43

Toen het telefoontje van inspecteur Mulder van het lab in Maardam kwam, zaten ze alle vijf bij elkaar in de vergaderkamer.

De Klerk en Stiller zaten er al de hele ochtend, Münster en Rooth vanaf elf uur en brigadier Moerk was een paar minuten over twaalf gearriveerd. Nu was het tien over. Rooth nam op en gaf de hoorn aan de politiechef, die in een opvallend rap tempo vijf keer ‘ja’ zei, twee keer ‘oké’ en één keer ‘bedankt’.

Toen hing hij op. Hij maakte zijn lippen nat met het puntje van zijn tong.

‘Overeenstemming op elf punten’, verklaarde hij. ‘De zaak is duidelijk. Christopher Nolan is identiek met Jaan G. Hennan.’

‘Nou ja, zeg!’ zei brigadier Rooth. ‘Dan kunnen we vandaag alweer niet naar huis.’

Daarna was het een paar seconden stil. Münster probeerde oogcontact te krijgen met Beate Moerk, maar dat lukte niet. Stiller beet op een balpen zodat die kraakte en de politiechef leek verstrooid. Hij begon over zijn rechteroorlel te wrijven, maar ging toen over naar links.

‘Wat doen we?’ vroeg hij toen hij daarmee klaar was.

‘Wat hij zei’, stelde Beate Moerk voor.

‘Wie?’

‘Van Veeteren natuurlijk. We houden Nolan in de gaten. Dat is het minste wat we kunnen doen.’

Münster stond op.

‘Ik ga met de commissarissen praten’, zei hij. ‘Op de een of andere manier heb ik het gevoel dat we dit zonder hen niet voor elkaar krijgen. Wat vinden jullie?’

‘Oké’, zei De Klerk. ‘Daar zit wat in. Wellicht is een excuus ook op zijn plaats.’

‘Ik kijk wel hoe ik het inkleed’, zei Münster. ‘Maar ik moet zeggen dat ik het vluchtrisico moeilijk kan inschatten.’

‘Wat bedoel je?’ vroeg Rooth.

‘Ik bedoel dat Hennan voorzover ons bekend niet weet dat wij weten wie hij is … maar zodra hij onraad ruikt, bestaat natuurlijk het risico dat hij de benen neemt.’

‘Waarom?’ vroeg Beate Moerk. ‘Waarom zou hij vluchten? We kunnen hem toch nergens van beschuldigen? Behalve van opereren onder een valse naam.’

‘Helemaal nergens van’, was Rooth het met haar eens. ‘We hebben geen enkel bewijs tegen hem. We zijn er alleen voor onszelf van overtuigd dat hij drie mensen heeft vermoord. Maar als we in een auto bij hem voor de deur gaan zitten, moet er vroeg of laat iets gebeuren. Van dat afwachten krijg ik uitslag.’

‘Je bedoelt dat we hem moeten provoceren?’ vroeg De Klerk.

‘Provoceren’, mompelde Rooth nijdig. ‘Dat zeg ik niet. Maar nu Van Veeteren ons op een presenteerblaadje een drievoudige moordenaar heeft bezorgd, zou het toch gênant zijn als we hem weer kwijtraakten. Dat is in ieder geval mijn persoonlijke mening, ik bied me aan voor de eerste wacht.’

Hij keek om zich heen.

‘Oké’, zei Beate Moerk. ‘Ik ga met je mee. Hoe schatten jullie trouwens het risico in dat hij gewelddadig wordt? Als hij ontdekt dat wij daar zitten …’

‘Het is een goedmoedig type’, zei Rooth. ‘Hij heeft alleen die rare neiging om af en toe iemand te vermoorden. Ik raad je aan je dienstpistool mee te nemen. Je kunt het altijd gaan zitten poetsen, dan hoef je je ook niet te vervelen … zelf ben ik van plan kruiswoordpuzzels op te lossen en mijn nagels te vijlen.’

Hij maakte aanstalten om te gaan, maar De Klerk vroeg hem nog even te wachten.

‘Nog één vraag’, zei hij. ‘Heeft niemand van jullie een antwoord bedacht op die prangende vraag?’

‘Welke prangende vraag?’ vroeg Beate Moerk.

‘De vraag wat Verlangen had ontdekt … het bewijs in die oude zaak? Is niemand op een idee gekomen?’

Nee, niemand. Ook vandaag niet.

Bausen en Van Veeteren zaten op het terras uiensoep met croutons te eten toen Münster arriveerde.

‘Welkom in de jungle’, zei Bausen. ‘Wil je ook een bordje soep?’

Dat sloeg Münster niet af en Bausen ging naar de keuken om een extra bord, een glas en een lepel te halen. Hij schepte een portie op uit de pan die midden op tafel stond en knikte naar Münster.

‘We drinken er een droge witte wijn bij’, verklaarde hij. ‘Doe je mee?’

Hij schonk in zonder het antwoord af te wachten.

‘Dank u wel’, zei Münster. ‘Waar ik voor kom, we hebben bericht gehad van Mulder.’

‘Mhm?’ zei Bausen.

‘Het klopt, Nolan is Hennan.’

Van Veeteren had tot dan toe gebiologeerd in zijn soep zitten turen, maar nu legde hij zijn lepel neer en veegde omstandig zijn mond af met zijn servet.

‘Dat weten we al’, zei hij. ‘Ik dacht dat je iets nieuws kwam vertellen.’

Bausen glimlachte en keek van de een naar de ander.

‘Mijn excuses’, zei Münster. ‘Maar nu weten we het in ieder geval honderd procent zeker. Rooth en Moerk houden het huis in de gaten. De vraag is wat we in vredesnaam moeten doen.’

‘Hebben jullie dat nog niet bedacht?’ vroeg Van Veeteren en hij nam een slok wijn.

‘Nee’, zei Münster. ‘Maar persoonlijk begin ik te geloven dat we hem moeten arresteren. Ik betwijfel of het zin heeft af te wachten totdat hij zichzelf op de een of andere manier verraadt. Wat schieten we er eigenlijk mee op om niet op te vallen?’

Bausen kuchte.

‘Maar als jullie hem observeren, begrijpt hij toch dat jullie achter hem aan zitten?’ vroeg hij. ‘Of willen Moerk en Rooth het discreet aanpakken?’

Münster weifelde.

‘Dat weet ik eigenlijk niet’, zei hij. ‘Het was wat rommelig en we hebben het niet helemaal goed doorgesproken. Al denk ik niet dat Rooth zin heeft om erg lang discreet te zijn … dat is sowieso niet zijn stijl.’

Van Veeteren draaide zijn glas rond en dacht na.

‘Tja’, zei hij. ‘Het is geen eenvoudige situatie. Willen jullie een goed advies?’

Münster knikte onderdanig.

‘Laat hem maar zien dat je hem observeert’, zei Van Veeteren. ‘Maak hem ongerust. Arresteer hem vanavond laat of morgen. En mocht het zo zijn dat jullie nog steeds van mijn diensten gebruik willen maken, dan ben ik bereid hem achtenveertig uur achtereen te verhoren.’

Bausen trok een wenkbrauw op.

Münster twee.

‘Mooi’, zei hij. ‘Ik zal het tegen De Klerk zeggen.’

Hij probeerde op te staan, maar Bausen duwde hem weer terug op zijn stoel.

‘Eerst je bord leegeten’, zei hij. ‘En je houdt een mooie, oude chardonnay in je hand. Die drink je niet staande.’

‘Neem me niet kwalijk’, zei inspecteur Münster.

Het was voor het eerst dat Beate Moerk een koppel vormde met Rooth, en ook als datgene wat aan het eind van hun vier uur durende samenzijn gebeurde, niet was gebeurd, dan was hij haar toch wel bijgebleven.

Dat dacht ze in ieder geval op het moment zelf.

‘Je bent getrouwd, toch?’ begon Rooth nog voordat ze waren ingestapt. ‘Ik dacht dat Münster dat zei.’

‘Klopt’, zei Beate Moerk. ‘En jij?’

‘Single’, zei Rooth. ‘Als een wilde appel op de taiga. Je hebt zeker ook kinderen?’

‘Twee’, zei Beate Moerk.

‘En geen plannen voor een scheiding?’

‘Nee.’

‘Ach ja’, zei Rooth. ‘Het is niet gemakkelijk voor de mens om alleen te zijn.’

Beate Moerk dacht na.

‘Ik dacht dat je had gezegd dat je kruiswoordpuzzels zou maken en aan je nagels zou peuteren. Wanneer begin je daarmee?’

‘Vijlen’, zei Rooth. ‘Niet peuteren. Nee, ik wil nu liever wat filosoferen en plannen maken. Om te beginnen. Wat vind je daarvan?’

‘Voor mijn part’, zei Beate Moerk. ‘Maar start je nu de auto, anders is Hennan straks gevlogen.’

Rooth keek haar bedroefd aan en deed wat hem was gezegd.

‘Kunnen we de zaak nog even doorspreken?’ stelde ze voor toen ze tegenover Nolans huis aan de Wackerstraat geparkeerd stonden. ‘Moeten we precies hier staan, trouwens?’

Rooth haalde zijn schouders op.

‘Ik weet het niet goed’, zei hij. ‘Wat vind jij?’

‘Als we willen dat hij ons ziet, is dit perfect’, zei Moerk en ze keek naar het huis. ‘Als twee mensen een hele middag in een auto in een villawijk zoals deze zitten, dan …’

‘… zijn het smerissen of tortelduifjes’, vulde Rooth aan. ‘Om niet op te vallen kunnen we misschien maar beter een verliefd paartje spelen.’

‘Ammehoela, je kan me wat’, zei Beate Moerk.

‘Ik kan je wel zoenen!’ zei Rooth.

Ze wierp hem een boze blik toe. Even had ze de aanvechting om hem een klap te geven, maar die impuls onderdrukte ze.

‘Hou op met dat stompzinnige geleuter’, zei ze. ‘Je maakt jezelf alleen maar belachelijk.’

Rooth keek haar verbaasd aan. Toen krabde hij aan zijn kin.

‘Mijn nederigste excuses’, zei hij. ‘Soms heb ik mezelf niet helemaal in de hand met een mooie vrouw in de buurt. Zullen we misschien iets verder naar de zijlijn opschuiven?’

Hij startte de auto weer en zette hem een meter of tien naar achteren. Ze konden de villa nog steeds goed zien, maar zolang Nolan niet naar buiten kwam, zou hij hen waarschijnlijk niet opmerken. Rooth zette de motor uit. Moerk keek op haar horloge. Het was twintig over twee.

‘Die prangende vraag’, zei Rooth. ‘Ik kom er niet uit. Maar als wij onze koppen bij elkaar steken, dient het antwoord zich misschien wel aan.’

Beate Moerk vroeg zich even af of daar misschien ook weer een seksuele toespeling achter zat, maar toen ze in zijn eerlijke blauwe ogen keek, besloot ze dat dat niet het geval was.

‘Oké’, zei ze. ‘Begin jij maar.’

‘Verlangen was aan de drank’, zei Rooth.

‘Klopt.’

‘Waarschijnlijk niet zo alert.’

‘Waarschijnlijk niet.’

‘Toch beweert hij dat hij iets heeft ontdekt wat van doorslaggevende betekenis is voor die oude moord in Linden.’

‘Ja.’

‘Hoe kan dat? Wat bedoelde hij?’

Beate Moerk dacht een paar seconden na.

‘Hij moet G. hebben gezien en herkend’, zei ze. ‘In ieder geval moet het daarmee zijn begonnen.’

‘Waarschijnlijk wel’, zei Rooth.

‘Waar heeft hij hem gezien?’

‘Goede vraag. In Maardam naar alle waarschijnlijkheid. G. zal daar wel op bezoek zijn geweest.’

‘In april van dit jaar?’

‘Of iets eerder.’

‘Hm. En Verlangen ziet hem dus toevallig … maar daarmee ben je er nog niet.’

‘Waar nog niet?’ vroeg Rooth en hij zette de achteruitkijkspiegel zo dat ze oogcontact konden hebben zonder hun nek te verrekken.

‘Er moet meer geweest zijn. Verlangen had geen reden om Hennan te volgen alleen omdat hij hem na vijftien jaar toevallig zag. Als hij niet helemaal de kluts kwijt was … Verlangen dus.’

‘Dat klopt’, zei Rooth. ‘Maar hij ontdekt dat doorslaggevende feit pas hier in Kaalbringen. Ja, toch?’

‘Dat weet ik niet. Denk je dat hij met hem heeft gesproken?’

‘Waar? In Maardam?’

‘Ja, of hier … Ja, hij zal hem hier vast wel gesproken hebben.’

‘Waarschijnlijk in Maardam ook al’, zei Rooth. ‘En Hennan kan iets hebben gezegd wat … ja, waardoor Verlangen iets duidelijk werd. Of wat hem aan het denken zette.’

Beate Moerk zat een tijdje zwijgend na te denken.

‘Wat dan bijvoorbeeld? De naam van zijn handlanger, misschien? Want hij had toch een handlanger bij die moord?’

‘Wat ik ervan begrijp wel’, zei Rooth met een zucht. ‘Maar we komen telkens weer op dezelfde oude vraag uit. Hennan is toch niet zo’n kluns dat hij zijn mond voorbijpraat tegenover iemand als Verlangen? Nee, er klopt iets niet aan deze redenering, dat idee heb ik de hele tijd al.’

‘Kom dan met iets beters’, verzocht Moerk.

‘Dat kan ik niet’, gaf Rooth toe. ‘Maar ik bedenk nu opeens iets anders. Hoe weten we dat hij thuis is?’

‘Wat?’

‘Nolan-Hennan. Misschien zitten we wel een leeg huis te observeren.’

Beate Moerk dacht na.

‘Stom’, zei ze. ‘Dat zou stom zijn. Wat doen we?’

‘Dit’, zei Rooth en hij haalde zijn mobieltje tevoorschijn. ‘We bellen en kijken of hij opneemt.’

‘Geniaal’, zei Beate Moerk.

‘Genialiteit is altijd mijn sterke kant geweest’, onthulde Rooth en hij toetste het nummer in.

Na drie signalen klonk de stem van Christopher Nolan en Rooth drukte het gesprek weg.

‘Oké’, zei hij. ‘Hij is thuis. Dan weten we dat in ieder geval.’

‘Hij zou door de achterdeur weg kunnen glippen’, merkte Moerk op. ‘Het bos in.’

Daar dacht Rooth even over na.

‘Dat doet hij niet’, zei hij. ‘Hij weet immers niet eens dat we achter hem aan zitten. Maar als jij om het huis heen wilt sluipen en in hinderlaag in de bosjes wilt gaan liggen, ga je gang. Maar dan mis je mijn gezelschap.’

Beate Moerk kreeg niet de kans om de voor- en nadelen hiervan tegen elkaar af te wegen, aangezien er op dat moment een zilverkleurige Hyundai passeerde, die de oprit van de villa opreed. Mevrouw Nolan stapte uit, haalde een zwarte aktetas van de achterbank en ging naar binnen. Rooth keek op zijn horloge.

‘Vijftien uur elf’, stelde hij vast. ‘Elizabeth Nolan komt thuis na een dag in de galerie. Het werk van een diender is toch maar spannend, dat moet je toegeven, Moerk.’

‘De spanning is ondraaglijk’, zei Beate Moerk.

Het duurde precies een uur en twee minuten voordat de volgende gebeurtenis plaatsvond bij het huis van de Nolans in de Wackerstraat. En die had hetzelfde dramatische gehalte als de vorige.

Mevrouw Nolan kwam naar buiten. Ze zwaaide naar haar man die in de hal stond, liep naar de auto, stapte in en reed in de richting van het centrum van Kaalbringen.

‘Zo?’ zei Rooth, die het afgelopen half uur bij gebrek aan voedsel bijna in slaap was gevallen.

‘Mhm’, zei Moerk.

Ze merkte dat ze geen puf meer had om in haar hoofd naar woorden te zoeken.

‘Daar ging ze weer’, vervolgde Rooth en hij geeuwde. ‘Weet je waar ik opeens aan moet denken?’

‘Nee’, zei Moerk. ‘Waar moet je aan denken?’

‘Nou, zijn we op de heenweg niet langs een kiosk gekomen? Vlak bij het spoor … ik denk dat ik daar maar eens heen wandel om een krant en wat verfrissingen te kopen. Dan kun jij intussen misschien het hoofdkwartier bellen om instructies te vragen.’

Moerk ging rechtop zitten en knikte.

‘En vraag of ze iets hebben voor doorligwonden.’

Rooth stapte uit en ging op weg. Toen hij de Wackerstraat uit was en uit het zicht was verdwenen, toetste Beate Moerk het nummer van het politiebureau in.

Aspirant Stiller nam op.

‘Hoe gaat het?’ vroeg hij.

‘Hoe het gaat?’ zei Beate Moerk. ‘Er gebeurt geen donder. Ja, mevrouw Nolan heeft de villa weer verlaten. We hebben een nog onbevestigde hypothese dat ze boodschappen is gaan doen.’

‘Interessant’, zei Stiller. ‘Is het saai?’

‘Een begrafenis is leuker’, zei Moerk. ‘Hebben jullie al besproken wanneer we worden afgelost?’

‘Ogenblikje’, zei Stiller en hij hield zijn hand over de hoorn.

Ze probeerde tussen zijn vingers door te luisteren, maar verstond niet wat er werd gezegd.

‘Hallo’, hervatte Stiller vijftien seconden later. ‘Jullie moeten het nog een kleine twee uur zien uit te houden. Münster en ik komen om zes uur.’

‘Hebben jullie contact met Van Veeteren en Bausen?’ vroeg Beate Moerk.

‘Ja. Zij vinden ook dat we tot vanavond moeten wachten.’

Beate Moerk zuchtte.

‘Nou, dat is dan afgesproken.’

Ze drukte de aspirant weg en keek naar de villa.

Die stond er nog net zo.

Toen Beate Moerk later – veel later – terugdacht aan wat er tussen tien voor en vijf over zes gebeurde, kwam het incident met de boodschappentas om de een of andere reden altijd het eerst boven.

Elizabeth Nolan had haar auto net op de gewone plek op de oprit geparkeerd. Rooth had geconstateerd dat ze in Kaalbringen kennelijk ook een Merckx hadden, want hij herkende het logo op de plastic tassen die van de achterbank werden gehaald en langs de rand van het goed verzorgde gazon werden gezet, en Beate Moerk had op haar horloge gekeken en vastgesteld dat het tien voor zes was.

Elizabeth Nolan klapte de achterdeur van de auto dicht, pakte de twee volle tassen vast, in elke hand een, en toen ze die op wilde tillen scheurde het handvat van een ervan.

Een stapel etenswaren rolde over het gras. Moerk en Rooth hoorden het niet, maar ze zagen haar vloeken. Ze aarzelde even, vervolgens bracht ze de niet-gescheurde tas naar binnen en kwam een halve minuut later terug met een bruine doos.

Terwijl ze de boodschappen in de doos stopte, vroeg Moerk zich enigszins geïrriteerd af waarom haar man haar in vredesnaam niet kwam helpen.

Een echte macho, dacht ze ook nog. Hij zit natuurlijk voor de tv voetbal te kijken!

Dat was een volledig verkeerde veronderstelling, daar zou ze gauw genoeg achter komen.

Mevrouw Nolan verdween weer het huis in met de volgeladen doos in haar armen. Ze trok de deur achter zich dicht, wat niet echt gemakkelijk ging.

Rooth keek Moerk aan. Moerk keek Rooth aan. Rooth geeuwde en keek op zijn horloge.

‘Nog zes minuten, dan worden we afgelost’, informeerde hij haar. ‘Zullen we echt niet samen een hapje gaan eten als we klaar zijn?’

Beate Moerk sloeg die uitnodiging voor de vijfde keer af. Toen ging de deur van de villa opnieuw open. Elizabeth Nolan kwam naar buiten rennen.

Recht het gazon op, beide handen tegen haar slapen gedrukt en haar ellebogen naar opzij. Na een paar passen bleef ze abrupt staan. Ze stond even te wiebelen. Toen viel ze pardoes op haar rechterzij en rolde door totdat ze op haar buik lag.

Moerk en Rooth waren tegelijk bij haar. Samen draaiden ze haar om. Ze jammerde zachtjes, haar ogen en mond waren halfopen en ze leek maar net bij bewustzijn. Rooth pakte haar kin vast en schudde voorzichtig.

‘Hoe is het?’ vroeg Beate Moerk. ‘Wat is er gebeurd?’

Ze kwam weer bij. Ze staarde hen een paar seconden verbaasd aan. Daarna wees ze naar het huis en bewoog haar lippen.

‘Wat zegt u?’ vroeg Rooth.

Ze sloot haar ogen en zuchtte diep. Ze deed haar ogen weer open.

‘De badkamer’, fluisterde ze nauwelijks hoorbaar. ‘Hij ligt in de badkuip.’

Rooth staarde haar aan, vervolgens staarde hij Beate Moerk aan.

Toen renden ze beiden het huis in.

Ze liepen in één keer goed. De badkamer van het echtpaar Nolan zat aan het eind van de L-vormige hal, en ze had de deur open laten staan.

In de badkuip, die tot de rand toe vol was, lag Christopher Nolan. Zijn hoofd rustte op de rand en het water was zo rood dat Beate Moerk het een razendsnel voorbijflitsende seconde lang mooi vond.

‘Nee, hè?!’ zei brigadier Rooth. ‘Gadverdamme!’

‘Wat is er aan de hand?’ klonk een stem in de hal.

Het was Münster. Beate Moerk liep snel achteruit de badkamer uit, draaide zich om en kwam hem op de hoek tegen.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Münster. ‘We komen jullie aflossen. Mevrouw Nolan schijnt in shock te zijn en …’

‘Aflossen hoeft niet meer’, zei Beate Moerk. ‘Hennan heeft zelfmoord gepleegd. Hij ligt daarbinnen.’

Ze wrong zich langs Münster. Ze stapte naar buiten en zag aspirant Stiller op zijn hurken naast Elizabeth Nolan zitten, die nog steeds languit in het gras lag.

Plotseling scheen de ondergaande zon in haar ogen en ze verlangde zo hevig naar haar kinderen dat het pijn deed.