38

‘Wegens vakantie gesloten!’ zei Stiller. ‘Dat hebben wij weer.’

Beate Moerk keek naar het briefje op het raam.

‘Maandag gaan ze weer open’, las ze. ‘Inderdaad, dat moet ons weer overkomen. Hm.’

‘Wat doen we nu?’ vroeg Stiller.

Beate Moerk dacht twee seconden na.

‘Volgens mij heet de eigenaar iets van Baagermaas. En alleen omdat hij vakantie heeft, hoeft hij nog niet in Burkina Faso te zitten.’

‘In Burkina Faso?’ vroeg Stiller.

‘Of op Mallorca, of de Maldiven’, ging Beate Moerk verder. ‘We zoeken hem op in de telefoongids en bellen hem.’

‘Oké’, zei Stiller en hij toetste het nummer van het politiebureau in op zijn mobiel.

Een minuut later kregen ze zijn nummer door van juffrouw Miller, die er bovendien bij vertelde dat de naam Maagerbaas was en niet andersom. Hij toetste het in en na anderhalf signaal werd er opgenomen.

‘Hallo.’

‘Erwin Maagerbaas?’

‘Ja.’

‘U spreekt met de politie. Bent u over een kwartier thuis?’

‘Wat? Uh … ja, ik ben thuis. Waar gaat het over?’

‘Routinekwestie. Uw adres is Oostwerdingerlaan 32?’

‘Ja … jazeker.’

‘Mooi, dan zijn we zo bij u’, zei Stiller en hij beëindigde het gesprek.

Hij groeit in zijn uniform, dacht Beate Moerk, terwijl ze het portier opende.

Het leek er niet op dat Erwin Maagerbaas zijn vakantie op Mallorca of in Burkina Faso had doorgebracht. Eerder in een kuil in het bos. Hij was grauw in zijn gezicht en hij maakte helemaal een deerniswekkende indruk toen hij hen binnenliet in zijn appartement aan de Oostwerdingerlaan. Hij moest ook meteen drie keer hoesten en legde uit dat hij een paar dagen ziek in bed had gelegen. Maar hij was aan de beterende hand en zou dus wel een paar vragen kunnen beantwoorden. Waar ging het om?

Beate Moerk haalde de foto van Verlangen tevoorschijn en overhandigde hem die.

‘Herkent u deze man?’ vroeg ze. ‘We hebben reden om aan te nemen dat hij uw fotozaak heeft bezocht.’

Maagerbaas zette een bril met schildpadmontuur op en bestudeerde de foto nauwkeurig.

‘Nja’, zei hij. ‘Het zou kunnen … ik heb het idee dat ik hem ergens van ken, maar ik weet het niet zeker.’

‘Het is nogal belangrijk voor ons, dat begrijpt u wel’, zei Stiller.

‘O. Ja, ik heb vrij veel klanten. Wanneer moet het geweest zijn? Ik ben vanaf half augustus gesloten geweest.’

‘Dat weten we’, zei Moerk. ‘Ja, dit is al wat langer geleden geweest. In april.’

‘In april?’ barstte Maagerbaas uit en hij begon te hoesten. ‘Hoe moet ik me een klant herinneren die een half jaar geleden bij me in de winkel is geweest? Het is in ieder geval geen vaste klant, dat kan ik wel zeggen. Waar kwam hij voor?’

‘Hij heeft waarschijnlijk een fotorolletje ingeleverd dat hij wilde laten ontwikkelen’, zei Stiller. ‘En dat weer opgehaald.’

‘Waarom zoekt u hem?’

Moerk wisselde een blik uit met haar collega.

‘Hebt u de krant niet gelezen?’ vroeg ze. ‘Afgelopen maandag heeft er een opsporingsbericht voor hem in gestaan.’

‘In Het Journaal?’

‘Ja.’

‘Ik ben een paar weken weggeweest. Ik ben gisteren pas teruggekomen.’

‘Juist’, zei Beate Moerk. ‘Dus u kunt niet vaststellen of deze persoon bij u is geweest of niet?’

Maagerbaas haalde zijn schouders op en niesde nog een keer.

‘Nee.’

Stiller kuchte.

‘Vraagje. Als hij in april een fotorolletje heeft ingeleverd, zou het dan mogelijk zijn dat na te gaan?’

Maagerbaas zette zijn bril af, blies er een paar keer op en stopte hem in een bruine brillenkoker.

‘Ja’, zei hij. ‘In dat geval zit het in de computer, maar …’

‘Prachtig’, zei Beate Moerk. ‘Gaat u met ons mee, dan kunnen we het meteen uitzoeken.’

‘Nu?’ vroeg Maagerbaas met een blik alsof hij daar geen zin in had.

‘Onmiddellijk’, verklaarde Stiller. ‘Het gaat om moord, meneer Baagermaas, dat zeiden we toch al?’

‘Maagerbaas’, verbeterde Moerk.

Tien minuten later stonden ze opnieuw bij FotoBlix in de Hoistraat, dit keer binnen. Erwin Maagerbaas zette de computer aan en vroeg hen plaats te nemen.

‘Het is een oudje’, legde hij uit. ‘Het opstarten duurt altijd even. Hoe heet hij?’

Beate Moerk besefte dat ze niet eerder over dat probleem had nagedacht.

‘Probeer het eens met Verlangen’, zei ze.

Maagerbaas moest nog even wachten voor hij de naam kon intikken.

‘Niets’, zei hij. ‘Helaas.’

‘Sommers’, zei Stiller. ‘Probeer het eens met Henry Sommers.’

Maagerbaas keek hen even verbaasd aan, maar deed wat hem was gevraagd.

Een kans van een op de duizend, dacht Beate Moerk somber, terwijl hij de toetsten indrukte. Op z’n best.

‘Warempel’, zei Maagerbaas rochelend. ‘Ja, hier staat een Sommers. Op 15 april, kan dat kloppen?’

Beate Moerk liep snel om de toonbank heen en keek op het scherm.

‘Dat klopt precies’, zei ze. ‘Wat houdt dit in? Dat hij hier een fotorolletje heeft ingeleverd?’

‘Ja’, zei Maagerbaas en hij bestudeerde de gegevens nader. ‘Ingeleverd, inderdaad, maar niet …’

‘Wat niet?’

‘Hm. Hij heeft de foto’s niet opgehaald.’

‘Niet opgehaald?’

Het duurde drie seconden voor ze doorhad wat dat betekende. Of kón betekenen. Stiller was duidelijk een paar tienden van seconden sneller, want hij riep uit: ‘Wat zegt u daar? Heeft hij de foto’s niet opgehaald? Houdt dat in dat ze …’

‘Hier nog zijn?’ vulde Beate Moerk aan.

Maagerbaas snoot omstandig zijn neus.

‘Waarschijnlijk wel, ja. Ik bewaar ze altijd ongeveer een jaar, soms zijn klanten ze vergeten … dan bellen we om hen eraan te herinneren … ik of mijn assistent. Maar dat heeft in dit geval kennelijk niet geholpen. Hij heeft trouwens ook geen telefoonnummer achtergelaten.’

‘Waar?’ vroeg Stiller. ‘Waar hebt u de foto’s?’

‘Waar?’ zei Erwin Maagerbaas. ‘Tja, die zullen wel in mijn kantoor liggen, neem ik aan. Ik heb een kast vol foto’s die niet zijn opgehaald. Wilt u misschien …?’

‘Dat willen we absoluut’, zei Beate Moerk. ‘Reken maar.’

‘Goh, ja’, merkte politiechef De Klerk ruim een uur later op. ‘Vierentwintig foto’s die door het slachtoffer zelf zijn genomen, dit zou een doorbraak moeten betekenen. Maar wat moet je hier nou mee?’

De foto’s lagen verspreid over de tafel in de vergaderkamer en de aanwezigen zaten er al een hele poos naar te staren. Stuk voor stuk. Inspecteur Münster en brigadier Rooth. De politiechef zelf en Moerk en Stiller, die een half uur geleden met het materiaal waren gekomen. Elke afzonderlijke foto was de kring rondgegaan. Van hand tot hand. Vierentwintig stuks. Ze hadden ze allemaal zorgvuldig bekeken. Niemand had ‘aha!’ geroepen of het woord ‘doorbraak’ gebruikt voordat de politiechef het in zijn mond nam.

Het probleem was het onderwerp van de foto’s.

Een huis.

Steeds hetzelfde.

Op elke ‘klotefoto’, om met brigadier Rooth te spreken.

Een vrij grote bungalow, om precies te zijn. Vanuit verschillende hoeken gefotografeerd, welgeteld vier. De voorkant van het huis was vanuit twee posities gefotografeerd en de achterkant eveneens. Op de overgrote meerderheid van de foto’s, negentien stuks, was de achtergevel van het huis te zien, een stuk van het gazon, twee knoestige vruchtbomen, waarschijnlijk appelbomen, een aantal struiken, waarschijnlijk berberissen, een groot terras met een tafel en vier groene stoelen. De gevel was opgetrokken uit roodbruine baksteen en het dak was met donkere leisteen gedekt. Münster dacht dat het huis uit de jaren vijftig of zestig stamde en dat werd door niemand betwist. Op een aantal foto’s stonden mensen, een man en een vrouw. De man stond er vijf keer alleen op, de vrouw twee keer, en er waren zes foto’s waar ze allebei op stonden. Ze droegen op elke foto dezelfde kleren en het leek zeer waarschijnlijk dat alle foto’s op dezelfde dag waren gemaakt. Ook binnen vrij korte tijd, een uur of zo, aan de lichtval en de schaduwen te zien.

Ten aanzien van de vraag wat voor camera er was gebruikt, had De Klerk geopperd dat het waarschijnlijk om een eenvoudig toestelletje ging. De afstand van de twee posities aan de achterkant van het huis was steeds gelijk, naar schatting zo’n vijfentwintig meter. Er was niet ingezoomd, de gelaatsuitdrukkingen van de man en de vrouw waren moeilijk af te lezen, hun gezichten waren niet erg duidelijk te zien.

Voorzover je je daar een beeld van kon vormen, leek de man iets ouder dan de vrouw. Hij had grijswit haar en een kort baardje in dezelfde tint, en hij was waarschijnlijk tussen de zestig en de zeventig jaar oud. Hij droeg een donkere broek en een licht overhemd met opgestroopte mouwen. De vrouw ging op alle foto’s gekleed in een spijkerbroek en een zwarte trui met lange mouwen en ze had haar donkere haar in een simpele paardenstaart bijeengebonden. Op de meeste foto’s stonden of zaten ze buiten op het terras. De zon scheen en er stonden koffiekopjes en een thermoskan op tafel en er lagen een paar kranten en boeken. Op drie van de foto’s had de vrouw een sigaret in haar hand. Op twee ervan droeg de man een bril.

Dat was alles.

‘Die eikel heeft een huis op de gevoelige plaat vastgelegd’, constateerde Rooth. ‘Vierentwintig keer! Schitterend detectivewerk, die lof moet ik hem toezwaaien. Als hij niet dood was, zouden we hem meteen weer in dienst moeten nemen.’

‘Ja, ik weet niet wat we hieraan hebben’, zei De Klerk.

‘Weten jullie zeker dat jullie het niet kennen?’ vroeg Münster. ‘Het huis, dus?’

De Klerk schudde zijn hoofd.

Moerk en Stiller schudden hun hoofd.

‘Helaas’, zei Moerk. ‘Ik geloof het niet. Het lijkt nogal luxe … maar we weten ook niet zeker of het in Kaalbringen staat. Of wel?’

‘Natuurlijk staat het in Kaalbringen’, zei Rooth. ‘Verlangen zou toch niet naar Kaalbringen gaan als hij een huis in Hamburg op de foto wilde zetten? Of in Sebastopol?’

‘Nee, nee’, zei de politiechef en hij trok peinzend aan zijn neus. ‘Rooth zal wel gelijk hebben. Maar wat zeggen jullie van de man op de foto’s? Zou dat Hennan kunnen zijn?’

Münster wierp een blik op Rooth voor hij antwoordde.

‘Zou best kunnen’, zei hij. ‘Waarom niet? Het kan op zich iedereen zijn, maar als dit gefotografeer enig nut moet hebben gehad … in dit verband … dan zou ik gokken dat het inderdaad Jaan G. Hennan is. Wie die vrouw is, zou ik niet weten, maar laten we zeggen dat het zijn huidige echtgenote is.’

‘O jee’, zei Beate Moerk. ‘Stoutmoedige conclusies, dat moet ik wel zeggen. Maar oké, als we in ons achterhoofd houden dat het misschien niet klopt, waar komen we dan? Als Hennan echt in een huis ergens in Kaalbringen woont, dan heeft hij daar toch het volste recht toe?’

‘Niet als hij Verlangen door het hoofd heeft geschoten’, zei Rooth en hij haalde iets uit de zak van zijn jasje wat wel een halve Mars leek. ‘Dan mag hij de eerste tien jaar niet zelf zijn verblijfplaats kiezen. Hoewel ik niet begrijp … deze foto’s zijn toch niet het bewijsmateriaal waar hij het over had? Tenzij hij helemaal gestoord was. Verlangen dus.’

‘Misschien was hij dat wel’, verzuchtte Münster. ‘Je zou het haast gaan denken.’

‘Hij is vermoord omdat hij iets wist’, bracht De Klerk in herinnering.

‘Of omdat iemand dacht dat hij iets wist’, verbeterde Stiller hem voorzichtig.

Beate Moerk stond op en ging voor het raam staan. Ze kruiste haar armen over haar borst en keek uit over de Kleinmarckt.

‘Dat denken we, ja’, zei ze peinzend. ‘Dat maken we onszelf wijs omdat het in onze kraam te pas komt. Maar stel je voor dat hij door een andere gek is doodgeschoten … iemand die geen klap te maken heeft met Jaan G. Hennan. Dat is in feite heel goed mogelijk.’

Rooth frommelde het Marspapiertje op tot een bal en mikte. De prop landde een halve meter naast de prullenbak.

‘Dat is plan B’, verklaarde hij. ‘Misschien heb je helemaal gelijk, maar laten we nog een tijdje doorgaan met plan A. Goed?’

Politiechef De Klerk dacht even na. Vervolgens knikte hij en hij begon de foto’s op te stapelen. Stiller raapte de prop op en vroeg of Rooth nog een poging wilde wagen. Rooth schudde zijn hoofd.

‘Zoals gezegd’, zei De Klerk. ‘Ik ben er ook nogal sceptisch over of dit wel ergens toe leidt, maar we kunnen het traject net zo goed tot het eind toe volgen … neem ik aan.’

‘Wat gaan we dan precies doen?’ vroeg aspirant Stiller en hij keek de tafel rond.

‘Heeft iemand een voorstel?’ vroeg De Klerk en hij keek de collega’s een voor een aan.

‘Er zit waarschijnlijk maar één ding op’, zei Beate Moerk. ‘Het huis identificeren. Dat moet eerst.’

‘Hoe?’ vroeg De Klerk. ‘Moeten we allemaal onze auto pakken en rondjes rijden totdat we het hebben gevonden?’

Er volgde een stilte van enkele seconden, waarin iedereen die mogelijkheid leek te overwegen.

‘Nja’, zei Beate Moerk. ‘Dat zou op zich kunnen werken, maar ik denk dat er een snellere methode is.’

‘Welke dan?’ vroeg Stiller.

‘Er moeten mensen zijn die beter in staat zijn dan wij om huizen in deze stad te identificeren. Toch?’

‘Vermoedelijk wel, ja’, mompelde de politiechef. ‘Maar ik ben geen voorstander van een oproep aan de burgers. We wilden er immers geen ruchtbaarheid aan geven, hadden we besloten. Heb je een specifieke persoon in gedachten die ons van dienst zou kunnen zijn?’

‘Ja’, zei Beate Moerk. ‘Ja, één naam komt bij me op. Hij is in de zeventig en woont al zijn hele leven hier in Kaalbringen. Hij kent het als zijn broekzak.’

‘Wie dan?’ vroeg aspirant Stiller nieuwsgierig.

‘Bausen’, zei Beate Moerk en ze zette het raam open. ‘De vorige politiechef. Ik denk dat het tijd wordt dat we wat frisse lucht binnenlaten en een partijtje schaak onderbreken.’