37

Van Veeteren wandelde over het strand.

Schaduwen, dacht hij. Ik maak jacht op schaduwen uit het verleden.

In ieder geval op één schaduw. Waarom wil ik dit per se afsluiten? vroeg hij zich af. Waarom schreeuwen die vragen om een antwoord, waarom moet mijn blazoen worden opgepoetst en moeten de schandvlekken worden weggeveegd?

Oppoetsen of wegvegen. Dat was natuurlijk een verschil.

Joost mag het weten, dacht hij en hij stak een sigaret op. Soms bijten dingen zich zonder reden vast. Dat komt door de werking van onze hersenen.

De zon stond nog laag, hij was vroeg opgestaan en had Bausen niet wakker willen maken. Hij had alleen een kop koffie gezet in de keuken en was naar het strand gegaan. Een paar minuten voor half acht was hij daar aangekomen, hij had een fles mineraalwater gekocht in de kiosk bij de jachthaven en was oostwaarts gaan lopen. Een uur heen en een uur weer terug, besloot hij. Als je beweegt, kun je beter denken.

Het strand zag er net zo uit als in zijn herinnering. Of als zijn herinnering aan zo veel andere stranden waar hij in zijn leven over had gewandeld. Zee, lucht, aarde … Een dertig meter brede, grijswitte strook die naar de uitstekende landtong onder Orfmanns Punt liep. Zo heette het daar toch? Het restaurant daarboven, Fisherman’s Friend, hing dramatisch op de rand, maar je zag het bijna niet; het hele klif en ook het vervolg van de hoge kustlijn verdween in de ochtendnevel, evenals de volgende bocht in de buurt van Wilgersee. Er hingen vogels boven het strand en verderop boven het land. Een dun, wit wolkendek versluierde de zon, maar het licht was fel. Hij haalde zijn zonnebril uit zijn borstzakje en zette die op. Het beloofde weer een warme dag te worden.

Dit is mijn laatste zaak, bedacht hij opeens. Onherroepelijk.

Mijn laatste bijdrage aan het werk dat mijn leven heeft gedomineerd. De jacht op moordenaars.

Hij besefte dat het echt zo was. Ongeacht het resultaat. Ongeacht of het zou lukken om G. te vinden met behulp van het vage spoor dat Verlangen had achtergelaten.

Ongeacht of ze iets zouden bereiken of niet. Zo was het. Zijn laatste zaak.

Eindelijk, zou je kunnen zeggen. Het was bijna een bevrijding op een ochtend als deze. Hij keek uit over het water. Lome, korte golfjes en nauwelijks wind. Hij herinnerde zich dat deze zee de vorige keer ook zo’n aantrekkingskracht op hem had uitgeoefend. Hij had precies hetzelfde stuk gelopen als nu en de tekenen geduid: wind uit de verkeerde hoek en golven waar geen leven in zat. Natuurkrachten die het spaak lopende onderzoek spiegelden en dergelijke hoogdravende gedachten. Twijfels. Zijn eeuwige twijfels.

Nu was er weer iets waar hij niet uit kwam. Hij wist niet of hij er goed aan had gedaan om hier terug te komen. Het besluit was zo genomen, maar dat had meer met gevoel dan met verstand te maken. Als je die twee tenminste echt kon scheiden.

In Maardam was dat besluit gemakkelijk genomen. Toen hij eenmaal hier was, kreeg hij last van het onderhuidse gevoel dat hij iets pretendeerde. Münster en Rooth waren hier immers al om de moord op Verlangen op te lossen, en dat Beate Moerk haar mannetje stond wist hij allang.

Dus wat deed hij hier eigenlijk? Had hij niet in ieder geval moeten wachten totdat ze een spoor van G. hadden gevonden? In de huidige situatie kon hij niets uitrichten wat het rechercheteam niet even goed kon doen. Of beter, die waarheid moest hij onder ogen zien.

Hij had gisteren verzuimd contact met hen op te nemen. Hij had alleen Bausen laten doorgeven dat hij er was, en hij wist dat hij ook vandaag geen voet in het politiebureau zou zetten. Tenzij iemand hem uitdrukkelijk uitnodigde, dan was het wat anders.

Ik ben weer privéspeurder, dacht hij somber. Een oude ex-commissaris die in het verloren leven van een ex-privédetective zit te wroeten. Het is me wat. Om de enige echte mislukking uit zijn carrière op te lossen. Zielig?

Misschien wel. Het had wel iets treurigs, dat voelde hij duidelijk op een ochtend als deze, maar wat moest hij? Hij kon verdorie niet slapen vanwege die verdomde Hennan!

En als ze hem daadwerkelijk vinden? dacht hij opeens. Stel dat ik werkelijk opnieuw oog in oog kom te staan met Jaan G. Hennan? Wat dan? Wie zegt dat ik deze keer wel als overwinnaar uit de strijd kom?

Niemand, constateerde hij. Waarschijnlijk niemand.

Hij bleef staan en trok zijn schoenen en sokken uit. Het is net als vijftien jaar geleden, dacht hij. Precies hetzelfde. Als we G. in Kaalbringen vinden, dan staat daarmee vast dat hij schuldig is aan de dood van Verlangen. Dat weet ik. Dan zit ik daar in de ogen van een moordenaar te kijken en weet dat ik hem weer vrij moet laten. Voor de tweede keer. Het is afschuwelijk, maar zo zou het best kunnen gaan, nietwaar?

Hij schopte een achtergelaten sinaasappelschil in het water. Verdomme, dacht hij, ik zou zelf het heft in handen moeten nemen.

Dat idee kwam zomaar bij hem op. Hij zette het opzij. Deze keer niet, besloot hij. Niet nog eens. Die ontsnappingsroute uit de moraal, die inhield dat je buiten de wet om recht deed, had hij al een keer gebruikt … één keer, en achteraf had hij begrepen dat je die uitweg maar één keer in je leven mag gebruiken. En misschien zelfs dat nog niet eens.

Die keer had de onschuldig getroffene Verhaven geheten. Nu heette een van de slachtoffers Verlangen. De namen leken op elkaar, maar dat was natuurlijk toeval. Daar moest je geen vingerwijzing in zien.

Hij kwam bij de oude bunker uit de Tweede Wereldoorlog, die half verzonken in het zand en aangevreten door de tand des tijds onder aan de heuvel stond uit te kijken over de eeuwige zee. Hij bleef staan, draaide de dop van zijn waterfles en nam een paar fikse slokken. Hij keek op zijn horloge en besloot nog een eindje door te lopen. Tot iets voorbij het klif. Hoe vaak had hij over zo’n strand als dit gelopen? vroeg hij zich af. Als je die stukken aan elkaar paste, op hoeveel kilometer strand kwam je dan uit?

En hoeveel uren heb ik rondgezwalkt met gedachten aan een moordenaar in mijn hoofd? Geen wonder dat je daar iets aan overhield.

De volgende vraag dook totaal onaangekondigd op.

Hoeveel jaar heb ik nog te leven?

Vijfenzestig plus hoeveel?

Ergens was natuurlijk een boek, of een partituur, waarin het antwoord stond geschreven. Over honderd jaar zou iemand zijn biografie kunnen schrijven (zelf kreeg hij dat niet voor elkaar) en constateren dat de commissaris, toen hij in de herfst van zijn leven naar Kaalbringen toog in een vergeefse poging om de zaak-G. op te lossen, nog maar twee jaar te leven had.

Of twee maanden?

Kletskoek, dacht hij vervolgens. We kennen de dag niet of het uur … enzovoort. Hij liep weer door en besloot het antwoord op de vraag zelf te geven.

Ik blijf nog precies een half uur doorlopen, bepaalde hij. En zoveel mensen als ik onderweg tegenkom, zoveel jaar heb ik nog te leven.

Fair deal.

Toen hij dertig minuten later weer bleef staan, nu ter hoogte van de kerk van Wilgersee – hij zag het bovenste deel van de torenspits boven de rand van het beukenbos uitsteken – was hij geen wandelaar tegengekomen.

Niet een. Het was alweer niet anders.

‘Ik geloof dat ik iets heb’, zei aspirant Stiller. ‘Het zou in ieder geval iets kunnen zijn.’

‘O?’ zei Beate Moerk.

‘Die meneer Willumsen in de caravan ernaast schijnt nogal vaak met Verlangen te hebben gesproken.’

‘Mooi’, zei Moerk. ‘Waarover?’

‘Niet zo veel bijzonders eigenlijk, maar hij had hem naar een fotozaak gevraagd.’

‘Een fotozaak?’

‘Ja.’

‘Verlangen?’

‘Ja. Hij had een fototoestel bij zich en kennelijk had hij een rolletje volgeschoten dat hij wilde laten ontwikkelen.’

‘Had Verlangen foto’s gemaakt?’

‘Ja.’

‘Waarvan?’

Stiller haalde zijn schouders op.

‘Geen idee. Dat had hij Willumsen niet verteld. Hij wilde alleen weten waar hij in Kaalbringen een fotozaak kon vinden. Dat zou iets met G. te maken kunnen hebben, en ik dacht dat als je …’

‘Natuurlijk’, viel Beate Moerk hem in de rede. ‘Als Verlangen ergens foto’s van heeft gemaakt, dan is het zo duidelijk als wat waar dat om ging. Nou, wat heeft Willumsen toen tegen hem gezegd? Heeft hij Verlangen kunnen helpen?’

Stiller knikte.

‘Zeker. Hij heeft hem naar FotoBlix in de Hoistraat verwezen en naar die nieuwe zaak in het winkelcentrum. Ik weet niet hoe die heet, dat wist Willumsen ook niet …’

‘Doet er niet toe’, zei Beate Moerk. ‘Iets van Overmaar, geloof ik. Maar Verlangen was dus van plan naar een van die zaken toe te gaan voor het ontwikkelen van zijn foto’s?’

‘Dat denk ik wel’, zei Stiller. ‘Dat beweerde Willumsen in ieder geval. Hoe dan ook, het is toch wel de moeite waard om dat na te gaan?’

‘Natuurlijk’, zei Moerk. ‘Misschien herkennen ze hem. Jammer dat het zo machinaal gaat tegenwoordig met ontwikkelen. Het was mooi geweest als we te weten hadden kunnen komen wat Verlangen had gekiekt.’

‘Ongetwijfeld’, beaamde Stiller. ‘Zullen we er meteen op af of …?’

‘Meteen’, besloot Beate Moerk.

‘Ik begrijp iets niet’, zei brigadier Rooth.

‘O?’ zei Münster.

‘Dat van dat bewijs. Dat Verlangen een bewijs tegen G. zou hebben gevonden. Hoe kan dat nou?’

‘Ga door’, zei Münster.

‘Ik bedoel, het is één ding als hij G. toevallig in het oog heeft gekregen. Ik kan me ook indenken dat hij op het idee is gekomen om hem te volgen of in de gaten te houden, hij schijnt immers een tikje eigenaardig te zijn geweest, die Verlangen. Maar hoe kan hij nou een spoor hebben opgepikt van een moord van vijftien jaar geleden? Dat snap ik niet.’

Münster dacht enkele seconden na.

‘Ik ook niet’, gaf hij toe.

‘Denk je dat Verlangen met hem heeft gesproken?’ ging Rooth verder. ‘Als we aannemen dat dat het geval is geweest, kan Hennan iets hebben gezegd … per ongeluk, waardoor Verlangen een licht opging. Dat kan. Maar waarom zou Hennan zijn mond voorbijpraten tegenover een figuur als Verlangen, wanneer hij langgeleden zowel politieverhoren als een proces heeft doorstaan? Dat is volstrekt onbegrijpelijk.’

‘Ik weet het’, zei Münster. ‘Dat heb ik ook bedacht. G. is feitelijk vrijgesproken. Alleen het feit dat je hem toevallig tegenkomt, is nog geen reden om je voor hem te interesseren. Het is niet tegen de wet om het land te verlaten en een paar jaar weg te blijven.’

‘Verlangen was waarschijnlijk bezeten van hem’, zei Rooth.

‘Dat moet wel. Hoe dan ook, je vraag is terecht. Hoe kon Verlangen tegen iets aanlopen wat hij bewijs noemde? Dat is heel raar.’

‘Dat vond hij misschien alleen zelf maar’, opperde Rooth. ‘Dat het iets was. Een idee-fixe of zo?’

‘Waarom zou hij dan door het hoofd geschoten zijn? Als het niets voorstelde?’

‘Nee, precies’, zei Rooth. ‘Hij kan het zich niet alleen maar hebben verbeeld. Ik begrijp dit niet, dat zeg ik nog maar eens.’

‘We komen er wel achter’, zei Münster optimistisch. ‘Hier is de Gerckstraat. Welk nummer is het?’

Rooth keek in zijn notitieboekje.

‘Dertien’, zei hij. ‘Wat verwacht jij hiervan?’

‘Een doorbraak, vast en zeker’, zei Münster. ‘De man is negenentachtig en heeft staar, maar desalniettemin beweert hij dat hij Verlangen met geheimzinnige bezigheden in de weer heeft gezien. Natuurlijk vereist dat nader onderzoek.’

‘Uiteraard’, zei Rooth met een zucht. ‘Maar daarna gaan we eten.’

Moerk en Stiller namen een kop koffie in het neofunctionalistische café Kroek in winkelcentrum de Passage na het bezoek aan de fotozaak, die voorzover zij konden vaststellen, geen naam had. Er hing in ieder geval geen bord boven de ingang.

‘Wat denk jij?’ vroeg Stiller.

‘Ik weet het niet’, zei Moerk. ‘Ze herkennen hem niet en dan maakt het in feite niet uit of hij daar is geweest of niet. Laten we hopen dat hij naar FotoBlix is gegaan, dat is wat kleiner en persoonlijker.’

‘Het is ook niet zeker dat hij ergens een filmpje heeft ingeleverd’, merkte Stiller op. ‘Hij kan wel zijn doodgeschoten voor hij daaraan toekwam.’

‘Dat zou heel goed kunnen’, zei Moerk met een zucht. ‘En het fototoestel is in vlammen opgegaan. Maar zo gaat het nou zo vaak met politiewerk. Ook al is er van duizend aanwijzingen maar een de moeite waard, dan moet je toch die andere 999 ook nalopen.’

‘Ja, daar ben ik inmiddels ook achter’, zei Stiller en ze had het idee dat hij even bloosde. ‘Maar die goede hoef je toch niet pas als allerlaatste te vinden?’

‘Niet per se’, zei Beate Moerk. ‘Maar er is ook niemand die zegt dat ze niet alle duizend waardeloos zijn.’

‘Geen beste kansen’, zei Stiller met een voorzichtige glimlach.

‘Slechter kan niet’, zei Moerk en ze dronk haar kopje leeg. ‘Zullen we maar weer?’

‘Uiteraard’, zei Stiller.

‘Wat doe je?’ vroeg Van Veeteren.

‘Vajrasana’, antwoordde Bausen met ingespannen stem. ‘Ik rek mijn hele ruggengraat, een verdomd goede oefening … nog vijf minuten, dan ben ik klaar.’

Van Veeteren liet hem achter op de vloer en ging buiten op het terras zitten. Even later dook Bausen op met twee biertjes.

‘Alweer een mooie dag’, constateerde hij turend door het bladerdek. ‘Jij bent vroeg uit de veren.’

‘Ik lig maar te malen’, zei Van Veeteren.

‘Over die zaak?’

Van Veeteren knikte en hij schonk zijn glas vol.

‘Juist. Het zal ook wel moeilijk voor je zijn om niet actief mee te doen, neem ik aan.’

‘Het is bedroevend’, beaamde Van Veeteren. ‘Ik dacht dat ik met de jaren mijn ongeduld zou leren bedwingen. Maar dat is kennelijk niet zo.’

Bausen hief zijn glas en glimlachte scheef.

‘Niet zonder hulp’, zei hij.

‘Zoals?’

‘Dat weet je net zo goed als ik. Hoe heb je de ochtend doorgebracht?’

Van Veeteren dronk zijn glas voor de helft leeg.

‘Over het strand gewandeld. Naar Wilgersee en terug.’

‘Dat is één variant’, zei Bausen. ‘Yoga is een andere … die zet je geest weer op de plaats waar hij thuishoort, zeg maar. Ik zal je vanavond een paar dingen voordoen, als je dat goedvindt?’

Van Veeteren knikte. Ze zwegen een poosje.

‘Ja, ja’, zei Bausen toen. ‘Eerlijk gezegd heb ik vandaag ook niet veel op het programma staan. Zullen we een potje schaken zolang ze nog niet hebben gebeld?’

‘Best’, zei Van Veeteren. ‘Dus jij denkt dat ze gaan bellen?’

‘Natuurlijk’, verklaarde Bausen vol overtuiging en hij pakte het bord erbij. ‘Laat hen het grove werk maar doen, dan komen wij wel in actie als ze vastzitten. Als je al vijftien jaar wacht, maken die paar dagen toch ook niet meer uit?’

‘Misschien niet’, zei Van Veeteren en hij begon de stukken op te zetten. ‘Maar er is ook een schuldvraag.’

‘Een schuldvraag?’

‘Ja. Ik heb het ergerlijke gevoel dat ík met een kogelgat in mijn hoofd in dat paddestoelenbos had moeten liggen in plaats van die arme Verlangen.’

Bausen keek hem enkele ogenblikken peinzend aan.

‘Ik begrijp wat je zegt’, zei hij vervolgens. ‘Maar mijn advies is om dat aspect voorlopig te laten rusten. Toe maar, jij mag beginnen … een Scandinavische opening zou leuk zijn voor de verandering.’

‘Een Scandinavische opening?’ zei Van Veeteren. ‘Waarom niet?’