36

Inspecteur Münster kon het gevoel van een déjà vu maar moeilijk van zich afzetten toen hij op dinsdagochtend aanschoof naast Rooth in de bleekgele vergaderkamer van het politiebureau van Kaalbringen.

Eerst besefte hij niet waarom het verleden zo voelbaar aanwezig scheen; weliswaar waren de stad, het bureau en het vredige plein buiten nog hetzelfde als negen jaar geleden, maar de acteurs waren voor het grootste gedeelte nieuw. Noch Rooth, noch aspirant Stiller of de nieuwe politiechef was er toen bij geweest. Alleen hijzelf en brigadier Moerk.

Beate Moerk. Het kwam natuurlijk door haar. Ze was tegenwoordig moeder van twee kinderen. Ze moest inmiddels bijna veertig zijn, schatte hij, maar op haar gezicht en in haar ogen zag hij weer hetzelfde wat hem tijdens de zaak van de bijlmoordenaar ook al had getroffen … wat dat dan ook was. Hij merkte dat hij haar blik ook vandaag ontweek, dat was waarschijnlijke een verstandige voorzorgsmaatregel zo aan het begin. Rooth had gezegd dat ze een stuk was, en ook al was Rooth een zielig geval in de arena van de hartstocht, hij had wel ogen in zijn kop.

Door de ramen op het zuiden scheen de zon volop naar binnen, net als toen. Wanneer hij er dieper over nadacht, begreep hij dat het natuurlijk niet alleen aan Beate Moerk en aan dit welbekende vertrek lag dat de tijd aan het schommelen werd gebracht. De zaak-G. lag nog verder terug in de tijd – die had vijftien jaar geleden op de agenda gestaan! – dus was het misschien wel logisch dat hij niet helemaal het gevoel had dat hij zich in het heden bevond.

Maarten Verlangen was dus de katalysator. Het verbindingsstuk. De resten van de uitgebluste privédetective hadden enkele maanden in het paddestoelenbos liggen rotten. Vervolgens waren ze ontdekt en nu zaten ze hier om uit te zoeken wie ze daar had neergelegd.

Dat was in ieder geval de belangrijkste aanleiding. Officieel. Waar het verder toe zou leiden, zagen ze dan wel weer. Synergie-effecten, kon je misschien zeggen. Rimpelingen in de vijver, zouden ze vroeger hebben gezegd.

Maar hoe je het ook wilde noemen, dacht Münster, er zouden nooit twee rechercheurs uit Maardam in actie zijn gekomen om uit te zoeken wat er met zo’n uitgesproken randfiguur als Maarten Verlangen was gebeurd, als er niet meer ingrediënten in de soep zaten dan je met het blote oog kon zien, zoveel was duidelijk.

Geen Van Veeteren of brigadier Kropke te zien op het politiebureau deze warme nazomerdinsdag, constateerde Münster voorts. En geen commissaris Bausen die de boel dirigeerde, maar een zekere De Klerk. Münster had zich nog geen oordeel over hem gevormd, maar ging ervan uit dat hij een bekwame politieman was. Er was in ieder geval niets wat op het tegendeel wees. De politiechef had zojuist zijn jasje over de rug van zijn stoel gehangen en nu keek hij enigszins onzeker naar de aanwezigen en vouwde zijn handen.

‘Ja, welkom weer’, begon hij. ‘Dan gaan we van start. Deo volente is er over een uurtje koffie.’

‘Insjallah’, zei Rooth. ‘Het doet me genoegen te zien dat we in een beschaafde omgeving terechtgekomen zijn.’

Als je maar goed in de gaten houdt, Rooth, dat je zelf voor de gevolgen van je stommiteiten mag opdraaien, dacht Münster en hij trok zijn jasje ook uit.

‘Ik zal voor de goede orde de zaak even samenvatten’, zei De Klerk terwijl hij een map opensloeg. ‘De collega’s uit Maardam weten meer over de achtergrond van deze zaak dan wij, dus jullie moeten het maar zeggen als het niet klopt.’

Rooth knikte en Münster haalde zijn blocnote tevoorschijn.

‘Goed’, ging De Klerk verder. ‘In de kern van deze zaak hebben we dus – dat is tenminste de theorie waar we ons op baseren – te maken met een oude zaak uit 1987, de moord op Barbara Clarissa Hennan in Linden. We gaan ervan uit dat het een moord betrof, ook al is dat nooit helemaal duidelijk geworden. De echtgenoot van het slachtoffer, Jaan G. Hennan, werd van de moord beschuldigd, maar hij is tijdens het proces vrijgesproken bij gebrek aan bewijs. Hij heeft een zeer aanzienlijk bedrag aan verzekeringsgeld geïncasseerd en heeft waarschijnlijk datzelfde jaar het land verlaten. In de wederwaardigheden rond de dood van Barbara Hennan duikt de naam Maarten Verlangen op, een privédetective wiens precieze rol in veel opzichten onduidelijk is, maar die door mevrouw Hennan was ingehuurd om haar man te observeren, slechts enkele dagen voordat ze zelf dood werd aangetroffen. Het getuigenis van Verlangen heeft het alibi van Hennan tijdens het proces bevestigd. De algemene opvatting van politie en justitie was dat Hennan een handlanger had ingeschakeld om zijn vrouw te vermoorden, maar dit is nooit bevestigd en Hennan werd op vrije voeten gesteld. Opmerkingen tot dusver?’

‘Totaal niet’, zei Rooth. ‘Ga door.’

‘Graag. Vijftien jaar later, om precies te zijn afgelopen voorjaar, meldt de dochter van Verlangen bij de politie van Maardam dat haar vader verdwenen is, en een paar achtergelaten aanwijzingen geven inderdaad aan dat hij in april een poosje hier in Kaalbringen heeft vertoefd. Kennelijk omdat hij een spoor van Jaan G. Hennan had opgepikt. Let wel, Hennan is een vrij man, maar Verlangen beweert – in een telefoongesprek met zijn kleinzoon en in een nagelaten aantekening – dat hij aanwijzingen heeft gevonden die Hennan aan de moord op zijn vrouw zouden koppelen. Om wat voor aanwijzingen of zelfs bewijzen het zou gaan, daar hebben we nog geen flauw idee van. Commissaris Van Veeteren, die verantwoordelijk was voor het onderzoek in 1987, begeeft zich begin mei hier naar Kaalbringen om Verlangen te zoeken, of in ieder geval sporen van hem. Hij neemt contact op met brigadier Moerk, die hij nog van vroeger kent, en …’

Hij wisselde een blik met Beate Moerk, maar toen ze niet van zins leek het van hem over te nemen ging hij verder.

‘… wij doen navraag bij alle hotels in de stad, maar krijgen nergens beet. We weten nu dat dat kwam omdat we het caravanpark voorbij Fisherman’s Friend niet in onze navraag betrokken hadden. Geraldines Caravanclub. Ja, en dan komen we alweer in het heden terecht … Drie dagen geleden, afgelopen zaterdag, is Maarten Verlangen dood aangetroffen in het bos bij Wilgersee. Het lijdt geen twijfel dat hij vermoord is, door het hoofd geschoten met een wapen van een zwaar kaliber. En het is ook duidelijk dat hij daar al sinds ongeveer half april lag. Dat is de situatie. Hebben jullie nog iets te melden voordat we gaan bespreken wat er uit de verhoren van gisteren is gekomen?’

‘Ik heb niet echt iets te melden’, mompelde Rooth. ‘Maar die kerel was iets op het spoor, ik wou dat ik wist wat.’

‘Hij kan het zich ook alleen maar verbeeld hebben’, zei Münster. ‘Laten we dat niet vergeten.’

‘Vanwege je verbeelding word je niet doodgeschoten’, beweerde Rooth.

‘Dat kan best, als je pech hebt’, zei Münster. ‘Maar ik ben met je eens dat de Hennanaanwijzing vrij sterk is.’

‘Er is veel tijd verstreken’, merkte Beate Moerk op. ‘Sinds afgelopen voorjaar, bedoel ik. Als die Hennan hier toen echt in de stad is geweest, heeft hij gelegenheid genoeg gehad om te verdwijnen.’

‘Ongetwijfeld’, zei Münster. ‘Hij kan inmiddels wel in Brazilië zitten. Met een nieuwe identiteit en een nieuw uiterlijk. We kunnen onze hoop er alleen op vestigen dat hij er niet op heeft gerekend dat dat nodig zou zijn … dat hij aannam dat het genoeg was om Verlangen uit de weg te ruimen.’

‘Zullen we ervan uitgaan dat hij hier in april in de stad is geweest?’ vroeg De Klerk.

‘Ervan uitgaan gaat wat ver’, zei Rooth. ‘Maar laten we met de gedachte spelen. Het is nogal vergezocht dat Verlangen de verkeerde voor zich had, maar toch door die persoon is vermoord … Dat lijkt mij in ieder geval vergezocht.’

‘Helemaal mee eens’, zei De Klerk. ‘Een dergelijke variant kunnen we praktisch uitsluiten.’

‘Als hij hier in de gemeente woont, moet hij een andere naam hebben aangenomen’, merkte Beate Moerk op. ‘Er staat geen Hennan in het telefoonboek, en hij staat niet in het belastingregister. Hoe zit het, zouden jullie hem herkennen als jullie hem tegenkwamen?’

Münster had die kwestie al met Rooth besproken en gaf toe dat hij daar niet honderd procent zeker van was. Zeker niet als Hennan opzettelijk iets aan zijn uiterlijk had veranderd.

‘De foto’s die we uit 1987 van Hennan hebben, kennen jullie allemaal. Als hij alleen maar ouder is geworden, kunnen we hem misschien allemaal identificeren?’

‘Hij kan tegenwoordig wel netkousen dragen en een pruik’, wierp Rooth tegen. ‘Zo gemakkelijk is het waarschijnlijk niet om hem te vinden.’

‘Pardon’, zei aspirant Stiller en hij maakte zich wat langer. ‘We gaan er toch van uit dat Verlangen hem heeft gevonden? Zou hij dan daarna netkousen zijn gaan dragen, denk je?’

Rooth krabde in zijn nek maar zei niets. De politiechef knikte.

‘Goed punt, Stiller’, zei hij. ‘Verlangen moet hem hebben herkend. En Verlangen moet ons naar Hennan leiden. Zo is het toch? Hoe meer we weten over Verlangens activiteiten hier in april, des te groter de kans dat we verder komen.’

‘Dat klopt’, zei Münster. ‘Maar we moeten één ding goed onthouden. We mogen de koppeling met de zaak-G. onder geen beding in de openbaarheid brengen. Als Hennan hier is … als hij in Kaalbringen woont, dus … brengt hij zich natuurlijk in veiligheid zodra hij er één regel over in de krant leest. Hopelijk weet hij niet dat Verlangen sporen heeft achtergelaten … dit is van vitaal belang als we überhaupt een kans willen hebben om iets te bereiken.’

‘Heeft iedereen dat gehoord?’ vroeg De Klerk en hij keek de tafel rond. ‘Geen woord naar buiten over Hennan!’

Stiller en Moerk knikten. Rooth geeuwde, maar toen hij zijn kaken weer op elkaar had, stak hij zijn duim op ten teken dat het prima in orde kwam.

‘Goed dan’, hernam De Klerk. ‘De grote vraag is natuurlijk wat Verlangen dan wel heeft ontdekt. Hij beweert dus dat hij doorslaggevend bewijs heeft gevonden in die oude moordzaak … en zoals Stiller terecht opmerkte: als een afgetobde privédetective dat kan, dan zouden vijf hoogbegaafde rechercheurs dat toch ook moeten kunnen! Dus. Wat is er gisteren naar voren gekomen? Eerst Geraldines Caravanclub maar?’

Met behulp van haar aantekeningen en die van aspirant Stiller bracht Beate Moerk in twintig minuten verslag uit van het gesprek met Geraldine Szczok. Afgezien van de eventuele betrokkenheid van aspirant Stiller bij de afronding van de roman liet ze geen enkel detail onvermeld, en toen Rooth van de verbrande caravan hoorde, had hij het niet meer.

‘Dat geeft de doorslag!’ riep hij verontwaardigd uit. ‘Alsjeblieft! Nu is het wel duidelijk dat er geen toeval in het spel is. Die ellendeling van een G. zit erachter. Hij zit hier in de stad en we gaan hem nu inrekenen.’

‘Rustig aan, niet zo heetgebakerd’, sprak Münster vermanend. ‘Al ben ik het in principe met je eens … aan de ene kant zijn alle eventuele sporen vermoedelijk al verloren gegaan, aan de andere kant hoeven we niet langer te twijfelen. We hebben opnieuw met Jaan G. Hennan te maken.’

Na deze conclusie was het even stil rond de tafel. Daarna gaf de politiechef het woord weer aan Münster.

‘En Horst Zilpen?’ vroeg hij. ‘Wist hij wat meer te vertellen dan zijn vrouw?’

‘Nauwelijks’, zei Münster. ‘Hij had weliswaar een gesprekje onder vier ogen gehad met Verlangen, maar dat ging nergens over. Toen hij hem op de man af vroeg waar hij door het jaar heen woonde, had hij een ontwijkend antwoord gekregen. Hij vond Verlangen maar een rare, beweerde hij.’

‘Hij had zich nooit afgevraagd wat Verlangen daar op de camping deed’, voegde Rooth eraan toe. ‘Geen al te slimme figuur, die meneer Zilpen, hij had ook een gebroken neus, ik denk dat hij bokser is geweest.’

‘Wat heeft dat ermee te maken?’ vroeg Beate Moerk met een verbaasde blik.

‘Niets, schoonheid’, zei Rooth. ‘Mijn hersenen werken af en toe onder hoogspanning, en dan doe ik ongemerkt dat soort waarnemingen. Ik kan er niets aan doen.’

‘Juist ja’, zei Beate Moerk.

‘Zo is hij’, bevestigde Münster met een schouderophalen.

‘Wordt het trouwens niet haast eens tijd voor koffie?’ vroeg Rooth.

De Klerk keek op zijn horloge en knikte. Aspirant Stiller verliet het vertrek en kwam een halve minuut later terug met een dienblad met koffie en een schaal koffiebroodjes.

‘Tast toe’, zei de politiechef. ‘Van banketbakkerij Sylvie hier vlak om de hoek, dat hoef ik er voor degenen die hier eerder zijn geweest niet bij te zeggen.’

Tijdens de koffie liet De Klerk de foto’s van Jaan G. Hennan uit 1987 nog eens rondgaan.

‘Het is toch irritant’, was het commentaar van Beate Moerk. ‘Als we deze foto’s zouden publiceren, zouden we misschien meteen beet hebben. Dat ik hem niet herken wil natuurlijk niet zeggen dat hij hier niet zou kunnen wonen. Kaalbringen is per slot van rekening geen klein dorpje. Vijfenveertigduizend zielen of daaromtrent …’

‘Een groot dorp’, zei Rooth.

‘Wij drieën herkennen hem dus niet’, merkte de politiechef op. ‘En Stiller woont hier nog maar pas … Ik neem aan dat je gelijk hebt. We kunnen in ieder geval onze naasten ernaar vragen, daar is toch niets op tegen? Onze vrienden en kennissen, onofficieel. We hoeven niet uit te leggen waar het om gaat. We vragen hun alleen of ze de man op de foto herkennen.’

Hij keek naar Münster en Rooth om te zien of ze het ermee eens waren. Münster knikte.

‘Volgens mij kan dat geen kwaad. Als het onopvallend gebeurt.’

‘Oké’, zei Beate Moerk.

De politiechef bladerde even in zijn papieren en niemand leek van zins het woord te nemen.

‘De vraag is waar we ons precies mee bezig moeten gaan houden’, zei Rooth ten slotte. ‘Persoonlijk lijkt het me wel wat om de komende weken de kennismaking met Sylvie te verdiepen, maar jullie moeten toch ook iets te doen hebben.’

‘Er is nog een ander onplezierig aspect’, zei Münster, die het commentaar van Rooth negeerde. ‘Namelijk hoe we Hennan aan de misdaad moeten koppelen, als we er al in slagen hem te vinden. De vorige keer is ons dat niet erg goed afgegaan en het zal ditmaal niet gemakkelijker worden.’

De Klerk keek het vertrek rond.

‘Nee’, zei hij. ‘We hebben in meerdere opzichten een slechte uitgangspositie. Het zal moeilijk worden.’

‘Zo’n klootzak als G. laat zich niet pakken, dat idee heb ik nu al vijftien jaar’, zei Rooth.

‘Leg eens uit’, vroeg Beate Moerk.

‘Graag’, zei Rooth. ‘Nou, hij heeft het idee dat hij boven de wet staat, zeg maar. In de Verenigde Staten had hij zich vóór deze geschiedenis in Linden immers al van een vrouw ontdaan. Als we hem niet kunnen opbergen voor de moord op Verlangen, heeft hij een hattrick gescoord. Minstens. Drie moorden en zo vrij als een vogeltje. Godallemachtig!’

‘Deze keer heb je waarschijnlijk gelijk’, gaf Münster toe en hij keek somber.

Het was even stil terwijl De Klerk verder bladerde in zijn paperassen.

‘Geen nieuws uit Maardam?’ vroeg Beate Moerk in een poging een iets optimistischer toon aan te slaan. ‘Ze zouden toch met zijn dochter gaan praten en zijn appartement doorzoeken?’

‘Daar is nog geen rapport van’, constateerde de politiechef en hij trok zijn ene oorlel tot de dubbele lengte uit. ‘Maar ik neem aan dat ze het zullen melden als ze klaar zijn. Wat hebben wij verder nog?’

Hij keek de tafel rond.

‘In ieder geval één ding’, zei aspirant Stiller voorzichtig. ‘We moeten nog met de twee andere gasten op de camping praten. Misschien levert het niets op, maar nu we toch …’

‘Natuurlijk’, zei De Klerk en hij zocht zijn aantekeningen erbij. Willumsen en Holt, dat klinkt bekend … nou ja, Moerk en Stiller moeten hen vanmiddag maar gaan opzoeken. We mogen natuurlijk geen mogelijkheid onbeproefd laten. We wachten ook nog op het sectierapport en de laboratoriumuitslagen, maar we hoeven er waarschijnlijk niet op te rekenen dat ze iets hebben gevonden. Vier maanden in het bos laat zijn sporen achter, of wist die uit, beter gezegd. We moeten het bijltje er natuurlijk niet bij neergooien, maar ik heb zo mijn twijfels of …’

De rede van de politiechef werd onderbroken door juffrouw Miller, die de deur opendeed en haar blonde hoofd om de hoek stak.

‘Neem me niet kwalijk, ik kreeg zojuist een telefoontje van de vorige politiechef’, verklaarde ze met onderdrukte opwinding.

‘Wat?’ vroeg Rooth.

‘Van Bausen?’ vroeg Beate Moerk.

‘Ja.’

‘Waar belde hij voor?’ vroeg De Klerk en hij keek verward.

Juffrouw Miller stak ook de rest van haar bovenlichaam om de hoek en hoestte gemaakt achter haar hand.

‘Hij vroeg of ik tegen u wilde zeggen dat er vanavond iemand bij hem komt logeren. En dat we contact mogen opnemen als er iets is.’

‘Logeren?’ vroeg Beate Moerk.

‘Wat krijgen we nou?’ vroeg De Klerk. ‘Zei hij dat?’

‘Ja, dat zei hij. Dat er iemand kwam logeren. Ik heb het voor alle zekerheid opgeschreven.’

‘Krijg nou wat’, zei Rooth en hij nam het laatste halve koffiebroodje. ‘Insjallah, wat ik al zei. Is er een premier neergeschoten of zo?’

‘Dank u, juffrouw Miller’, zei De Klerk. ‘Nou, we kunnen ditmaal in ieder geval niet klagen over onderbezetting.’

‘Nee’, zei inspecteur Münster en hij wierp een onwillekeurige blik op Beate Moerk. ‘Zeker niet. Maar wat moeten we in vredesnaam doen?’

‘Een goede vraag’, zei Rooth. ‘Maar we verzinnen wel iets.’