42

‘En?’ vroeg Van Veeteren. ‘Wat zeiden ze?’

Bausen bleef even met de telefoon in zijn hand staan. Hij staarde uit het raam, zodat Van Veeteren zijn gezichtsuitdrukking niet kon zien.

‘Ze weten het niet.’

‘Weten het niet?’

‘Nee, schijnbaar niet. Of beter gezegd: mevrouw Nolan lijkt niet op de hoogte te zijn van enig onoorbaar feit. Moerk en Münster beweren dat ze een zeer overtuigende indruk maakte. Ze heeft ook enige gegevens verstrekt … ze hebben een verzoek om informatie naar Engeland gestuurd.’

Van Veeteren knikte en keek naar het schaakbord. Ze waren buiten aan het partijtje begonnen, maar om half negen waren ze naar de woonkamer verhuisd, toen er uit het noordwesten een regenbui naderde. Bausen had een eenvoudige ratatouille bereid met basmatirijst, en ze hadden zijn laatste fles St. Emilion ’82 op een paar druppels na leeggedronken.

Gruyèrekaas met stukjes peer als toetje.

‘Geen benijdenswaardige positie’, constateerde de commissaris toen Bausen weer aan tafel was komen zitten. ‘Die van mevrouw Nolan dus. Het is in zekere zin paradoxaal.’

‘Wat bedoel je?’

Van Veeteren trok een lelijk gezicht.

‘Ook al kunnen we hem niet pakken, we kunnen wel zijn huwelijk kapotmaken. Hij heeft haar immers dertien jaar om de tuin geleid en in onwetendheid gelaten … er zijn niet veel vrouwen die dergelijk gedrag tolereren. In mijn ervaring in ieder geval niet.’

Bausen reageerde niet. Hij trommelde alleen zwijgend met zijn wijsvingers op de armleuning van de stoel. Van Veeteren rolde een sigaret en keek hem vragend aan.

‘Wat is er met je?’ vroeg hij ten slotte. ‘Je kijkt zo bezorgd.’

Bausen leunde over de tafel heen naar voren alsof hij een zet wilde doen.

‘Van de politiechef moest ik je iets vragen’, zei hij.

‘O?’

‘Over Nolan.’

‘Ja?’

‘Hrrm. Over zijn identiteit. Hoe zeker je ervan bent dat het echt Hennan is.’

Van Veeteren verstijfde. Langzaam en op een eigenaardig langdurige manier, hij voelde het zelf.

Als een meer dat bevriest in december, dacht hij. Als bloed dat stolt. Wat is er aan de hand, verdorie? vroeg hij zichzelf af en hij bleef zitten met de sigaret onaangestoken in zijn mond, terwijl hij Bausen over het schaakbord heen aankeek. Hij had moeite om te bepalen wie van hen het meest verlegen was met de situatie. Er verstreken enkele seconden, Bausen zette een paar stukken goed, maar deed geen zet. Hij ontweek zijn blik.

‘Dus dat wisten ze niet’, zei Van Veeteren.

Bausen maakte een onduidelijk gebaar met zijn handen, maar zei niets.

‘Ze twijfelen eraan of ik het wel goed heb gezien?’

‘Helaas.’

‘Twijfelen ze aan mijn oordeel?’

Bausen probeerde te glimlachen.

‘Je hoeft toch niet …’

Hij onderbrak zichzelf.

‘Verdomme’, zei Van Veeteren en hij dronk zijn glas leeg.

Zo moet je de laatste druppels van een St. Emilion ’82 niet drinken, dacht hij. Dat is heiligschennis.

‘Hoe dan ook, ik moest het van hem vragen’, zei Bausen. ‘En het is logisch dat ze zekerheid willen op dat punt. Absolute zekerheid … Dat moet je toch niet persoonlijk opvatten? Haha.’

‘Haha’, stemde Van Veeteren in.

Bausen dronk zijn glas ook leeg.

‘Ze heeft kennelijk nogal wat gegevens verstrekt, mevrouw Nolan. Over hun verleden in Engeland. Je zou kunnen denken dat ze dat niet gedaan zou hebben als …’

‘Ik begrijp wat je zou kunnen denken’, zei Van Veeteren. ‘Dat hoef je me niet te vertellen. Wanneer krijgen ze antwoord uit Engeland?’

‘Op zijn vroegst over vierentwintig uur. Daar gaat wat tijd overheen. Uit Londen had je waarschijnlijk sneller iets gehoord, maar nu moet het uit Bristol komen.’

‘Bristol?’

‘Ja.’

‘Moeten ze daar gewoond hebben?’

Bausen knikte.

‘Op zijn vroegst morgen dus?’

‘Ja. Morgenavond, hopelijk.’

Van Veeteren stak zijn sigaret aan en inhaleerde tweemaal diep.

‘Dus ze denken dat ik me heb vergist?’ zei hij. ‘Denken ze dat ik hem niet meer herken?’

‘Ik weet niet wat ze denken’, zei Bausen met een somber gezicht.

Van Veeteren haalde een zwart paard van het bord en bleef er een hele poos naar staren.

‘En wat zegt Münster? Hij weet toch nog wel hoe G. eruitziet? Waarom gaat Münster er niet heen om een kijkje te nemen? Als ze het toch niet weten.’

Bausen antwoordde niet. Hij zat daar maar met die bezorgde blik.

‘Ik zit met een vraag’, zei hij ten slotte. ‘Hoe is de samenhang in deze zaak als Nolan Hennan niet is? Dat begrijp ik niet.’

Van Veeteren zette het stuk terug op c6.

‘Dan is er geen samenhang’, zei hij. ‘Misschien denken ze dat ik dat besefte toen ik zei dat hij het was. Dat ik mijn besluit al had genomen.’

‘Misschien wel, ja’, zei Bausen. ‘Nou ja, we moeten nog maar even geduld hebben. Het is een geluk dat wij niet meer zo jong en heetgebakerd zijn.’

Van Veeteren zuchtte.

‘Wie is aan zet?’ vroeg hij. ‘Jij, volgens mij.’

‘Klopt’, zei Bausen en hij verplaatste een pion.

Hij werd om kwart voor zes wakker. Hij deed een half uur lang zijn best om weer in slaap te komen, maar het lukte niet.

Hij stond op en sloop naar de keuken. Buiten hing een grijze ochtendschemering. De ruit was nat, maar het regende niet meer. Hij twijfelde er geen seconde aan dat er straks wel weer een bui zou vallen.

Hij vond de oploskoffie en zette de waterkoker aan. Tijdens het wachten dronk hij een glas sinaasappelsap. Hij overwoog even om het ochtendblad te gaan halen, maar hij wist niet zeker of dat er al was en hij ging niet kijken.

Vier uur, dacht hij toen hij water op de korrels schonk. Vier uur slaap in mijn lichaam. Dat is veel te weinig. Op mijn leeftijd heb je genoeg aan vier uur wakker zijn op een dag.

Toen hij buiten kwam, merkte hij dat het toch opklaarde en hij liet de auto staan. Het slaperige kuststadje leek op deze zaterdagochtend nog niet te zijn ontwaakt. Maar oké, dacht hij, het was ook nog maar twintig over zeven.

Hij liep de Hoistraat door, de trap af naar de Vismarkt en de haven zonder dat hij een duidelijk idee had van waar hij heen wilde, maar toen hij de golfbreker en de luxejachten in zicht kreeg, wist hij het. Natuurlijk.

Op de boulevard controleerde hij de openingstijden van Het Winderhuus. Zaterdag en zondag 10-15, stond er op een bordje op de deur. Hij knikte en liep verder naar het stadspark.

Het kronkelende fiets- en voetpad naar Rikken zag er net zo uit als in zijn herinnering. Dat was met veel dingen zo, besefte hij, terwijl hij zijn handen beschermend om de eerste sigaret van die dag hield en hem opstak. Had dat misschien met zijn leeftijd te maken? Dat het verleden soms duidelijker aanwezig leek dan wat er hier en nu gebeurde?

Wat een onzin, besloot hij. Ik weet heel goed wat er nu gebeurt. Hier op dit moment. Maar enig historisch perspectief kan geen kwaad.

Twintig minuten later was hij in de Wackerstraat. Hij liep voor Nolans huis langs en zag een zilverkleurig autootje op de oprit staan. Van Oost-Aziatische oorsprong waarschijnlijk … Hyundai of hoe die merken ook heetten.

Hij nam aan dat het de auto van mevrouw was. Natuurlijk hadden ze er twee, en natuurlijk gebruikte Christopher Nolan de veel stoerdere Rover.

Van Veeteren vertraagde zijn pas en liep nu zo langzaam dat hij bijna stilstond. Er waren geen tekenen van leven te zien daarbinnen, en hij nam aan dat ze nog niet op waren, het kunsthandelaarsechtpaar. Het was nog geen acht uur en de galerie ging pas om tien uur open, dus ze konden het rustig aan doen.

Waarom noem ik hem Nolan als ik weet dat hij Hennan heet? dacht hij geïrriteerd en hij bleef bij het volgende kruispunt staan.

En waarom vertrouwen ze niet op mijn oordeel?

Plotseling voelde hij zijn boosheid groeien.

Op zijn vroegst vanavond antwoord uit Engeland!

Vermoedelijk morgen pas.

En wat voor antwoord zou dat dan worden? Dat viel gemakkelijk te voorspellen. Als Hennan een andere naam was gaan gebruiken, had hij daar natuurlijk enige zorg aan besteed. Dat begreep zelfs een oude boekhandelaar die een ochtendwandeling maakte. Je kon veilig aannemen dat er een Nolan in Bristol woonde – of had gewoond – die beantwoordde aan het beeld dat Münster en Moerk voorgeschoteld hadden gekregen. Zo slim was hij wel. Gadverdamme.

En wat wilde de teamleiding vandaag gaan doen? In bed blijven liggen en een hele zaterdag verdoen met speculeren?

Op de hoek bleef hij staan en rolde nog twee sigaretten. Hij begon plotseling de contouren van een actieplan te ontwaren, en toen op hetzelfde moment twee in het rood geklede joggers hem voorbijrenden in de richting van het bos wist hij wat hij moest doen.

Zo ingewikkeld was het niet. Hij keek op zijn horloge en begon haastig terug te wandelen naar Bausens stulpje.

Zijn gastheer was ook opgestaan en aan zijn ochtendyogaoefeningen begonnen. Van Veeteren zei dat hij voor de middag iets moest doen, maar dat hij op tijd terug zou zijn voor de lunch. Vervolgens negeerde hij de vragen van Bausen, zocht de benodigde spullen bij elkaar en na nog een kopje koffie nam hij de auto en reed weg.

Om twintig over negen was hij weer in Rikken. Hij parkeerde aan de overkant van de Wackerstraat, schuin tegenover nummer veertien. De zilverkleurige japanner stond er nog, in de keuken brandde nu licht en verder zag het er nog hetzelfde uit. Van Veeteren zette een pet en een zonnebril op. Hij pakte Het Journaal, zette de rugleuning naar achteren zodat hij comfortabel onderuitgezakt kon zitten en stelde zich in op wachten. Het duurde ruim een half uur. In die tijd waren er een handvol mensen langs zijn gedeukte Opel gelopen, maar niemand scheen er aandacht aan te besteden. Of zich af te vragen waarom die daar stond. Van Veeteren had net het tweede deel van de Tweede Symfonie van Mahler beluisterd, toen Elizabeth Nolan naar buiten kwam en snel naar haar auto liep.

Ze startte, reed achteruit de straat op en was binnen een minuut verdwenen.

Logisch, dacht hij. De galerie ging over vijf minuten open, en ook al stonden er vast geen drommen mensen voor de deur te popelen om naar binnen te mogen, toch waren er misschien wel een paar Kaalbringers die op hun vrije zaterdag iets cultureels wilden doen.

Hij wachtte even. Toen zette hij zijn hoofddeksel en zijn bril recht en stapte uit.

Christopher Nolan deed pas na drie keer aanbellen open. Hij droeg een geel badlaken en slippers. Het water droop van hem af.

‘Ik stond onder de douche’, zei hij. ‘Wat wilt u?’

‘Neem me niet kwalijk’, zei Van Veeteren en hij overhandigde het kaartje. ‘Ik zoek dit adres, maar ik kan het niet vinden. Zou u misschien …?’

Nolan droogde zijn handen af aan de handdoek, pakte het kaartje aan en probeerde het te lezen. Hij vond een bril op een kastje en deed nog een poging.

‘De Singerstraat? Zou dat hier in Rikken moeten zijn?’

‘Dat is mij verteld.’

Nolan zette zijn bril af en fronste zijn voorhoofd.

‘Nooit van gehoord. Helaas, ik ben bang dat u het aan iemand anders moet vragen. Al betwijfel ik of het hier in de buurt is.’

Van Veeteren knikte bezorgd en nam het kaartje in ontvangst.

‘Het spijt me dat ik u onder de douche vandaan heb gehaald.’

‘Dat geeft niet’, stelde Nolan hem gerust. ‘Ik stap er zo weer onder.’

Hij keek Van Veeteren een seconde aan. Toen deed hij de deur dicht.

De Klerk en Stiller waren in het politiebureau aanwezig toen hij er vanaf de Kleinmarckt binnenstapte.

‘Ik heb gehoord van jullie twijfels’, begon hij.

‘Twijfels’, zei De Klerk. ‘Nja, ik weet niet of je het zo moet noe…’

‘Noem het zoals je wilt. Jullie schijnen hoe dan ook aan mijn verstandelijke vermogens te twijfelen. Ik niet.’

‘Ik denk niet …’ zei Stiller.

‘We wachten op antwoord uit Engeland’, zei De Klerk. ‘We moeten natuurlijk zeker zijn van onze zaak voordat we verdere stappen ondernemen.’

Hij maakte een halfhartig gebaar dat waarschijnlijk betekende dat Van Veeteren mocht gaan zitten als hij daar zin in had.

Dat had hij niet.

‘Ik weet het’, zei hij. ‘Maar het gaat mij niet snel genoeg. Alsjeblieft, hier heb je zijn vingerafdrukken.’

Hij haalde het plastic zakje met het kaartje uit zijn binnenzak.

‘Vingerafdr… o, echt?’ zei De Klerk.

‘Die van Hennan zitten in het bestand van Maardam’, ging Van Veeteren verder. ‘Ik wil dit verder aan jullie overlaten. Met de huidige techniek hoeft dat maar een paar uur te kosten. Jullie hebben toch wel een computer?’

Hij kon zweren dat De Klerk een kleur kreeg.

Dat is hem geraden ook, dacht hij.

‘Natuurlijk’, zei aspirant Stiller. ‘Vanzelfsprekend, dit gaan we meteen regelen. Hoe hebt u …?’

‘Doet er niet toe’, viel Van Veeteren hem in de rede. ‘Maar zorg dat je dat kaartje niet kwijtraakt, ik heb er geen kopie van. Ik stel voor dat jullie Bausen bellen wanneer jullie de bevestiging binnen hebben.’

‘Ja … jazeker’, stamelde De Klerk. ‘Wil je geen …?’

‘Nee, bedankt.’

Hij stond al in de deuropening toen hem nog iets te binnen schoot. Hij draaide zich om en keek de politiechef recht in de ogen.

‘Als het klopt’, zei hij. ‘Als de vingerafdrukken van Nolan en Hennan overeenkomen, raad ik je aan er wat bewaking op te zetten. Het zou vervelend zijn als de vogel zijn kooi ontvluchtte net nu de bezetting zo sterk is.’

De Klerk knikte. Stiller knikte.

Van Veeteren keerde zich op zijn hielen om en verliet het politiebureau.

Tijd voor een middagdutje, dacht hij, terwijl hij schuin het plein overstak. Werkelijk de hoogste tijd.

Als ik het mis heb, dacht hij daarna, kan ik beter nooit meer een voet in dit gat zetten.

Maar toen hij weer achter het stuur ging zitten en koers zette naar het huis van Bausen, maakte hij zich daar geen zorgen over. Wel over iets anders.

Dat laatste oogcontact met Christopher Nolan.

De seconde dat ze elkaar hadden aangekeken.

Die had rijkelijk lang geduurd.