44

In de drie uren die volgden op het bericht van Jaan G. Hennans overlijden, sprak Van Veeteren hooguit twintig woorden, en op het meest kritieke moment wilde Bausen bijna een arts gaan waarschuwen.

In plaats daarvan haalde hij een fles Château Peripolignac ’79 uit de kelder, maar zelfs dat eminente medicijn scheen niet erg te helpen bij het wekken van de levensgeesten.

Pas toen ze even na tien uur ’s avonds bij elkaar kwamen in de bleekgele vergaderkamer op het bureau, leek de commissaris enigszins bereid het contact met de werkelijkheid weer aan te gaan. Hij ging aan de korte kant van de tafel zitten, stak een sigaret op en keek de politiechef diep in de ogen.

‘Een verslag graag!’ commandeerde hij. ‘Met details en al.’

De Klerk keek hem en Bausen met een ietwat onvaste blik aan, hing zijn jasje op en controleerde of de koffie en de broodjes eerlijk verdeeld waren. Toen kuchte hij en hij stak van wal.

‘Dit hadden we niet kunnen voorzien’, begon hij. ‘Maar het is niet anders. Christopher Nolan, alias Jaan G. Hennan, heeft vanmiddag zelfmoord gepleegd door in bad te gaan liggen en zijn polsen door te snijden. Beide polsen. Ook nog een paar sneden in zijn nek voor alle zekerheid …’

‘Er zat meer bloed in de badkuip dan in zijn lichaam’, vertelde Rooth en hij beet in een broodje. ‘De Rode Zee in een notendop.’

‘De patholoog-anatoom belde zojuist uit Oostwerdingen’, ging De Klerk onverstoorbaar verder. ‘Hij bevestigt dat Hennan een aantal slaaptabletten had ingenomen … er stond immers een potje op de rand van de badkuip.’

‘Waar heeft hij mee gesneden?’ vroeg Bausen.

‘Met een scheermes. Dat lag ook op de rand van het bad.’

‘Keurig netjes, klinkt het.’

‘Bijzonder.’

‘Hebben jullie zijn vrouw gesproken?’

De Klerk schudde zijn hoofd.

‘Nog niet’, zei hij. ‘Het gaat niet zo goed met haar.’

‘O nee?’ zei Bausen.

‘Ze is in shock’, vulde Beate Moerk aan. ‘We hebben geprobeerd met haar te praten, wij waren daar immers, Rooth en ik, maar er viel geen zinnig woord uit haar te krijgen.’

‘Tijdstippen?’ vroeg Van Veeteren.

Rooth veegde zijn mond af en raadpleegde een blaadje.

‘Ze verliet het huis om 16.13 uur’, zei hij. ‘Ging boodschappen doen, onder andere bij Merckx, en was om 17.50 uur terug. Ze ging naar binnen en vond hem.’

‘Een kleine twee uur dus’, zei De Klerk. ‘Hij had tijd genoeg … volgens de patholoog was hij binnen een kwartier dood.’

‘Waarom heeft hij een slaapmiddel ingenomen?’ vroeg Stiller.

‘Om het proces te vergemakkelijken, mag je aannemen’, zei De Klerk. ‘Of om er niet bewust bij te hoeven zijn. Softal, zo heet dat middel, het is zo’n nieuw preparaat waar je niet aan dood kunt gaan, hoeveel je er ook van inneemt … maar als hij er vijf nam, moet hij ver weg zijn geweest toen hij de grens overging. Sneden in de lengte, helemaal volgens het boekje. Warm water zorgt er ook voor dat het bloed gemakkelijker stroomt …’

‘Seneca’, mompelde Van Veeteren. ‘Een oude, beproefde methode. En op het gebied van mededelingen? Wat heeft hij achtergelaten?’

‘Niets’, zei Rooth.

‘Niets?’

‘Geen woord.’

Rooth toonde zijn handpalmen en trok een gezicht alsof het hem speet.

‘Nee’, zei De Klerk, die het weer overnam. ‘Nee, dit kwam echt als een donderslag bij heldere hemel. Mevrouw Nolan ligt dus voor haar rust in het ziekenhuis, maar we moeten natuurlijk morgenvroeg met haar praten.’

‘Hebben jullie helemaal niets uit haar weten te krijgen?’ vroeg Bausen op licht verwijtende toon.

‘Heel weinig’, gaf Beate Moerk toe. ‘Ik ben met haar in de auto meegegaan naar het ziekenhuis en ze was echt helemaal van de wereld. En hij heeft geen woord achtergelaten, wat Rooth al zei. Mevrouw Nolan heeft ook niets ongewoons opgemerkt toen ze tussen drie en vier uur thuis was. In ieder geval schudde ze haar hoofd toen ik haar daarnaar vroeg. Ze scheen eerst ook geen verband te zien tussen zijn zelfmoord en het gesprek dat wij in de galerie met haar hadden gevoerd. Later pas, vlak voordat ik wegging. Toen keek ze me aan en ze vroeg …’

‘Wat?’ vroeg Rooth. ‘Wat vroeg ze?’

‘Ze zei: “Dus hij was het?” Dat verstond ik in ieder geval … maar haar stem was heel zacht.’

‘Dus hij was het?’ herhaalde Münster. ‘Ja, ik neem aan dat je “ja” had kunnen antwoorden … dat hij het inderdaad was.’

Beate Moerk knikte.

‘Ik heb niets geantwoord’, zei ze. ‘Maar ik denk dat we haar hoe dan ook een en ander moeten uitleggen morgen.’

‘Een en ander, ja’, zei Van Veeteren. ‘Gadverdamme!’

‘Wat je zegt’, zei Bausen.

Van Veeteren maakte zijn sigaret uit, maar legde niet verder uit wat hij bedoelde. Als hij al iets had bedoeld.

‘We kunnen hier toch wel enkele conclusies aan verbinden’, vatte de politiechef samen. ‘Ja, toch? Nolan … Hennan moet hebben doorgehad dat we hem op de hielen zaten. Of zijn vrouw heeft iets gezegd, ook al hebben we daar nog geen aanwijzingen voor, of … ja, ik weet het niet.’

‘Een hint kan genoeg geweest zijn’, merkte Beate Moerk op. ‘Iets wat ze zich per ongeluk liet ontvallen.’

‘Dat zou kunnen’, zei De Klerk. ‘En misschien heeft hij jou en Rooth in de auto zien zitten. Hoe dan ook, hij besefte dat het spel uit was en besloot het op te geven.’

Hij keek om zich heen om te zien of die hypothese in goede aarde viel, maar alleen aspirant Stiller nam de moeite vaag te knikken.

‘Het klopt natuurlijk wat je zegt’, constateerde Münster toen de stilte beklemmend begon te worden. ‘Het is alleen zo totaal niets voor G. om het op te geven in een dergelijke situatie, waarin we nog geen greintje bewijs hebben en hem nog geen enkele vraag hebben gesteld. Je vraagt je dan toch af …’

Bausen viel hem in de rede.

‘Misschien stonden er nog andere dingen op het spel’, opperde hij. ‘Stel je voor dat hij een eerlijk leven heeft geleid sinds die vorige geschiedenis, en dan wordt zijn nieuwe identiteit doorgeprikt, zijn hele nieuwe bestaan … ja, misschien werd hem dat gewoon te veel. Zou dat niet kunnen? Vijftien jaar is niet niks.’

‘Het lijkt me geen pretje om je vrouw te moeten bekennen dat je iemand anders bent’, zei Rooth. ‘Dat je hebt gezeten en dat je verdacht wordt van drie moorden.’

‘Dat bedoel ik’, zei Bausen. ‘Je kunt je leukere situaties voorstellen. Het was ons misschien nooit gelukt hem veroordeeld te krijgen, maar zijn huwelijk kapotmaken, daar waren we wel in geslaagd.’

‘Hij was bang dat we hem hard zouden aanpakken, met andere woorden’, zei Rooth peinzend. ‘Dat kunnen we wel vaststellen. Zielepiet.’

De politiechef bladerde in zijn aantekeningen.

‘Wat betreft de vraag hoe hij … ons heeft betrapt,’ zei hij voorzichtig, ‘daar kun je verschillende theorieën op loslaten. Hij heeft immers ondanks alles twee keer oog in oog gestaan met Van Veeteren. Had je niet het idee dat hij doorhad wie je was?’

Van Veeteren vouwde zijn handen achter zijn nek, deed zijn ogen dicht en bleef een paar seconden zo zitten voordat hij antwoordde.

‘Dat zou ik niet kunnen zeggen’, zei hij. ‘Maar ik weet wel dat ik in al mijn jaren in dit vak niemand heb meegemaakt die er op zo’n rotmanier tussenuit is geknepen. Nog nooit.’

‘Wat kun je verdorie anders verwachten van zo’n eikel als G.?’ vroeg Rooth. ‘Misschien typeert het de man wel.’

Hierna leek niemand meer iets te zeggen te hebben, en aangezien het al bijna elf uur was, stelde politiechef De Klerk voor dat alle betrokkenen op zondagmiddag weer bijeen zouden komen om de bespreking voort te zetten.

‘En Elizabeth Nolan?’ vroeg Beate Moerk.

‘Die neem ik wel voor mijn rekening’, zei De Klerk. ‘Morgen krijgen we waarschijnlijk ook meer informatie van de patholoog. En een reactie uit Engeland, hopelijk … ook al is dat misschien niet meer zo van belang. Maar we moeten deze zaak op een nette manier afsluiten. Losse eindjes afhechten. Toch?’

‘Natuurlijk’, zei Rooth. ‘Maar maandag gaan wij weer naar huis. Ik mis mijn huisdieren.’

‘Heb jij huisdieren?’ vroeg Münster. ‘Ik dacht dat je je aquarium had weggedaan?’

‘Mijten en muizenissen’, informeerde Rooth hem minzaam.

Toen ze op het plein stonden onder de hoge sterrenhemel zei Van Veeteren tegen Bausen dat hij een wandeling wilde maken. Bausen leek even bezwaar te willen maken, maar toen haalde hij zijn schouders op en kroop in de auto.

‘Ik zie je aan het ontbijt’, zei hij voordat hij het portier dichttrok. ‘Maak me maar wakker als je goede raad nodig hebt.’

‘Dat zal ik doen’, zei Van Veeteren. ‘Ik ga morgen in ieder geval naar huis.’

‘Je mag zo lang blijven als je wilt.’

‘Dat weet ik. Maar dit lijkt nu voorbij. Ga maar naar huis en ga slapen. Welterusten alvast.’

Bausen knikte en reed weg. Van Veeteren bleef staan en zag de achterlichten bij de melkfabriek in de Doornstraat verdwijnen. Hij aarzelde even en zette vervolgens koers naar het Leisnerpark en De Blauwe Schuit.

Ik kan wel een biertje gebruiken, dacht hij.

Wel twee.

Het is toch ellendig dat ik zelfs geen puf heb om met Bausen te praten.

Het was best druk in De Blauwe Schuit – het herinnerde hem eraan dat het ondanks alles zaterdagavond was – maar hij wist toch een eigen tafeltje te bemachtigen in de kleine ruimte tussen de bar en het restaurant.

Hij bestelde een donker biertje en stak een sigaret op, terwijl hij zich afvroeg hoeveel hij er had gerookt sinds ze die ochtend het bericht van G.’s dood hadden gekregen. Vast meer dan tien, bedacht hij. Wat een ellende, morgen stop ik helemaal.

Hij vond het nog steeds moeilijk de gevoelens en gedachten te ordenen die door zijn hoofd raasden.

Hij kon het moeilijk accepteren.

G. was dood.

Hij was in bad gaan liggen, had zijn polsen doorgesneden en had het strijdperk verlaten. Dood!

Het was alsof … hij wist niet waar het op leek.

Een tegenstander die er opeens niet meer was.

Een schaker die tijdens een partij wegliep en geen zin had om terug te komen naar het bord om de partij af te maken.

Slechte metaforen, dat wist hij, maar hij kon geen betere bedenken om de eigenaardige, steriele verontwaardiging te beschrijven die hij voelde.

Het laatste hoofdstuk van de zaak-G.? Dat het zo zou aflopen! Hij had uiterst vage voorstellingen van hoe het anders had gekund, maar één ding was duidelijk. Wat dan ook, maar dit niet.

Het was beter geweest als ik hem in ieder geval zelf had mogen doodslaan, bedacht hij grimmig en hij nam een grote slok bier. Dan had ik ook nog wat in de melk te brokkelen gehad.

Dat was natuurlijk een huiveringwekkende gedachte. Die zei wel iets over zijn ware beweegredenen, maar net als altijd kon je die waarschijnlijk maar beter onder ogen zien.

‘Neem je eigen motieven onder de loep, het doet pijn, maar als je iets wilt bereiken is dat de enige manier!’ had Mahler eens gezegd of geschreven, en zo was het. Ervoor weglopen was gemakkelijker, en je werd er niet voor beloond als je dat niet deed.

Behalve dan dat je jezelf herkende.

Hij dronk nog wat van het bier en inhaleerde een paar keer diep. Hij keek een paar seconden naar een man die alleen aan een tafeltje schuin tegenover hem zat en met zijn kin op zijn borst in slaap was gesukkeld.

Dat zou ik misschien ook wel willen, dacht Van Veeteren somber.

En dan die leegte! Jaan G. Hennan had een leegte achtergelaten, dat was ook eigenaardig. Natuurlijk kun je iemand haten die overleden is, constateerde hij, maar het heeft zo weinig zin.

Alsof G. op deze manier zijn straf was ontlopen, en dat was toch ook zo? Ja, precies. Tot op het laatst had hij, ook al had hij het spel verloren, zijn eigen lot bepaald. In plaats van de wraak over te laten aan degene die daar recht op had.

Namelijk aan commissaris Van Veeteren.

Verdomme, dacht hij. Als ik gelovig was, kon ik me in ieder geval verbeelden dat de wraak de Heer toekwam.

Hij dronk zijn bier op en bestelde er nog een. Ik weet niet eens hoe de moord op Barbara Hennan in zijn werk is gegaan, drong het tot hem door. Hij dacht een poosje over dat aspect na. Misschien was dat nog wel het ergste. Het gênantste en meest onverteerbare. Dat G. in zekere zin had bekend, maar niet had verteld hoe hij het had gedaan. Met een spotlach was hij doodgegaan.

Met een spotlach doodgaan? Dat klonk bijna als een titel voor een boek.

Naar alle waarschijnlijkheid hadden slechts twee mensen ervan geweten. Hennan en Verlangen, en die waren allebei dood. Het spel was uit en ze hadden hun geheim meegenomen in hun graf. Niemand zou ooit weten wat er die avond vijftien jaar geleden in Linden met de mooie Amerikaanse was gebeurd. Niets meer aan te doen.

Of toch wel? Misschien was er nog iemand? Misschien leefde de dader nog, de handlanger?

Stel je voor, dacht Van Veeteren en toen begon hij zich af te vragen wat ze in vredesnaam tegen Elizabeth Nolan zouden zeggen als ze wakker werd in haar ziekenhuisbed.

De waarheid?

Er waren waarschijnlijk goede redenen om haar die te onthouden. Delen ervan tenminste. Je kon er beter de hand mee lichten, waarheid was één ding, en medemenselijkheid niet per se hetzelfde.

Nou ja, vatte hij samen, het is in ieder geval niet mijn probleem. Dat voordeel heb ik.

Hij dronk ook zijn tweede biertje op en rookte nog een sigaret. Hij keek nog even naar de slapende man, en voelde zich zelf inmiddels zo duf dat een paar uur slaap er voor hem vermoedelijk ook wel in zat. Ondanks alles.

En met die vrome hoop in zijn achterhoofd verliet hij De Blauwe Schuit.

Toen hij weer bij Bausens huis kwam, was het kwart voor een. Bausen was al naar bed, en zelf kroop hij er ook in met een gevoel van schaamte en schuld jegens zijn gastheer.

Ik moet het op de een of andere manier goedmaken voordat ik morgen naar huis ga, bedacht hij. Het kan niet leuk zijn om dag in dag uit met zo iemand als ik opgescheept te zitten.

Daar is niks aan.