de envelop en inspecteerde de fles.

‘Ik heb er nog nooit van gehoord’, gaf hij toe. ‘Dat had je niet …’

‘Onzin. Nu wil ik nog graag een broodje, dan laat ik jou en deze nare zaak weer achter me.’

Bausen permitteerde zich een zuur glimlachje.

‘Nou, dank je wel’, zei hij. ‘Maar eens zien of ik er met Kerst nog ben, maar ik beloof dat ik voor het zover is deze fles Gabrielsen leeg zal drinken … En ik heb er nog een paar af te werken.’

‘Ja, dat begrijp ik’, zei Van Veeteren. ‘Hoeveel flessen heb je nog staan?’

‘Ergens tussen de elf- en twaalfhonderd’, zei Bausen met een zucht. ‘Door mijn verblijf in het rijkshotel is mijn gemiddelde tempo iets lager komen te liggen, zeg maar. Maar als ik tijd van leven heb, zal het wel lukken.’

Van Veeteren keek op zijn horloge. Het was vijf over twaalf.

‘Mag ik Ulrike even bellen? Mijn mobiel heeft kennelijk een of ander virus.’

‘Als je het maar kort houdt’, zei Bausen.

Ulrike was er niet, maar hij sprak een boodschap in op het antwoordapparaat dat hij om vijf uur thuis zou zijn en hoopte dat ze het niet erg zou vinden hem weer te zien.

Toen hij had opgehangen aarzelde hij een paar seconden, toen toetste hij het nummer van het politiebureau in.

Toen hij geen gehoor kreeg, probeerde hij Münsters mobiele nummer.

‘Ja?’ zei Münster.

‘Van Veeteren. Ik ga nu weg. Heb je nog iets over Elizabeth Nolan gehoord?’

‘Heel weinig’, zei Münster. ‘Ze was vanochtend kennelijk weer enigszins bij haar positieven. De Klerk en Moerk hebben haar even gesproken, maar toen besloten om met het echte gesprek te wachten tot morgen.’

‘Wat heeft ze dan gezegd?’

‘Zij stelde kennelijk vooral de vragen … dat is misschien ook niet zo vreemd. Ik geloof dat ze nogal ontwijkend hebben geantwoord, maar ze hebben wel door laten schemeren dat het verleden van haar man anders was geweest dan zij dacht. Ook al zijn ze dus niet in detail getreden.’

‘Ligt ze nog in het ziekenhuis?’

‘Nee, ik geloof dat ze vanochtend naar huis is gegaan. Je komt dus niet naar de vergadering?’

‘Nee’, zei Van Veeteren. ‘Ik heb er genoeg van. Maar bel me als jullie de boel hebben afgerond.’

‘Dat zal ik doen’, zei Münster. ‘Het is toch balen dat we … ja, dat we er niet echt achter zijn gekomen. Ik bedoel, de moord op Barbara Hennan en die op Verlangen zullen we nu wel in de ijskast moeten leggen. Maar het is verre van duidelijk hoe …’

‘Ik weet het’, viel Van Veeteren hem in de rede. ‘Je hebt gelijk, het is balen. Maar bel me.’

Münster zei nog eens dat hij dat zou doen en hing op.

Ja, ja, dacht Van Veeteren. Dat was dan dat.

Toen ging hij naar de keuken om een afscheidsboterham te eten met Bausen.

Bij de oprit naar de snelweg stopte hij om te tanken en terwijl hij naar de elektronisch doorklikkende getallen keek, besloot hij tot een koersverlegging.

Hoe had Münster het gezegd. ‘Enigszins bij haar positieven’? Dat zou toch logischerwijs moeten betekenen dat ze sterk genoeg was voor een gesprekje?

Zo niet, dan moest hij haar natuurlijk met rust laten, bedacht hij. Maar er waren nog een paar vragen waarop hij graag een antwoord wilde hebben.

Een paar dingen die hem door het hoofd waren geschoten na zijn telefoongesprek met Münster. Het zou hem een vertraging van hooguit een half uur, drie kwartier opleveren, en hij had immers geen haast.

Sterker nog: hij had alle tijd van de wereld.

Hij rekende af bij de kassa, stapte in en reed weer terug naar het stadje.

Het aantal deelnemers aan de zondagmiddagbespreking van de zaak-Hennan-Verlangen op het politiebureau van Kaalbringen was tot vier teruggebracht. De beide ex-commissarissen hadden zich teruggetrokken en de politiechef had brigadier Moerk, vanwege haar inzet in het ziekenhuis die ochtend, vrijaf gegeven.

De Klerk was er zelf wel. Evenals aspirant Stiller, die naar de kapper was geweest (hoe had hij daar tijd voor gehad? vroeg Rooth zich af en hij trok de voorlopige conclusie dat hij waarschijnlijk verloofd was met een knappe jonge kapster), en de twee Maardamse rechercheurs die de zogenaamde versterking vormden.

Voordat De Klerk iets had kunnen zeggen, nam Rooth het woord.

‘Dit is de laatste zitting, dan weten jullie dat vast. Morgen keren Münster en ik terug naar de beschaving.’

Aan het gezicht’ van de politiechef was te zien dat hij het moeilijk vond een verband te ontdekken tussen Rooth en beschaving, maar hij onthield zich van commentaar.

‘Laten we eens kijken of we deze zaak nu kunnen samenvatten’, stelde hij voor. ‘Voorzover mogelijk, dan. Er blijft natuurlijk een aantal onduidelijkheden en er moet nog wat werk worden verzet, maar hopelijk kunnen we dat volgende week zelf afmaken. Ik denk dat we maar met de informatie uit Engeland moeten beginnen. Stiller?’

Aspirant Stiller keek op van zijn papieren.

‘Dit is een half uur geleden binnengekomen’, verklaarde hij. ‘Het heeft wat langer geduurd dan ze hadden beloofd, dus, en het is maar zeer summier … ze hebben hun systemen nauwelijks gekoppeld daarginds. Misschien kunnen we later nog wat uitgebreidere informatie opvragen … als we dat op enig moment noodzakelijk achten.’

‘Dat doen we sowieso, dat is routine’, zei De Klerk. ‘Maar wat is het voor informatie die we nu hebben gekregen?’

‘Hm’, zei Stiller. ‘Het is toch wel verrassend, vind ik. Er heeft echt een echtpaar Nolan in Bristol gewoond dat heel goed overeenkomt met wat mevrouw Nolan heeft verteld. Christopher en Elizabeth zijn in juni 1989 getrouwd. Geen kinderen. Hij heeft in het Museum of Modern Art gewerkt, zij op een soort college, de School of Advanced Creative Processing, ik weet niet wat dat betekent. In ieder geval, ze zijn in 1992 uit Bristol weggegaan, net zoals zij beweerde … ja, dat is het wel zo’n beetje, ik weet niet goed hoe we dit moeten beoordelen.’

Münster nam het woord.

‘Natuurlijk heeft Hennan dit niet uit de lucht gegrepen’, zei hij. ‘En eigenlijk is juist de tijd vóór 1989 interessant voor ons … natuurlijk bestaat er een echte Christopher Nolan. Als je een nieuwe identiteit wilt aannemen, is het altijd het veiligst om er een te nemen die al bestaat. Dat is een oude truc. De echte Nolan kan wel dood zijn, of naar Australië zijn geëmigreerd of wat dan ook …’

‘Ja’, zei Stiller. ‘Dat begrijp ik. Misschien hebben we hier niet zo veel aan, maar we moeten toch bewijzen … maar dat hebben we misschien al bewezen … op de een of andere manier zullen we toch moeten vaststellen dat de man in de badkuip feitelijk geen Nolan heette.’

Hij keek om zich heen om te zien wat de anderen ervan vonden en uiteindelijk knikte De Klerk vaag.

‘We moeten dat natuurlijk voor alle zekerheid controleren’, zei hij. ‘Maar een vingerafdruk is een vingerafdruk. Nou ja, daar gaan we volgende week mee verder. Nog opmerkingen?’

Rooth en Münster schudden hun hoofd. De Klerk haalde een nieuw blaadje tevoorschijn.

‘De patholoog heeft een eerste rapport gestuurd’, verklaarde hij. ‘Daar staat ook niets sensationeels in, zou ik willen beweren, het is alleen een bevestiging van wat we gisteren al wisten of meenden te weten. Nolan is tussen kwart over vier en half vijf overleden door hevig bloedverlies. Snijwonden in beide polsen en in zijn hals. Verdoofd door middel van vijf stuks Softaltabletten van elk twintig milligram, die hij twee jaar geleden op recept had gekregen. Tegen slapeloosheid, dus … maaginhoud: bier, een beetje whisky, broccoliquiche en nog wat andere dingetjes, nee, ik geloof niet dat we hier veel wijzer van worden.’

‘Dat denk ik ook niet’, zei Rooth. ‘En ik neem aan dat we hem zonder meer schuldig verklaren aan de moord op Verlangen? Zonder technisch bewijs, bedoel ik. Of willen jullie nog naar het wapen gaan zoeken?’

‘Dat zien we nog wel’, zei De Klerk. ‘De officier wil er ook over meepraten, maar ik voorzie geen problemen.’

‘Ik vind het gek dat hij niets heeft geschreven’, zei aspirant Stiller. ‘Ook niet aan zijn vrouw.’

Münster knikte.

‘Ja’, zei hij. ‘Dat is wat eigenaardig, maar wat had hij moeten schrijven?’

‘Alles, behalve de waarheid’, opperde Rooth. ‘Nee, deze zaak is volgens mij rond. Maar hoe is het in het ziekenhuis gegaan? Is haar verteld dat ze met een drievoudige moordenaar getrouwd was?’

De Klerk aarzelde even voor hij antwoord gaf.

‘Nee’, zei hij. ‘Brigadier Moerk en ik hebben besloten om op dat punt voorlopig vaag te blijven. Maar ze weet dat er sprake is geweest van onoorbare praktijken.’

‘Onoorbare praktijken!’ barstte Rooth uit. ‘Wat is dat nou weer voor een omschrijving? En wat denkt ze dan? Haar man heeft zonder de minste verklaring zelfmoord gepleegd. Dat doe je toch niet vanwege onoorbare praktijken?’

‘Misschien niet’, gaf De Klerk toe. ‘Al heeft ze het denk ik nog niet allemaal op zich in laten werken. We zullen morgen besluiten hoe we daar verder mee omgaan … ik neem aan dat we haar toch wel volledige duidelijkheid moeten verschaffen. Vroeg of laat. Arme vrouw.’

‘Ergens klopt er hier iets niet’, mompelde Rooth. ‘Maar laat ook maar, de hoofdzaak is dat Jaan G. Hennan uit de wereld is, ook al is het verdraaid irritant dat hij door een achterdeurtje is ontsnapt.’

‘Mee eens’, zei De Klerk. ‘Maar daar is niets meer aan te doen.’

Inspecteur Münster had een poosje afwezig zitten kijken, terwijl hij een potlood tussen zijn vingers ronddraaide.

‘Ik begrijp niet dat hij zo in paniek is geraakt. En hoe wist hij het van ons? Zijn vrouw heeft hoogstwaarschijnlijk niets verteld, en Rooth en Moerk konden wel om een heel andere reden in de auto voor de villa zitten … ik ben het met Rooth eens dat het niet klopt.’

‘Misschien had hij Van Veeteren herkend’, opperde Rooth. ‘Dat is een mogelijkheid.’

‘Dat zou best eens kunnen’, zei Münster.

‘En misschien had de commissaris dat ook door’, ging Rooth verder. ‘Mijn god, ze moeten elkaar vijftien jaar geleden uren hebben zitten aanstaren … en Van Veeteren had toch aan één blik genoeg om het zeker te weten? Dan zou je toch denken dat dat van de andere kant hetzelfde moet zijn geweest. Maar ik neem aan dat dat allemaal niet meer van belang is. Is er verder nog iets?’

Politiechef De Klerk bladerde even door zijn papieren en stelde vast dat dat eigenlijk niet het geval was.

Rooth en Münster waren zondagavond om twintig over zeven terug bij hotel See Warf, waar ze tijdens hun hele verblijf in Kaalbringen hadden gelogeerd. Ze stonden nog te dubben of ze naar hun kamer zouden gaan of dat ze een biertje zouden nemen aan de bar toen Münsters mobiele telefoon ging.

Rooth ging naar het toilet en toen hij terugkwam, was Münster al uitgepraat.

‘Wie was dat?’ vroeg Rooth.

Münster stond nog met het toestel in zijn hand en keek lichtelijk verward.

‘Ulrike’, zei hij. ‘Dat was Ulrike Fremdli, de vrouw met wie Van Veeteren samenwoont. Ze vroeg of ik wist waarom hij nog niet thuis was.’

‘O?’ zei Rooth. ‘Waarom …’

‘Hij had gezegd dat hij om een uur of vijf weer in Maardam zou zijn … het is nu bijna half acht en hij neemt kennelijk zijn mobiel niet op.’

‘Het is me wat’, zei Rooth. ‘Heb jij Ulrike Fremdli weleens ontmoet? Ik ken haar alleen maar uit de verhalen.’

‘Ja, ik heb haar weleens ontmoet.’

‘Is het een aardige vrouw?’

‘Heel aardig’, zei Münster. ‘Ik vraag me af … nou ja, er is vast een logische verklaring voor.’

‘Vast en zeker’, zei Rooth. ‘Zullen we dan maar een pilsje pakken?’