35

Op weg naar Geraldines Caravanclub vertelde Beate Moerk aan aspirant Stiller wat ze van de eigenares wist. Dan was hij gewaarschuwd, dacht ze. Hij was nieuw in de stad, en als je voor een blunder behoed kon worden, was dat natuurlijk mooi meegenomen.

Geraldine Szczok, of Van der Hahn, zoals ze als meisje had geheten, hoorde bij de zogenaamde beatgeneratie. Ze was al vroeg volledig in de ban van Kerouac en eind jaren vijftig liep ze van huis weg (en van haar welgestelde ouders die in schoenen en lederwaren deden) en vertrok naar Californië. Ze bleef een jaar of wat weg totdat ze in 1962 terugkeerde naar Kaalbringen, met een zoontje. Ze beweerde dat de vader niemand minder was dan Eddie Cochran en dat het in een nacht vol passie in Salinas was gebeurd. Haar aanspraken op de nalatenschap van de overleden popzanger hadden echter geen succes gehad, en toen ze op een regenachtige dag in februari met Eddie jr. aan de hand op de stoep stond van de directeurswoning van haar ouders in de Walmaarstraat, verklaarde ze dat ze er schoon genoeg van had, dat ze zich blijvend in Kaalbringen wilde vestigen en dat ze een roman ging schrijven.

Aangezien hun tweede kind, Geraldines twee jaar jongere broer Maximiliaan (ja, zo heetten ze echt: Geraldine en Maximiliaan, verklaarde Moerk, het zou wel iets met de ambities van de ouders te maken hebben) tijdens haar afwezigheid was overleden aan zijn aangeboren leukemie, ontvingen de ouders (in ieder geval haar moeder) hun weggelopen dochter en hun kleinzoon met open armen. Geraldine nam haar intrek in een vleugel van het grote huis en begon aan haar roman, en toen de oudere generatie twintig jaar later overleed (de een slechts acht maanden na de ander), werkte ze er nog steeds aan.

Toen Geraldine vijftig werd, ontdekte ze dat haar geld op was, ze verkocht haar ouderlijk huis, trouwde met een avontuurlijke loodgieter met de naam Andrej Szczok en begon haar caravanpark op de heuvel een paar kilometer ten oosten van Kaalbringen. Andrej verdween een paar jaar later onder romantische omstandigheden met een zigeunerin en om over de klap heen te komen kocht Geraldine een buitengewoon goed uitgeruste caravan en vestigde zich permanent op het terrein. Voorzover Beate Moerk wist, moest dit ergens begin jaren negentig zijn geweest.

‘Zo te horen is het een bijzondere vrouw’, zei aspirant Stiller. ‘Hoe is het met de roman afgelopen?’

‘Die is nog niet klaar’, zei Beate Moerk. ‘Maar we moeten haar voorzichtig aanpakken. Ze schijnt nogal wispelturig te zijn.’

‘Dat kan ik me voorstellen’, zei Stiller en hij keek een tikje benauwd.

Geraldine Szczok maakte haar reputatie waar.

Ze was een grote, forse vrouw, gekleed in een onbekend aantal kleurige lappen over elkaar, gezondheidssandalen, een lila alpinopet en een goudkleurige sigarettenpijp van twee decimeter lengte. Als Moerk goed was ingelicht, moest ze inmiddels rond de vijfenzestig zijn, maar ze zag haar over tien, twintig jaar echt niet in een serviceflat of soortgelijke maatschappelijke instelling zitten.

De camping zag er redelijk goed onderhouden uit. Een tiental stacaravans van verschillende fabricaten en types stond verspreid over een licht glooiend terrein dat afliep naar de strook gemengd woud die de heuvel op klom tot het punt waar zee en strand het overnamen. De meeste caravans leken bewoond, mensen in trainingspakken waren aan het volleyballen of badmintonnen, stonden af te wassen met de transistorradio aan of zaten achter een krantje, een biertje of een kopje koffie te genieten van de middagzon. Een paar honden zaten elkaar achterna en een stel kinderen van een jaar of vijf, zes deed zijn best een fiets uit elkaar te halen. Bij de bosrand stond een man met een donkere huid tai chi-bewegingen uit te voeren. Allemaal heel vredig, vond Beate Moerk. Het goede leven.

De stacaravan van de eigenares was blauw en kanariegeel van kleur, dubbel zo groot als de op een na grootste, niet alleen voorzien van een tv-antenne en een schotel, maar ook van een bord waar in neongroene letters ‘Receptie’ op stond.

Voor deze schepping zat Geraldine Szczok in hoogsteigen persoon in een strandstoel, met een glas bier op het tafeltje naast haar en een tien kilo zware kat op schoot.

‘Weest gegroet’, zei ze zonder op te staan of andere energie verbruikende gebaren te maken. ‘Jullie zijn van de prinsemarij, begrijp ik. Ga toch zitten.’

Ze haalde de sigarettenpijp uit haar mond en wees naar een paar aanzienlijk simpeler stoeltjes. Moerk en Stiller namen plaats.

‘Dat klopt’, zei Beate Moerk. ‘Het ziet er hier gezellig uit.’

‘Gezellig?’ zei Geraldine Szczok. ‘Jullie zijn hier in de Republiek van de Vrijheid, begrijp dat goed.’

‘Interessant’, zei aspirant Stiller en hij keek voorzichtig om zich heen.

‘We hebben informatie nodig, zoals ik al had gezegd’, zei Beate Moerk. ‘Het gaat om een moord, daar hebt u misschien vandaag in de krant over gelezen?’

‘Ik lees geen kranten’, zei Geraldine Szczok en ze stak een nieuwe sigaret in het pijpje. ‘Maar zeg het maar.’

Beate Moerk haalde de foto van Verlangen tevoorschijn.

‘Deze man schijnt in april een tijdje hier op de camping te hebben gezeten. Kent u hem nog?’

Geraldine keek twee seconden naar de foto.

‘Natuurlijk herken ik hem’, zei ze. ‘Maar het is geen beste foto.’

‘We hebben helaas geen betere’, legde Beate Moerk uit. ‘Kunt u iets over hem vertellen?’

‘Hoezo vertellen?’ vroeg Geraldine Szczok. ‘Wat wilt u weten? Hij heeft hier ruim een week gezeten en daarna was hij weg. Vaag type.’

‘Hij is vermoord’, stelde Beate Moerk vast. ‘Daarom zijn we hier.’

‘Dat heb ik begrepen’, zei Geraldine Szczok.

‘Het zou mooi zijn als we wisten wat hij hier deed’, kwam aspirant Stiller tussenbeide. ‘Hebt u met hem gesproken of zo …?’

Geraldine Szczok keek hem met een diepe frons tussen haar aangezette wenkbrauwen aan. Alsof het haar verbaasde dat hij kon praten.

‘Hij was niet erg spraakzaam’, zei ze. ‘En ik val de mensen niet lastig als ze met rust gelaten willen worden.’

‘U weet zijn naam toch wel?’ vroeg Beate Moerk. ‘De aankomstdatum en dergelijke?’

‘Natuurlijk. Dat staat in het schrift.’

‘Het schrift?’

‘Dat ligt binnen.’

Ze wees met haar duim over haar schouder.

‘Als u erin wilt kijken, mag de agent hier het wel even van binnen halen. Op de plank boven de koelkast … zwart.’

Stiller knikte en verdween de caravan in. Geraldine Szczok stak haar sigaret op en zette haar alpinopet recht. Tien seconden later kwam Stiller terug met een dik, zwart schrift van A4-formaat.

‘Vamos a ver’, zei Geraldine Szczok, ze duwde de kat opzij en pakte het schrift aan. Ze bladerde er even doorheen. Stiller ging weer zitten, Moerk pakte haar eigen notitieboekje erbij en wachtte.

‘Hier! Henry Sommers, ja. Hij kwam op 9 april en verdween ongeveer tien dagen later. Hij had voor een week betaald, maar als hij dood is, zal ik daar verder geen soesa van maken …’

‘Sommers?’ vroeg Stiller. ‘Dan heeft hij niet zijn echte naam gebruikt.’

‘In de Republiek van de Vrijheid mag je elke naam gebruiken die je wilt’, verklaarde Geraldine Szczok en ze nam een slok bier. ‘Willen de agenten ook een pilsje?’

Moerk en Stiller schudden hun hoofd.

‘Nee, dank u’, zei Beate Moerk. ‘In welke caravan zat hij?’

‘In de verbrande’, zei Geraldine Szczok.

‘De verbrande?’ vroeg Stiller.

‘De verbrande, ja.’

‘Wat bedoelt u?’ vroeg Beate Moerk.

‘Ik bedoel natuurlijk dat dat kreng in brand is gevlogen.’

Stiller keek Moerk aan. Moerk keek Stiller aan. Toen kuchte ze.

‘U zegt dat de caravan waar Maarten Verlangen in zat … of Henry Sommers dus, dat die in brand is gevlogen?’

‘Precies. Dat hebt u helemaal goed begrepen. Proficiat.’

‘Wanneer was dat?’ vroeg Stiller.

Geraldine Szczok haalde haar schouders op.

‘Een paar dagen nadat hij was verdwenen. Rond 20 april, denk ik.’

‘Waarom?’

‘Waarom die in brand is gevlogen?’

‘Ja.’

‘Dat weet ik toch niet. Er moet iets met de elektriciteit zijn geweest, of met het gas. Of iemand heeft het aangestoken.’

‘U hebt toch wel aangifte gedaan?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Nee, dat heb ik niet gedaan.’

‘Waarom niet?’

‘Daar had ik geen zin in. Ik hoef hier geen bemoeizuchtige brandexperts.’

‘En de verzekering dan?’ vroeg Stiller.

‘De caravan was niet verzekerd. Het was de slechtste caravan van allemaal, die wilde hij omdat het de goedkoopste was. Opgeruimd staat netjes.’

‘Hoe ontdekte u de brand?’ vroeg Beate Moerk.

‘Ik werd er natuurlijk wakker van’, verklaarde Geraldine Szczok geïrriteerd. ‘Midden in de nacht, het dreunde gewoon door alles heen. De hele caravan stond in lichterlaaie, ik sprong uit bed en ging er met de brandblusser op af … dat haalde niet veel uit en ik had ook geen enkele gast. Maar toen ging het regenen en tegen de ochtend was het over.’

‘Is er … is er iets van overgebleven?’ vroeg Stiller.

‘Helemaal niks. Een zwarte vlek in het gras en een schroothoop die in twee kruiwagens paste. Humboldt heeft me geholpen met opruimen.’

‘Wie is Humboldt?’

‘Een buurman. Van die boerderij daar, hij helpt me af en toe.’

Ze wees weer met haar duim.

‘Sodeju’, zei Beate Moerk.

‘Pardon?’

‘Ik zei “sodeju”. Mag ik? Politiemensen zijn ook maar mensen.’

‘Ik dacht altijd van niet’, zei Geraldine Szczok. Ze leunde met haar hoofd achterover en dronk de rest van het bier op. Toen ze klaar was, veegde ze glimlachend haar mond af met de rug van haar hand.

In ieder geval keek ze tevreden. Waarom was onduidelijk.

‘We hadden gehoopt dat hij hier iets had laten liggen’, hernam Beate Moerk na een korte pauze. ‘Maar u zegt dus dat alles weg is. Hij had zijn bezittingen zeker nog in de caravan liggen toen die in brand vloog?’

‘Voorzover ik weet wel. Ik ben er nooit binnen geweest. Ik dacht dat hij wel weer terug zou komen, hij was eerder een paar dagen weg geweest. En we hebben de verbrande resten niet doorzocht, Humboldt of ik.’

Beate Moerk zuchtte en sloeg een bladzij van haar notitieboekje om.

‘Hebt u vaak met hem gepraat in de tijd dat hij hier was?’

‘Nee, nauwelijks.’

‘Heeft hij verteld waarom hij hierheen was gekomen?’

‘Ja, omdat het goedkoop was. Hij had mijn reclameposter gezien op het station.’

‘Juist ja. Maar wat wilde hij in Kaalbringen doen? Heeft hij dat gezegd?’

‘Nee. En daar bemoei ik me niet mee.’

‘Dat hebben we begrepen. Maar hij moet toch iets hebben gezegd … u kreeg toch wel een idee?’

‘Ja, hij zei dat hij een week lang onderdak nodig had. Toen die week om was, zei hij dat hij graag nog een paar dagen wilde blijven. We spraken af dat hij bij vertrek zou betalen.’

‘En het werd u niet duidelijk waarom hij hier was?’

‘Nee.’

‘Kwam er weleens iemand bij hem?’

‘Niet dat ik heb gezien.’

‘Heeft hij gezegd waar hij vandaan kwam?’

‘Nee.’

‘En hij gaf de naam Henry Sommers op?’

‘Ja. Dat staat in dit schrift.’

Ze klopte met haar knokkels op de zwarte kaft.

‘Hoe bracht hij zijn dagen door? Bleef hij op het terrein, of ging hij ergens heen?’

Geraldine dacht even na.

‘Dat verschilde. Ik geloof dat hij nogal vaak weg was.’

‘U had niet veel gasten in die periode?’

‘Geen kip. In de weekenden waren er een paar caravans bezet. Dat is normaal voor april … maar nu zit ik vol, zoals u ziet.’

Ze maakte een trots gebaar naar het terrein.

‘Ja, ik zie het’, zei Beate Moerk. ‘Maar de andere gasten die er toch nog waren toen Henry Sommers in zijn caravan logeerde, die staan zeker ook in het schrift?’

‘Uiteraard. Het zijn er dus niet veel. Het kan ook wat gevoelig liggen.’

‘Gevoelig?’

‘Ja. En ik doe niet zo moeilijk over de namen. Als ze maar iets opschrijven.’

‘Wat ligt er dan gevoelig?’

‘Het kan zijn dat de een getrouwd is en de ander niet.’

‘Ik begrijp het’, zei Beate Moerk. ‘Ik ben bang dat we u toch naar de namen moeten vragen. We zullen natuurlijk zo discreet mogelijk zijn. Zouden we de resten even mogen bekijken?’

‘De resten?’

‘De plek waar de caravan heeft gestaan.’

Geraldine Szczok leunde achterover en stootte een kort lachje uit.

‘Dat mogen jullie absoluut. Het is die grijze vlek daar achter in de hoek.’

Ze wees in de richting van een koppel dat aan het badmintonnen was. Daarna ging ze over de linkerleuning hangen om een nieuw flesje bier op te vissen uit een emmer die tegen de zijwand van haar caravan stond. Het was duidelijk dat ze schik begon te krijgen in het bezoek dat de dienaren der wet aan de Republiek van de Vrijheid brachten. Beate Moerk stond zuchtend op.

‘Ik ga een kijkje nemen.’

Stiller kan zich best vijf minuten redden, dacht ze.

Toen ze Geraldines Caravanclub een kwartier later verlieten, voelde brigadier Moerk zich ietwat moedeloos.

‘Dat heeft niet veel opgeleverd’, zei ze.

‘Nee’, zei Stiller. ‘Niet echt. Hoe zag het eruit op de plek waar de caravan had gestaan?’

‘Een grijsbruine vlek in het gras’, vertelde Beate Moerk somber. ‘Dat was alles. Het is toch typisch dat ze niet eens de moeite heeft genomen om dat te melden. Het kan best zijn aangestoken, maar dat zullen we nu nooit weten. Heb je nog meer van haar los weten te krijgen tijdens jullie gesprekje onder vier ogen?’

‘Twee namen van mensen die hier zaten op het moment dat Verlangen hier ook was’, zei Stiller en hij tikte tegen het borstzakje waar zijn notitieboekje in zat. ‘Allebei getrouwd met iemand anders, maar ze kende hen al van een eerdere keer. Verder niet veel … We hebben het over haar boek gehad.’

‘Wat?’

‘Haar roman, waar ze veertig jaar geleden aan is begonnen.’

‘Ja, dat weet ik … wat viel daarover te zeggen dan?’

Stiller kuchte ietwat gegeneerd.

‘Ze heeft hem bijna af, beweerde ze. Ze vroeg of ik hem wilde lezen voordat ze hem naar een uitgever stuurt … het is een dikke pil van eenentwintighonderd bladzijden.’

‘Mijn god! Ruim tweeduizend bladzijden.’

‘Eenentwintighonderd, ja. Ik heb gezegd dat ik dat wel wilde doen. Een overhaast besluit, misschien, maar ik wilde haar niet voor het hoofd stoten.’

‘Veel geluk ermee’, zei Beate Moerk. ‘Dan weet jij waar je het komende jaar je avonden mee gaat vullen.’

Stiller knikte.

‘Ik vind het niet zo erg. Ik lees graag, en misschien vergeet ze het wel.’

Beate Moerk keek hem stiekem van opzij aan terwijl ze achteruit van de parkeerplaats reed en bedacht dat de aspirant meer in zijn mars had dan ze tot nog toe had ontdekt.

‘Wat doe je?’ vroeg Ulrike Fremdli.

‘Sorry?’ zei Van Veeteren en hij zette zijn koptelefoon af. ‘Wat zei je?’

‘Ik vroeg wat je deed. Het is kwart over drie.’

‘Ik kon niet slapen’, zei Van Veeteren. ‘Ik lig naar Penderecki te luisteren.’

‘Aha’, zei Ulrike.

Van Veeteren ging overeind zitten en maakte een plekje voor haar vrij op de bank. Ze ging zitten.

‘Wat betekent dat?’

‘Wat?’

‘Dat “aha”? Hoe je dat zei.’

‘Hoe zei ik het dan?’

‘Zoals Archimedes in zijn badkuip ongeveer. Het klonk alsof je iets begreep.’

‘Ik begrijp een heleboel, dat zou je toch gemerkt moeten hebben.’

Ze geeuwde en probeerde de slaap uit haar ogen te wrijven.

‘Ja, natuurlijk, absoluut. Maar dit had dus betrekking op mijn slapeloosheid?’

‘Nja.’

‘Niet dan?’

‘Ja. Je bent toch niet zo dom dat je zelf niet begrijpt waar het van komt? Of dat je denkt dat ik dat niet snap? Dat laatste al helemaal niet.’

Van Veeteren dacht na.

‘Daar zit wat in.’

‘Natuurlijk zit daar wat in. Wat wil je eraan doen?’

‘Ik weet het niet echt. Heb jij nog goede ideeën?’

‘Er zit maar één ding op. Waarom zou je eromheen draaien?’

‘Meen je dat?’

‘Dat weet je toch. Doe nou niet zo moeilijk.’

‘Ik doe nooit moeilijk. Maar oké, een paar dagen dan, omdat je zo aandringt.’

‘Ik dring niet aan.’

‘Juist. Nou, dan moet ik het besluit maar zelf nemen.’

Ulrike barstte in lachen uit en nam hem in een wurggreep.

‘Maar we slapen er natuurlijk eerst nog een nachtje over’, voegde Van Veeteren eraan toe, terwijl hij zich bevrijdde uit haar greep. ‘Ik heb eerlijk gezegd een akelig voorgevoel.’

Ulrike werd ernstig.

‘Ik ook’, zei ze. Opeens, in fracties van seconden keek ze hem met zo’n ernstige blik aan dat zijn hart een slag oversloeg.

Alsof de dood hun op dit late uur een kort bezoek had gebracht, maar had besloten hen nog even met rust te laten.

Afschuwelijk, dacht hij. Wie houdt op deze manier het gordijn een klein stukje voor ons open?