41

Münster, De Klerk en Rooth bereidden het gesprek met Elizabeth Nolan voor. Achteraf deed de vraag zich voor of het niet beter had gekund. Ze werkten er vrijdagochtend aan en Münster had al snel het gevoel dat er iets niet goed ging. Maar wat er niet goed ging, zag hij toen nog niet.

Dat kwam later pas.

Inspecteur Münster was ook een van de twee politiemensen die vrijdagavond om half zes galerie Het Winderhuus binnenstapten en mevrouw Nolan groetten.

De tweede was brigadier Moerk. Het had hun een goed idee geleken om er een vrouw bij te hebben. Om de een of andere onuitgesproken reden. Beate Moerk vond zichzelf geschikt omdat ze goed was in haar werk, niet omdat ze vrouw was. Die reden werd evenmin uitgesproken.

‘Mevrouw Nolan’, zei Münster. ‘Wij zijn van de politie en we komen voor een zeer delicate zaak. Ik ben inspecteur Münster en dit is brigadier Moerk.’

Elizabeth Nolan keek op van het dikke kunstboek waarin ze had zitten lezen.

‘Pardon? Ik heb het niet goed verstaan, geloof ik …?’

Ze keek hen om de beurt met een licht oscillerende blik aan. Ze schoof een lok van haar donkere haar opzij.

‘Politie’, herhaalde Beate Moerk. ‘We willen u graag even spreken.’

‘Ik begrijp het niet … waarom?’

Ze had een heel licht Engels accent. Het schoot Beate Moerk te binnen dat haar man dat volgens Bausen en Van Veeteren niet had.

‘Brigadier Moerk’, zei ze en ze stak haar hand uit. Elizabeth Nolan nam die aarzelend aan. Ze legde een bladwijzer in haar boek en klapte het dicht.

‘Kunnen we ergens ongestoord praten?’ Beate Moerk keek om zich heen. Voorzover zij kon zien waren er geen bezoekers in de tentoonstellingsruimte. Bovendien hadden ze tien minuten in de auto op de parkeerplaats gezeten en in die tijd was er niemand het gebouw in- of uitgegaan. Het leek erop dat de aantrekkingskracht van de suffe plaatselijke kunstenaars aanzienlijk was verflauwd in de week na de vernissage.

Mevrouw Nolan stond op uit haar stoel.

‘Ik ben bang dat ik het niet goed begrijp. Wat wilt u?’

Ze leek oprecht verbaasd en Münster gebaarde naar de ingang.

‘Misschien kunt u sluiten, zodat we niet gestoord worden?’

Ze aarzelde. Vervolgens zette ze een paar stappen in de richting van de deur, maar stopte weer.

‘Hebt u … mag ik uw legitimatiebewijs zien?’

Die overhandigden ze haar en ze bestudeerde ze enkele seconden.

‘Ik … we zijn eigenlijk tot zes uur open.’

‘Dat weten we’, zei Münster. ‘Maar misschien kunt u vandaag een half uurtje eerder sluiten. Er zijn immers toch geen bezoekers.’

Elizabeth Nolan haalde haar schouders op, terwijl ze tegelijkertijd een soort half verontschuldigend gebaar maakte met haar handen.

‘Nee, de toeloop is wat minder geworden. Maar ik begrijp niet waarom u mij wilt spreken. Is er iets gebeurd?’

‘Als u de deur dichtdoet, zullen we alles rustig uitleggen’, beloofde Beate Moerk en ze legde haar hand heel even op Elizabeth Nolans arm. ‘U hoeft zich geen zorgen te maken.’

Ze weifelde nog steeds. Toen knikte ze en deed de deur op slot. Münster en Moerk gingen op de beide mosterdgele hard plastic bezoekersstoelen zitten, die tegenover het bureau stonden.

‘Mevrouw Nolan’, zei Beate Moerk, toen ze teruggekeerd was en tegenover hen had plaatsgenomen. ‘Het spijt ons u te moeten lastigvallen, maar de omstandigheden laten ons geen keus.’

‘Vertelt u alstublieft wat er is gebeurd.’

Münster besefte dat ze op een aankondiging van overlijden wachtte of iets van dien aard, en zo vreemd was dat misschien niet.

‘Goed’, zei hij. ‘De aanleiding dat we met u willen spreken is wat ongewoon, ongetwijfeld, maar als u maar eerlijk en zonder voorbehoud antwoordt, hoeft u nergens bang voor te zijn.’

‘Bang?’ barstte Elizabeth Nolan uit. ‘Waar zou ik bang voor moeten zijn? Wat bedoelt u?’

‘Ik zal het uitleggen’, nam Beate Moerk het over. ‘Het is zo dat we een aantal gegevens over uw man nodig hebben. We kunnen helaas niet onthullen waarom precies, maar laat ik het zo zeggen. We zijn op jacht naar iemand die langgeleden een aantal ernstige misdrijven heeft gepleegd … zeer ernstige misdrijven. Uw man maakt deel uit van een groep van acht, en we weten honderd procent zeker dat een van die mannen de dader is. Die zoeken we. De andere zeven zijn volstrekt onschuldig en hebben niets met de zaak te maken gehad …’

‘Wat is er …’

‘Gebeurd? Dat kunnen we niet vertellen. Zoals u zult begrijpen. En het ligt ver terug in de tijd, wat ik al zei. Wij willen zo veel mogelijk te weten komen over ieder van deze acht mannen … zo discreet mogelijk, zonder dat ze onraad ruiken. We zullen zeven van hen van alle blaam zuiveren, onder wie hopelijk uw man, mevrouw Nolan. Dit is helaas de enige methode die ons ter beschikking staat. Als u de details zou kennen, zou u onze positie begrijpen, maar we kunnen dus niet meer openheid betrachten. Soms moeten we uiterst discreet en behoedzaam te werk gaan … Is de situatie u in grote lijnen duidelijk?’

Elizabeth Nolan staarde hen een paar minuten argwanend aan. Toen schudde ze haar hoofd en diepte een pakje sigaretten op uit de handtas die op tafel lag.

‘Ik moet even een sigaretje roken.’

‘Natuurlijk’, zei Münster met een hoofdknik.

‘Mijn man? Het gaat dus om mijn man?’

‘Ja.’

‘U wilt hem … van alle blaam zuiveren?’

‘Ja.’

‘Dat is absurd. Hij zou nooit … nee. Als ik uw vragen beantwoord, kunt u hem dan uitsluiten? Gaat het daarom?’

‘Daar gaat het om’, bevestigde Beate Moerk. ‘Het lijkt natuurlijk een schending van uw privacy, maar we beloven dat alles wat u vertelt binnen deze vier muren blijft … tenzij uw man degene is die we zoeken, natuurlijk.’

‘We willen u ook aanraden hem niets van dit gesprek te vertellen’, voegde Münster eraan toe. ‘Maar daar komen we nog op terug.’

Elizabeth Nolan stak haar sigaret op, nam een trekje en ging rechterop zitten.

‘U overvalt me hier nogal mee’, zei ze, nu met iets vastere stem. ‘U moet begrijpen dat dit … ja, ik weet niet goed hoe het op me overkomt. Maar ik zal u maar vertrouwen.’

‘Dat kunt u gerust doen’, zei Münster.

‘Hoelang gaat het duren? Ik heb om half zeven met mijn man afgesproken in een restaurant.’

Beate Moerk keek op haar horloge.

‘Dat lukt wel’, zei ze. ‘Het is nu nog maar twintig voor zes.’

‘Begin maar’, verzocht Elizabeth Nolan. ‘Dan hebben we het maar weer gehad.’

Münster knikte en sloeg zijn notitieboekje open. Beate Moerk haalde diep adem en vouwde haar handen onder de beschutting van de tafel.

‘Christopher Nolan’, zei Münster. ‘Hoelang bent u al met hem getrouwd?’

‘Dertien jaar’, zei Elizabeth Nolan. ‘Sinds 1989.’

‘U bent geboren in Engeland?’

‘Ja.’

‘Waar?’

‘In Thorpe, een dorpje in Cornwall.’

‘Maar u hebt elkaar in Bristol ontmoet?’

‘Ja.’

‘Hebt u kinderen?’

‘Nee.’

‘Bent u eerder getrouwd geweest?’

‘Ja … waarom vraagt u dat? Ik dacht dat het u om Christopher te doen was en niet om mij.’

‘Doet u alstublieft niet moeilijk’, vroeg Beate Moerk haar. ‘Dat werkt sneller. Omdat we u niet kunnen vertellen wat de achtergrond hiervan is, valt de relevantie van onze vragen voor u toch niet vast te stellen.’

‘Ik begrijp van geen enkele vraag de relevantie’, gaf Elizabeth Nolan toe en ze nam een trekje van haar sigaret. Maar vooruit … ja, ik ben een keer eerder getrouwd geweest. Dat huwelijk heeft maar een kleine drie jaar geduurd. Ik was jong, heel jong.’

‘Waar komt uw man vandaan?’ vroeg Beate Moerk.

‘Hij is in de buurt van Londen geboren. In Luton, om precies te zijn.’

‘Wat doet hij?’

‘We hebben samen deze kunsthandel, dat weet u vast wel.’

‘Al zolang u in Kaalbringen woont?’

‘Zo’n beetje wel, ja.’

‘Wat voor werk deed u in Bristol?’

‘Ik was lerares kunstgeschiedenis aan een college. Mijn man had een managementfunctie in een museum.’

‘Wat is uw meisjesnaam?’ vroeg Münster na een korte pauze.

‘Prentice. Maar na de scheiding heb ik de naam van mijn eerste man aangehouden. Bowden.’

‘Dus u heette Elizabeth Bowden toen u uw huidige man ontmoette?’

‘Ja.’

‘Hoe ging dat?’

‘Wat?’

‘Uw kennismaking.’

Elizabeth Nolan zuchtte en keek hen om beurten aan voordat ze besloot te antwoorden. Beate Moerk begon medelijden met haar te krijgen.

‘Dat was op een feest … niets bijzonders. We gingen een paar keer met elkaar uit en … ja.’

Beate Moerk knikte bemoedigend.

‘En wanneer was dat precies?’

Ze dacht na.

‘In december 1988.’

‘En in die tijd woonde u allebei in Bristol?’

‘Ja.’

‘Woonde u daar al lang?’

‘Wie van ons bedoelt u?’

‘Vooral uw man.’

‘Hij woonde daar toen al zeker een jaar of vier, vijf … Ja, sinds begin jaren tachtig. Ik weet het niet precies meer. Hij was hoofd van een van de afdelingen van het museum.’

‘Kende u hem al voordat u hem op dat feest tegenkwam?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Nee. Daar zag ik hem voor het eerst. Het was een kerstdiner bij gemeenschappelijke kennissen.’

‘Was uw man eerder getrouwd geweest?’ vroeg Münster.

Ze maakte de sigaret uit en veegde wat as van haar jurk.

‘Ja. Zo gaat dat tegenwoordig, nietwaar? We leren het pas bij de tweede keer …’

Ze deed een poging tot een glimlach, maar dat wilde niet echt lukken.

‘… Hij was ruim een jaar alleen geweest toen wij elkaar ontmoetten.’

‘Een jaar maar?’

‘Anderhalf misschien.’

‘Had hij kinderen uit zijn vorige huwelijk?’

‘Nee.’

‘Hebt u zijn vorige vrouw ooit ontmoet?’

‘Of ik zijn …? Wat maakt dat nou uit? Waar wilt u eigenlijk heen?’

‘Wilt u zo goed zijn de vraag te beantwoorden?’ vroeg Beate Moerk.

Elizabeth Nolans ogen verloren hun uitdrukking en ze beet op haar lippen.

‘Nee, ik heb haar nooit ontmoet … ik heb alleen een foto van haar gezien. Ze is na de scheiding in Schotland gaan wonen. Met een nieuwe man. Ik begrijp echt niet waar u met uw vragen naartoe wilt.’

Münster leunde achterover en wisselde een blik met Beate Moerk. Ze knikte naar hem dat hij verder moest gaan.

‘Waar wij achter willen zien te komen,’ verklaarde Münster, ‘is of uw man misschien iemand anders is dan hij voorgeeft.’

Elizabeth Nolans mond viel open.

‘Iemand anders?’

‘Ja’, zei Beate Moerk. ‘Dat lijkt misschien een schokkende gedachte, maar we willen er niet omheen draaien. Weet u absoluut zeker dat uw man Christopher Nolan heet, dat hij bij Londen is geboren, en dat hij sinds begin jaren tachtig in dat museum heeft gewerkt?’

Elizabeth Nolan staarde haar aan alsof ze twijfelde aan wat ze hoorde. Of aan brigadier Moerks verstandelijke vermogens. Ze deed haar mond een paar keer open en weer dicht zonder iets te zeggen. Ten slotte slaakte ze een diepe zucht en ze schudde heftig haar hoofd.

‘Wat beweert u in vredesnaam?’ zei ze. ‘Zou Christopher Christopher niet zijn? Ik krijg zo langzamerhand genoeg van dit absurde gesprek.’

‘Kom, kom’, zei Münster. ‘U moet niet vergeten, mevrouw Nolan, dat wij uw man van die lijst willen kunnen strepen. Daar gaat het om.’

Ze knipperde een paar keer verbaasd met haar ogen en vermande zich. Ze haalde weer een sigaret uit het pakje en stak die met trillende vingers op.

‘Sorry. Het is alleen zo absurd … zo volkomen absurd.’

‘In hoeverre bent u op de hoogte van de achtergrond van uw man?’ ging Beate Moerk verder. ‘Weet u bijvoorbeeld wat hij deed voordat u hem in 1988 ontmoette?’

‘Daar weet ik heel veel van’, verklaarde Elizabeth Nolan. ‘We hebben elkaar natuurlijk alles verteld over ons leven.’

‘Natuurlijk’, zei Münster. ‘En u hebt mensen ontmoet die voor hem instaan? Familieleden bijvoorbeeld die zijn informatie kunnen staven?’

Elizabeth Nolan zette haar verontwaardiging opzij en dacht even na.

‘Ik heb zijn moeder ontmoet’, zei ze. ‘Zijn vader is midden jaren zeventig overleden, maar we zijn een paar keer bij zijn moeder op bezoek geweest. In een ziekenhuis in Islington … het voorjaar nadat we elkaar hadden ontmoet, ze is in juni dat jaar overleden. Hij is enig kind.’

Echt niet, dacht Münster strijdlustig. Hij heeft een zus die hij vijf jaar lang heeft misbruikt.

‘En hebt u ook zijn oude vrienden leren kennen?’

‘Jazeker.’

‘Gaat u daar nog steeds mee om?’

‘Ja, maar niet zo frequent. Zoals u misschien is opgevallen wonen we niet meer in Bristol.’

‘Waarom bent u uit Engeland vertrokken?’ vroeg Beate Moerk.

Elizabeth Nolan nam een trekje en leek plotseling kalmer.

‘Waarom doe je dingen in het leven?’ zei ze. ‘We vonden ons werk allebei niet meer leuk. Ik had een erfenisje gekregen. We besloten gewoon om het over een andere boeg te gooien. Eigenlijk benauwde Bristol ons … Heel Engeland benauwde ons, dus, ja, we grepen onze kans. We hadden beiden grote belangstelling voor kunst, daar wilden we ons aan wijden. We staken het Kanaal over en kwamen in Kaalbringen terecht.’

‘Waarom koos u voor Kaalbringen?’

‘Een goede vriend van mij had hier een zomer doorgebracht en had er enthousiaste verhalen over verteld, ja, dat gaf feitelijk de doorslag. We hebben hier een paar maanden op proef gewoond en merkten dat het wel iets voor ons was. Uiteindelijk vonden we ook een mooi huis … en dit pand.’

Ze maakte een vaag gebaar en glimlachte even.

‘Ik begrijp het’, zei Münster. ‘Zegt de naam Jaan G. Hennan u iets?’

Hij had brigadier Moerk een teken gegeven voor hij deze vraag stelde, en hij wist dat ze even scherp oplette hoe mevrouw Nolan reageerde als hijzelf.

‘Hennan?’ zei ze. ‘Nee, dat geloof ik niet … Wie is dat?’

Münster slikte. Niets, constateerde hij. Absoluut niets wat erop wees dat ze loog of dat de vraag haar onzeker maakte. Hij wierp een snelle blik op Beate Moerk en kwam met de volgende naam op de proppen.

‘Verlangen dan? Maarten Verlangen?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Nee. Ik ken een Veramten, maar geen Verlangen.’

‘Weet u dat zeker?’

Ze dacht na.

‘Ja. Mag ik iets vragen?’

‘Ga uw gang’, zei Münster.

‘Van wat voor soort misdrijf verdenkt u deze man? Kunt u dat in ieder geval onthullen?’

‘Waarom vraagt u dat?’ wilde Münster weten.

Elizabeth Nolan leek even te weifelen.

‘Ik … ik weet het niet. Ik zou het gewoon wel willen weten.’

‘Helaas’, zei Münster. ‘Dat moet geheim blijven. Voorlopig in ieder geval wel.’

‘Goed dan’, zei Elizabeth Nolan.

‘Heeft uw man eerder in ons land gewoond?’ vroeg Beate Moerk.

‘Ja. In zijn jeugd heeft hij een paar jaar in de omgeving van Saaren gewoond. Vlak na de oorlog. Maar niet zo oostelijk, dus … hebt u nog veel vragen? Het is al zes uur geweest en ik moet nu toch eens …’

‘Misschien hebben we hier wel genoeg aan’, zei Münster.

‘Nog één detail voordat we weggaan’, merkte Beate Moerk op. ‘We komen misschien nog een keer terug als we aanvullende informatie nodig hebben, maar dat is van later zorg. Maar zoals we al zeiden, we zouden het zeer op prijs stellen als u uw man niets van dit gesprek vertelt.’

‘Natuurlijk kunnen we u de mond niet snoeren’, vulde Münster aan. ‘Dat recht hebben we niet. We gaan ervan uit dat we dit onderzoek binnen twee weken kunnen afsluiten en daarna mag u er gerust met uw man over praten. Maar het zou fijn zijn … nou ja, dat is wel duidelijk.’

‘Ik begrijp het’, zei Elizabeth Nolan verbeten. ‘Dit was uiterst onplezierig, maar ik hoop dat het voor een goede zaak is. Ik zal hem er niets van vertellen.’

‘Dank u wel’, zei Münster. ‘Dan zullen we u niet langer ophouden.’

Hij klapte zijn notitieboekje dicht, waar hij maar een paar regels in had geschreven, en stopte het in de zak van zijn colbertje. Hij stond op en gaf mevrouw Nolan een hand.

Beate Moerk volgde zijn voorbeeld, en toen ze zich op weg naar buiten nog even omdraaide in de deuropening, zag ze haar aan tafel zitten met haar hoofd in haar handen. Het was twintig over zes, maar Elizabeth Nolan leek niet overdreven veel haast te hebben om haar man te zien.

Het havencafé was nog open. Münster vroeg brigadier Moerk of ze een biertje zouden nemen en dat idee sprak haar wel aan.

‘Vraag me niet wat ik denk’, vroeg hij toen hij terugkwam van de bar en de twee glazen op tafel zette. ‘Wat dan ook, maar dat niet.’

Beate Moerk keek hem lichtelijk verbaasd aan en nam een slok.

‘Ik kan wel zeggen wat ik denk’, zei ze.

‘Graag’, zei Münster.

Ze wachtte even.

‘Het zou me verbazen als ze loog.’

Münster reageerde niet.

‘Het zou me daarentegen níét verbazen als blijkt dat Christopher Nolan alleen Christopher Nolan is.’

Münster leunde achterover en keek naar het plafond.

‘Je bedoelt dat de commissaris zich kan hebben vergist?’

Ze gaf niet meteen antwoord.

‘Ik geef je alleen mijn spontane reactie. Wat denk je zelf?’

‘Dat mocht je me nou juist niet vragen’, antwoordde Münster en hij bracht het glas naar zijn mond.

‘Dat is waar ook’, zei brigadier Moerk. ‘In ieder geval, proost, leuk dat je er weer bent.’