39

Het was half zeven ’s avonds, toen Van Veeteren bij Bausen in diens oude Citroën stapte en ze op huizenjacht gingen. Er was zojuist een regenbui overgetrokken, maar het klaarde alweer op en als er geen nieuwe, geniepige wolkenbanken uit het zuidwesten binnendreven, zouden ze nog een paar uur daglicht tot hun beschikking moeten hebben.

Of op zijn minst schemerlicht. Bausen vond niet dat het veel zin had om in het donker te werken.

‘Wat zei ik je?’ had hij zich laten ontvallen toen hij na het telefoontje van De Klerk had opgehangen. ‘Nog voor de dertiende zet.’

Van Veeteren had zich van commentaar onthouden. Wel had hij zich afgevraagd wat voor motieven Bausen kon hebben om tegenover de teamleiding te verklaren dat hij er vrij zeker van was dat hij het huis op de foto’s herkende, maar dat er een paar mogelijkheden waren die hij wilde checken, om daarna, toen ze alleen waren, toe te geven dat hij niet dacht dat hij dat huis ooit eerder had gezien.

‘Waarom zat je te liegen?’ had Van Veeteren gevraagd.

‘Nou ja, liegen’, had Bausen geantwoord. ‘Ik vond dat we wat beweging nodig hadden, jij en ik. En we vinden dat huis heus wel. Vroeg of laat.’

‘Als het in dit gat staat, dan’, zei Van Veeteren.

‘Nou moet je niet zo moeilijk doen’, zei Bausen.

Hij zette de twee vergrotingen met een klem vast op het dashboard en startte de auto. Van Veeteren hield nog een derde vergroting in zijn handen: een van de vele opnamen van de achterkant van het huis, eentje waarop het gezicht van de man het duidelijkst te zien was. Toen hij de foto een uur geleden in handen kreeg, had hij de korrelige gelaatstrekken meteen bestudeerd, maar hij kon niet bepalen of het Jaan G. Hennan was of niet.

Misschien, misschien niet.

Maar als ik hem in levenden lijve zie, dacht hij, dan ben ik er binnen een halve seconde achter.

‘Ik denk dat we uit twee wijken kunnen kiezen’, legde Bausen uit. ‘Rikken en Wassingen. Dat zie je aan het soort huis, het is niet bepaald een arbeiderswoninkje.’

‘Duidelijk niet’, zei Van Veeteren. ‘Heb je nagedacht over de positie van de fotograaf? Ik denk dat die ons iets zou kunnen zeggen.’

Bausen knikte.

‘Jazeker. Het lijkt erop dat hij aan de achterkant tamelijk ongestoord kon fotograferen. Dat kan erop wijzen dat het perceel aan bos of iets van een natuurgebied grenst. Dat idee krijg je bij de foto’s van de voorkant ook. Nou, we zullen het wel zien. Kijk goed om je heen, we beginnen met Wassingen.’

De villawijk Wassingen lag aan de zuidoostrand van Kaalbringen. Een gespreide bebouwing met statige eigen huizen die hoofdzakelijk uit de jaren veertig en vijftig stamden. Al met al een honderdtal villa’s op royale percelen, waarvan vele grensden aan het langwerpige stuk loofbos dat zich langs tweederde van de wijk uitstrekte.

De Oosthoningerweg liep van oost naar west door de hele bebouwing, met zijstraatjes die flauwtjes noord- en zuidwaarts afbogen, en het kostte Van Veeteren en Bausen ruim een half uur om overal langs te kruipen. Hier en daar bleven ze staan om een huis te vergelijken met de foto van Verlangen en twee keer werden ze belaagd door een loslopende boxer die nodig moest plassen (rechterachterwiel en linkervoorwiel, tenminste het leek hun dat het dezelfde hond was, maar in twee verschillende straten), maar toen ze klaar waren, konden ze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststellen dat de overleden privédetective Maarten Verlangen die foto’s vijf maanden geleden niet hier in Wassingen had liggen (staan? zitten?) maken.

‘Het is nog maar kwart over zeven’, zei Bausen met een blik op zijn horloge. ‘We kunnen ook nog naar Rikken voordat het donker wordt.’

‘En als we het daar ook niet vinden?’ vroeg Van Veeteren, terwijl hij het zijraampje naar beneden draaide en een sigaret opstak. ‘Wat gaan we dan doen?’

‘Het staat in Rikken’, besloot Bausen. ‘Dat voel ik aan mijn water.’

Twintig minuten later kon Van Veeteren constateren dat Bausen gelijk had gehad met zijn optimistische bewering.

Hij kon ook constateren dat hij niet te oud was om hartkloppingen te krijgen. Bausen zette de motor af en kuchte.

‘Daar hebben we het. Geen twijfel mogelijk toch?’

Nee, er was nauwelijks ruimte voor twijfel. De voorkant van het solide, bruine bakstenen huis was identiek met dat op de foto. De lage stenen muur aan de straatkant ook. Evenals de uitbouw van de garage, die je maar vaag zag op de foto, en het uitstekende dak boven de voordeur. De twee gesnoeide vruchtbomen aan de voorkant stonden nu weliswaar in blad, terwijl ze in april nog zo goed als kaal waren geweest, maar het waren wel degelijk dezelfde bomen.

Dit was het huis. Geen twijfel mogelijk. Van Veeteren merkte dat de hartkloppingen werden gevolgd door een droge mond, en hij wou dat hij zijn zonnebril bij zich had en een hoed met een brede rand om over zijn voorhoofd te trekken. Voor het geval dat.

‘Hoe heet deze straat?’ vroeg hij.

Bausen schudde zijn hoofd.

‘Dat weet ik niet, we moeten zo maar even kijken. Het huisnummer is in ieder geval veertien … er lijkt niemand thuis te zijn, maar dat weet je natuurlijk nooit.’

‘Rij maar door’, zei Van Veeteren. ‘We kunnen hier niet blijven staan.’

‘Oké. Daar op de hoek is een naambordje.’

Hij startte de auto weer en ze reden weg.

‘De Wackerstraat’, constateerde Van Veeteren toen ze bij de kruising kwamen. ‘Wackerstraat 14. Dan weten we dat ook weer.’

Bausen gebaarde met zijn hand.

‘Het stadspark ligt hier vlak achter. Dan heeft Verlangen daar beschutting gezocht. Net als ikzelf indertijd … hrrm. Wat doen we nu?’

Van Veeteren dacht even na.

‘Naar het bureau bellen’, zei hij. ‘Zij moeten maar uitzoeken wie daar woont. Misschien willen ze wel meebeslissen over de volgende stap.’

‘Zou je denken?’ vroeg Bausen. ‘Ja, we zullen hen wel moeten informeren.’

‘Zullen wel moeten?’ vroeg Van Veeteren. ‘Waarom zeg je dat?’

Maar Bausen gaf geen antwoord.

‘Ga je gang, Stiller’, zei De Klerk. ‘Jij hebt de gegevens verzameld, dan moet je ze ook maar presenteren. Sorry dat we hier zo hutjemutje op elkaar zitten, trouwens, maar we zijn anders nooit met zo veel, en dit is, zoals jullie weten, de grootste kamer die we hebben.’

De politiechef had wel gelijk met zijn opmerkingen. Hoewel het na tien uur ’s avonds was, hadden alle betrokkenen gehoor gegeven aan de oproep. De vaste krachten: Moerk en Stiller. De rechercheurs uit Maardam: Münster en Rooth. De beide ex-commissarissen: Bausen en Van Veeteren.

En De Klerk zelf. Ze waren dus met zijn zevenen. Het klopte wat iemand laatst had gezegd: over gebrek aan mankracht hadden ze in deze zaak niet te klagen.

De politiechef bedacht dat als die verlopen privédetective nu vanuit de hemel op hen neerkeek – of vanaf die andere plek naar hen opkeek – hij toch echt zijn wenkbrauwen zou fronsen bij de heisa die zijn overlijden had veroorzaakt. Werkelijk.

Hij wrong zich op zijn plaats en knikte Stiller bemoedigend toe.

‘Ja, dus’, begon de aspirant. ‘Het is allemaal niet zo bijzonder. Ze wonen hier al tien jaar en alle gegevens zijn bij de belastingdienst bekend. Christopher en Elizabeth Nolan, dus. Eigenaars van galerie annex kunsthandel Het Winderhuus aan de Havenboulevard. Ze zijn in 1992 in de stad komen wonen en zijn het jaar daarop met hun activiteiten begonnen. Ze zijn inmiddels goed ingeburgerd, kun je wel zeggen. Ze komen uit Bristol, in Engeland. Hij is drieënzestig, zij eenenvijftig. Het Winderhuus is waarschijnlijk vooral de zaak van mevrouw Nolan, ze zijn met een boel geld hierheen gekomen en bezitten nog steeds een vermogen, ook al heeft de kunsthandel de afgelopen jaren verlies gedraaid …’

‘Daar gaat de belastingdienst in ieder geval van uit’, kwam Beate Moerk ertussen.

‘Ja, deze gegevens zijn voornamelijk van hen afkomstig’, beaamde Stiller. ‘Het echtpaar Nolan heeft geen kinderen, het pand aan de Wackerstraat hebben ze in 1995 gekocht, de eerste jaren hebben ze in een appartement aan het Romnerspark gewoond. Er is niets bekend van eventuele malafide praktijken. Integendeel, ze hebben allebei jaarlijks een vermogen aangegeven sinds ze hier zijn gekomen … ja, dat ben ik dus te weten gekomen.’

‘Een kunsthandel?’ mompelde Rooth. ‘Dat moet een goede branche zijn voor witwaspraktijken.’

‘Misschien wel’, zei Münster. ‘Maar Christopher Nolan? Ik weet niet wat ik moet geloven …’

‘Ahum’, zei Bausen en hij liet zijn blik langs het hele gezelschap gaan. ‘Als ik het mag zeggen, het heeft voorlopig weinig zin om wat dan ook te geloven. Of deze man is identiek met Jaan G. Hennan, of hij is alleen identiek met Christopher Nolan. Zolang we dat niet hebben uitgezocht, kunnen we alle theorieën in de ijskast zetten. We hoeven nu toch nog niet te speculeren?’

‘Misschien niet’, zei de politiechef en hij glimlachte enigszins geforceerd. ‘En hoe moeten we dat onbeduidende detail aanpakken? Wie, o wie?’

Het was een paar seconden stil. Toen kuchte inspecteur Münster.

‘Eén mogelijkheid is natuurlijk om erheen te gaan en hem te verhoren. Of in ieder geval met hem te praten. Maar ik weet niet of dat in dit geval wel de juiste methode is.’

‘Het lijkt mij een oerstomme methode’, zei Rooth. ‘We mogen niet zo naïef zijn dat we open kaart spelen tegenover zo’n ellendeling als Hennan.’

‘We weten niet of het Hennan is’, merkte Stiller op.

‘Nog minder reden om open kaart te spelen. In ieder geval niet meteen. In mijn bijbel staat duidelijk dat we in deze situatie met bluf moeten beginnen. Een reuzenbluf.’

‘Ja, dat denk ik ook’, gaf brigadier Moerk toe. ‘We kunnen geen eerlijk gesprek met hem voeren zolang we niet weten of we met G. te maken hebben of niet. Het zou een enorme blunder zijn om te verraden dat we iets vermoeden.’

‘Mee eens’, zei Münster. ‘Hij is niet van gisteren, dat is de vorige keer wel gebleken. We moeten behoedzaam te werk gaan.’

‘Is er iemand die hier anders over denkt?’ vroeg De Klerk en hij keek de tafel rond.

Niemand had een afwijkende mening. Van Veeteren en Münster keken elkaar aan. Van Veeteren leek iets te willen zeggen, maar bedacht zich en haalde zijn sigarettenroller tevoorschijn.

‘Dan hoeven we alleen nog maar te beslissen hoe we het zullen aanpakken’, ging De Klerk verder. ‘Wie van ons zou Jaan G. Hennan het best kunnen identificeren?’

De vraag was zo retorisch dat Van Veeteren zijn sigarettenroller bijna op de grond liet vallen. Bausen lachte kort.

‘Alsjeblieft, zeg’, zei hij. ‘Het lijkt wel of jullie al besloten hebben dat de vrolijke amateurs maar aan het werk moeten. Maar natuurlijk, het is alleen maar goed als Van Veeteren als eerste aan zet komt … Jij zou hem toch herkennen, nietwaar? Dat beweerde je in ieder geval een uur geleden nog.’

Van Veeteren stopte zijn sigarettenroller weer in de zak van zijn colbertje en vouwde zijn handen voor zich op tafel.

‘Vermoedelijk wel’, zei hij. ‘Dat beeld ik me in ieder geval in. Maar ik verbeeld me dat Hennan mij waarschijnlijk ook zal herkennen. We moeten dus wel besluiten of dat een voordeel of een nadeel zou zijn.’

‘Je gaat ervan uit dat jullie oog in oog zouden moeten komen te staan?’ vroeg Beate Moerk.

Van Veeteren fronste zijn voorhoofd.

‘Dat hoeft misschien niet’, gaf hij toe. ‘Maar ik bereid me erop voor dat het er vroeg of laat van zal komen. Als hij het is.’

Beate Moerk glimlachte even.

‘Ik begrijp het bijna’, zei ze. ‘A man’s gotta do what a man’s gotta do?’

‘Hrrm’, ja’, mompelde de commissaris. ‘Zoiets, misschien. Maar hoe moeten we dat in eerste instantie dan regisseren? Het lijkt me niks om achter die man aan te sluipen totdat hij een keer omkijkt.’

Bausen had een poosje in zijn nek zitten krabben.

‘Zo melodramatisch hoeft het niet’, constateerde hij. ‘We kunnen het zo doen. Ik geef je een paar oude schilderijen, daar ga je mee naar Het Winderhuus op een moment dat Mr. Nolan daar ook is en je probeert ze te slijten. Met of zonder valse baard.’

‘Plompverloren?’ zei Van Veeteren.

‘Plompverloren’, zei Bausen.

Of het nu door het late uur kwam, of dat het een andere oorzaak had, maar drie kwartier later lag er nog steeds geen beter voorstel op tafel.

Ergens rond half twee, vlak voordat hij in slaap viel, kwam er een nieuwe gedachte bij Van Veeteren op. Een die hem niet aanstond.

Als, besefte hij, áls Christopher Nolan werkelijk identiek was met Jaan G. Hennan, dan moest dat betekenen – volgens de gegevens die aspirant Stiller zo voorbeeldig had ingewonnen en gepresenteerd – dat hij ten tijde van de zaak van de bijlmoordenaar negen jaar geleden hier ook was geweest.

Dat was een heel onplezierig besef.

Ik vraag me af hoe ik zou hebben gereageerd als ik dat had geweten, dacht Van Veeteren. Misschien had dat het onderzoek zelfs kunnen beïnvloeden.

En toen hij vervolgens insliep, begon hij meteen te dromen dat hij vermomd als kerstman, met een enorme witte baard, door een groot kunstmuseum sloop en druk bezig was een aantal van de duurste en beroemdste kunstwerken ter wereld uit hun lijst te snijden. Hij herkende Guernica, Het laatste avondmaal en de zonnebloemen van Van Gogh.

Dat was al onplezierig, maar het werd algauw nog erger. De schilderijen en de kerstmanbaard waren als sneeuw voor de zon verdwenen, en in plaats daarvan wandelde hij over een lang, verlaten strand. Op weg naar zijn eigen dood, kennelijk. Dat bleek uit een rij geel met zwarte, verroeste borden die op regelmatige afstanden van elkaar in het zand gestoken waren. De aangegeven afstand werd steeds kleiner en hoe ingespannen hij ook spiedde, hij zag niemand die hem kon helpen om te keren … niemand.

Toen hij de volgende ochtend wakker werd, kon hij absoluut niet begrijpen dat hij zeven uur had geslapen.

Het leken eerder zeven minuten.