40

Tijdens de ochtenduren werd het plan enigszins bijgesteld.

Brigadier Moerk had van haar man (die in de kunstbranche zat en Het Winderhuus een tamelijk suffe bedoening vond) gehoord dat er op dit moment een goed bezochte tentoonstelling was in de galerie, met werk van twee plaatselijke kunstenaars, die volgens dezelfde bron ook nogal suf waren.

Na een paar telefoontjes werd men het erover eens dat Bausen net zo goed zelf met de schilderijen kon gaan leuren, terwijl Van Veeteren in de iets discretere rol van tentoonstellingsbezoeker zou stappen. Als het identificeren net zo vlot verliep als de commissaris had voorspeld, zou hij in ieder geval een uitstekende gelegenheid krijgen om Christopher Nolan van dichtbij te bekijken. En zijn stem te horen. Münster en Rooth hadden het lokaal geïnspecteerd en geconstateerd dat er geen echte scheiding was – niet eens een deur – tussen de galerie en het meer op de commercie gerichte gedeelte waar lijsten, reproducties, ansichtkaarten en allerhande kitsch werden verkocht.

Aspirant Stiller was als eerste ter plaatse. Toen mevrouw Nolan om even na tienen de deuren kwam openen, zat hij al op een strategische plaats in een auto op de grote havenparkeerplaats vlak bij Het Winderhuus. Stiller had de opdracht meteen te bellen zodra de heer Nolan arriveerde. Volgens een theorie van Rooth zou dat ergens rond lunchtijd plaatsvinden en hij bleek voor de verandering de spijker op de kop te hebben geslagen. Exact om half een kwam Christopher Nolan aanrijden in zijn bordeauxkleurige Rover, die hij tien meter van de heel wat bescheidener Fiat van aspirant Stiller parkeerde, hij stak de boulevard schuin over en ging Het Winderhuus binnen. Kennelijk met de bedoeling om zijn vrouw af te lossen en haar de kans te geven te gaan lunchen.

Enkele minuten later kwam ze dan ook naar buiten, een slanke, donkerharige vrouw van in de vijftig, op pumps en in een rood mantelpak. Heel wat verzorgder dan op de foto’s, viel de aspirant op, maar zonder twijfel dezelfde persoon. Ze stak een sigaret op en zette koers naar de Vismarkt. Stiller belde naar het politiebureau, waar Bausen en Van Veeteren achter een schaakbord zaten, vergezeld van vier olieverfschilderijen met een zeemotief.

Het telefoontje duurde vier seconden. Er kwam een meeuw aanzeilen, die op de motorkap van de Fiat ging zitten. De zon scheen.

Operatie G. is begonnen, dacht Stiller. Hij merkte dat hij zo gespannen als een stalen veer achter het stuur zat.

‘Goedendag’, zei Bausen. ‘Ik weet niet of we elkaar al eens hebben ontmoet. Mijn naam is Bausen.’

‘Nolan. Nee, ik geloof het niet.’

Bausen zette zijn onhandige pakket neer en begon de kunst te bevrijden uit het laken waarin hij die had verpakt.

‘Mijn oude tante is van de zomer overleden en ik heb haar kunstschatten gekregen’, legde hij uit. ‘Ik heb er geen plaats voor. Ik dacht dat u ze zou kunnen taxeren en kopen wat u wilt hebben.’

‘Laat maar zien’, zei Nolan en hij hielp met het laken. ‘Je kunt nooit weten.’

Bausen zette de schilderijen omstandig tegen de muur tegenover het bureau van Nolan. Hij begreep opeens waarom hij ze normaal gesproken in een donkere kelder bewaarde, maar rechtte toch zijn rug en keek tevreden.

‘Nou, wat vindt u ervan?’

‘Ja, ja’, zei Nolan en hij streek met zijn hand over zijn goed verzorgde baard. Hij pakte een bril van het bureau en zette die op. De deur ging open en Van Veeteren maakte zijn entree.

‘De tentoonstelling?’ vroeg hij.

Nolan nam hem snel even op over de rand van zijn bril.

‘Die kant op. U kunt gewoon doorlopen. Ga uw gang. De catalogus ligt op tafel.’

Van Veeteren knikte.

‘Hoe laat sluit u?’

‘Om zes uur.’

‘Dank u wel.’

Bausen kuchte om Nolans aandacht terug te krijgen.

‘Niet gek toch? En prachtige lijsten.’

Van Veeteren bleef even naar Bausens schilderijen staan kijken.

‘Wat een prutswerk’, zei hij.

‘Wat zegt u daar?!’ zei Bausen.

Nolan kreeg een geamuseerd trekje om zijn mond.

‘Ik moet het met u eens zijn’, zei hij. ‘Nee, dan hebt u waarschijnlijk meer plezier van de tentoonstelling.’

‘Dat hoop ik’, zei Van Veeteren en hij liep verder het lokaal in.

‘Dat kan toch niet?!’ zei Bausen.

‘Als u de mening van een expert wilt horen, kunt u beter op mijn vrouw wachten’, zei Nolan. ‘Ze heeft nu lunchpauze, maar over drie kwartier is ze er weer.’

‘Ach, nee,’ zei Bausen, ‘laat ook maar. Ik zal ze wel in de tuin verbranden.’

Hij wikkelde de schilderijen weer in het laken en verliet kunstgalerie Het Winderhuus in gespeelde woede.

‘Nou?’ vroeg Münster.

Van Veeteren maakte een onduidelijk hoofdgebaar. Hij plukte een los draadje van de mouw van zijn jasje. Er verstreken drie seconden.

‘Ja, hoor’, zei hij. ‘Het is hem.’

Er volgden weer enkele momenten van doodse stilte, toen liet De Klerk een lange, fluitende luchtstroom ontsnappen.

‘Mooi’, zei hij. ‘We gaan ervoor.’

‘Je citeert’, zei Van Veeteren.

‘Wat?’

‘We gaan ervoor. Dat schreef Verlangen toen hij in april hierheen kwam.’

‘Oei’, zei de politiechef met een licht verwarde blik. ‘Misschien geen goed voorteken?’

‘Wat maken voortekenen nou uit?’ zei Rooth. ‘Dus we hebben met Jaan G. Hennan van doen?’

‘Daar lijkt het op’, zei Van Veeteren.

Hij stak een sigaret op. Blies de lucifer uit en besefte dat de anderen zaten te wachten.

‘Daar lijkt het op’, herhaalde hij langzaam. ‘Maar ik denk dat we zorgvuldig moeten overwegen hoe we de zaak verder moeten aanpakken. Stuit het op bezwaren als Bausen en ik in het vervolg blijven meehelpen?’

De Klerk zocht inderhaast bijval bij zijn collega’s en die kreeg hij.

‘Natuurlijk willen we jullie er graag bij houden’, verklaarde hij. ‘Uiteraard. We zijn er nog lang niet. Uh … we weten nu dat het Verlangen inderdaad om Hennan te doen was hier in de stad, en we hebben hem gevonden. Maar voor de rest …’

‘… weten we nog niet zo veel’, vulde Beate Moerk aan. ‘Hij heeft je toch niet herkend?’

Van Veeteren zweeg even. Toen schudde hij zijn hoofd.

‘Dat kan ik me haast niet voorstellen. Ik heb niets gezien wat daarop wees. Met een bril en een snor kom je in feite een heel eind, als je de voorstelling tenminste niet te lang rekt. Nee, we kunnen er wel van uitgaan dat hij me niet heeft geïdentificeerd.’

‘Maar mij zal hij niet zo gemakkelijk vergeten’, constateerde Bausen.

‘Dat zou niemand snel doen’, zei Beate Moerk en ze glimlachte even. ‘Hoe dan ook, we mogen er dus op rekenen dat Hennan nu nog geen kwaad vermoedt. Klopt dat?’

Van Veeteren knikte.

‘Laten we het hopen’, zei De Klerk. ‘Maar als hij achter de moord op Verlangen zit, en daar gaan we immers van uit, dan moet hij natuurlijk toch alerter zijn geworden sinds we het lichaam hebben gevonden … in ieder geval sinds daar iets over in de krant heeft gestaan. En wij … ja, we hebben nog niet zo veel bewijsmateriaal gevonden in deze zaak. Nee, toch? We kunnen dan wel weten dat hij het heeft gedaan, maar we hebben hem niet echt aan het misdrijf kunnen koppelen.’

‘Nee, nauwelijks’, beaamde Rooth. Wat doen we, met andere woorden? Persoonlijk krijg ik er de kriebels van dat we aldoor zo verdomde discreet moeten zijn. Geef toe dat het fijn zou zijn een ouderwetse huiszoeking uit te voeren en die kerel met een felle lamp in het gezicht te schijnen … ik weet dat hij de vorige keer nergens door uit zijn tent te lokken was, maar misschien is hij in de loop der jaren slapper geworden.’

‘Denk je dat?’ vroeg Münster.

‘Nee’, zei Rooth. ‘Ik zit maar wat te dagdromen, dat snap je toch wel?’

‘Nou ja’, hervatte De Klerk en hij richtte zich tot Bausen en Van Veeteren aan de korte kant van de tafel. ‘Misschien hebben onze meer ervaren collega’s nog ideeën?’

‘Ja, zeker wel’, gaf Bausen toe. ‘Rooth heeft natuurlijk gelijk, en vroeg of laat moeten we onze identiteit prijsgeven … zeggen dat we weten wie hij is en dat we hem verdenken. Maar misschien kunnen we ons beter gedeisd houden en eerst bepaalde naspeuringen doen. Denken jullie niet?’

‘Dat lijkt me een juiste inschatting’, zei Beate Moerk.

‘Wat voor naspeuringen?’ vroeg Stiller.

‘Dat is nou net de vraag’, zei Bausen en hij begon aan zijn nek te krabben. ‘Misschien kunnen we het via zijn vrouw spelen, maar dat bedenk ik nu … ja, ik weet het niet …’

Hij onderbrak zichzelf, maar Münster pakte de draad op.

‘Ik heb ook over haar nagedacht’, zei hij. ‘Moeten we niet proberen wat informatie uit Engeland te krijgen? Als ze hier al tien jaar wonen, dan heeft Hennan haar waarschijnlijk kort nadat hij uit Maardam was verdwenen ontmoet … in ieder geval binnen een jaar of drie, vier. Het zou interessant kunnen zijn om haar iets over zijn achtergrond te vertellen en te zien hoe ze reageert. Als je bedenkt hoe het zijn eerdere echtgenotes is vergaan, is het feit alleen al dat ze leeft een felicitatie waard.’

‘Klinkt logisch’, zei De Klerk. ‘In ieder geval wat je zei over inlichtingen uit Engeland. Met zijn vrouw ligt het natuurlijk iets gevoeliger.’

‘Als we hem niet bang kunnen maken, dan haar misschien?’ opperde Rooth.

‘Sorry’, zei Stiller. ‘Gaan we er nu van uit dat mevrouw Nolan niets weet van Verlangen?’

Rooth wuifde met zijn hand, maar hij had net twee koekjes in zijn mond gestopt en Münster was degene die antwoordde.

‘Dat denk ik’, zei hij. ‘Maar als het niet zo is, is dat een reden te meer om met haar te gaan praten … gewoon, om erachter te komen hoeveel ze weet. Ja, ik ben het met Bausen eens. Onze volgende zet moet een gesprek met haar alleen zijn. Maar Joost mag weten hoe dat moet.’

‘Ik heb nog een vraag’, maakte Stiller van de gelegenheid gebruik. ‘Het appartement van Verlangen in Maardam zou toch doorzocht worden? Hebben we daar een rapport van?’

De Klerk knikte en haalde een blaadje tevoorschijn.

‘Neem me niet kwalijk. Dat was ik in alle haast vergeten. Er is vanmorgen een fax binnengekomen van brigadier Moreno. Hij meldt dat er helaas niets is gevonden.’

‘Zij’, zei Rooth. ‘Het is een vrouwtje. En ze kan goed zoeken.’

‘Aha. Hoe dan ook, het zoeken heeft niets opgeleverd. En ze hebben het grondig aangepakt, schrijft ze.’

‘We konden niet anders verwachten’, zei Münster. ‘Hij zal geen dagboek hebben bijgehouden. Zo verbazingwekkend is dat niet.’

‘Dank u wel’, zei Stiller. ‘Ik vroeg het me gewoon af.’

‘Terecht’, zei de politiechef en hij keek op zijn horloge. ‘Ik stel voor dat we er voorlopig een punt achter zetten. We zijn hier met zijn zevenen bij betrokken, maar ik denk dat het geen kwaad kan als iedereen zelf een paar uurtjes kan nadenken. Stiller en ik nemen contact op met Engeland, eens zien of we iets wijzer kunnen worden … en dan verzamelen we hier om vier uur weer, goed?’

‘Dat is goed’, zei Rooth.

‘En wat Bausen en Van Veeteren betreft …’

‘… die mogen natuurlijk doen wat ze willen’, vulde Bausen aan en hij stond op.

‘Je hebt niet veel gezegd’, constateerde hij toen ze weer in de auto zaten.

‘Ik was in gedachten’, zei Van Veeteren. ‘Ik ben ook een beetje moe, ik heb vannacht slecht geslapen, geloof ik … en er waren genoeg anderen die iets bijdroegen.’

‘Nog geen reden om zelf je mond te houden.’

‘Nee’, zei Van Veeteren. ‘Niet altijd.’

‘Zit je ergens over te piekeren?’

‘In zekere zin.’

‘Waarover?’

‘Over die felle lamp. Of hij echt niet zou doorslaan bij een nieuwe serie verhoren.’

‘Hennan?’

‘Ja.’

‘Je bedoelt dat we hem hard moeten aanpakken?’

Van Veeteren haalde een tandenstoker uit zijn borstzakje en keek er verbaasd naar.

‘Waar komt die nou vandaan? Die dingen gebruik ik al vijf jaar niet meer.’

‘Er schijnen veel dingen van vroeger op te duiken deze dagen’, zei Bausen. ‘Een harde aanpak?’ vroeg hij weer.

Van Veeteren brak de tandenstoker doormidden en gooide de stukjes uit het raam.

‘Ik weet het niet’, zei hij. ‘Ik kan het gewoon niet beoordelen.’

‘Is dat zo?’ vroeg Bausen. ‘Zelf zit ik met iets anders wat ik niet goed begrijp.’

‘Mhm?’ mompelde Van Veeteren. ‘Wat dan?’

‘Waarom ik die rotschilderijen daarheen moest slepen. Jij had Nolan-Hennan ook wel in je eentje kunnen identificeren.’

Van Veeteren keek hem een paar seconden van opzij aan.

‘Dat was toch jouw idee?’ zei hij. ‘Ik vind trouwens dat je je rol met bravoure hebt vertolkt. Heb je acteerambities? Daar heb je geloof ik nog nooit over vert…’

‘Hou je kop’, zei Bausen en hij barstte in een schaterlach uit.