34

Naast vette koppen en een aankondiging op de voorpagina werd er door Het Journaal, het belangrijkste dagblad van Kaalbringen en omgeving, driekwart pagina ingeruimd voor de vondst van het lijk in het paddestoelenbos.

Hier dook ook de oude foto van Verlangen weer op die ze hadden gebruikt bij hun rondvraag onder hotels begin mei, naast een dringend verzoek van de plaatselijke politie aan alle burgers met verantwoordelijkheidsgevoel om zich te melden als ze meenden de man op de foto eerder dit jaar, in de lente of in de zomer, te hebben gezien.

Of, natuurlijk, als ze andere informatie hadden waarvan ze dachten dat het onderzoek erbij gebaat zou kunnen zijn. Het vredige kustplaatsje was de laatste jaren verschoond gebleven van ernstige delicten, werd er verder geconstateerd, maar nu leek het er dus op dat het weer raak was. Nergens was je tegenwoordig nog veilig, zelfs niet in Kaalbringen, meende verslaggever Hermann Schalke, die negen jaar geleden ook de rapportage van de zaak van de bijlmoordenaar voor zijn rekening had genomen, een zaak die nog vers in zijn geheugen zat. Heel vers. ‘Onze mooie wereld zit vol slechtheid, en booswichten en gewetenloze schurken kruisen ons levenspad’, besloot hij zijn sombere epos op filosofische toon.

Op die warme maandag in augustus kwamen er ’s ochtends al drie tips binnen op het politiebureau, waar politiechef De Klerk zijn verantwoordelijkheid broederlijk deelde met brigadier Moerk en aspirant Stiller. De laatste was nog maar vierentwintig, pas afgestudeerd aan de politieacademie, en sinds midden februari werkzaam in deze stad.

Alle drie de tips bleken echter al snel als oninteressant te kunnen worden afgedaan. Twee tipgevers dachten dat ze Verlangen in juni nog hadden gezien, terwijl hij toen aantoonbaar al een maand dood was, en de derde was een jonge, maar al zeer onbeleefde man met de naam Dan Wonkers. Het was nog vroeg, maar hij was al in kennelijke staat en duidelijk alleen bereid zijn hete tips te verstrekken als daar een vorm van pecuniaire beloning tegenover stond.

Dat was echter niet het geval, en hij blies de aftocht onder het slaken van verontwaardigde kreten als ‘bourgeoiszwijnen’ en ‘fascisten’, oude deuntjes die hem waarschijnlijk door zijn vader Holger Wonkers met de paplepel waren ingegoten. Dat was namelijk een doorgewinterde salonradicaal uit de jaren zestig en zeker geen onbekende in de stad. Hij was misschien eerder berucht.

Vlak na de lunch – het was kwart over een, globaal het moment waarop ook inspecteur Münster en brigadier Rooth arriveerden vanuit Maardam – meldde zich echter een getuige van een heel ander kaliber.

Ze heette Katrine Zilpen, en aangezien brigadier Moerk tenminste een van de gearriveerde collega’s een beetje kende – en aspirant Stiller nog niet terug was van zijn lunchpauze – ontfermde de politiechef zich zelf over haar in zijn kantoor.

‘Neemt u plaats’, begon hij. ‘U komt dus naar aanleiding van onze oproep. Mevrouw Zilpen was het?’

‘Dat klopt’, zei Katrine Zilpen en ze ging tegenover hem zitten. ‘Hebben we elkaar niet al eens eerder ontmoet?’

‘Ik betwijfel het’, zei De Klerk.

Ze was een tamelijk forse vrouw van in de veertig, die hem wel bekend voorkwam, net als zo’n beetje iedere inwoner van de stad. In acht jaar tijd registreer en onthou je misschien geen twintigduizend gezichten, dacht hij weleens, maar toch een heleboel.

Katrine Zilpen had zeker geen alledaags gezicht, en een grote bos kopperrood haar. Daar had ze een dun geel sjaaltje omheen gewikkeld zodat er een soort ananaskapsel was ontstaan. Ze had markante trekken en groene ogen in een tint die hem aan het zeeaquarium van Oudenberg deden denken, waar hij in zijn jeugd een paar zomermaanden als gids had gewerkt.

Als ze wat minder vulgair was, zou ze mooi zijn, dacht hij.

Ze maakte een soort rollende beweging met haar lippen (hij nam aan dat ze verse lippenstift had aangebracht vlak voordat ze de glazen deuren van het bureau was binnengegaan en dat dat routine was voor haar), en vroeg of ze mocht roken. Hij haalde een asbak uit een la van zijn bureau en schoof die naar haar toe. Daarna schoof hijzelf wat dichter naar het open raam met zijn stoel en hij vroeg haar te vertellen waar ze voor kwam.

‘Dat lijk’, begon ze toen ze haar sigaret had opgestoken. ‘Ik geloof dat ik het heb gezien. In levende toestand, dus.’

‘Prachtig’, zei De Klerk. ‘Wanneer en waar?’

‘Bij Geraldine. Ergens in april, ik weet niet precies wanneer, maar het was in ieder geval een weekend.’

‘Geraldine?’ vroeg De Klerk met gefronst voorhoofd. ‘De campinghoudster bedoelt u?’

‘Nou ja, camping. Het heet Geraldines Caravanclub. Alleen stacaravans, ik weet niet of het dan een camping is.’

‘In de buurt van Wilgersee?’

‘Zo ver is het niet. Het ligt maar een kilometer voorbij Fisherman’s Friend. Het is een terrein met een stuk of tien stacaravans, we gaan er af en toe een weekend heen, mijn man en ik. Om er even uit te zijn, dat doen we al een paar jaar.’

‘In april?’ vroeg De Klerk.

‘Er zit verwarming in de caravans. In de meeste tenminste wel. Ze woont zelf het hele jaar in zo’n wagen.’

‘Wie?’

‘Geraldine Szczok. De eigenares.’

De Klerk vroeg of ze die naam wilde spellen en noteerde die.

‘En daar hebt u dus die man ontmoet over wie wij inlichtingen willen hebben?’

‘Dat denk ik wel.’

‘Dat denkt u?’

‘Ik kan het natuurlijk niet honderd procent zeker weten. Ik ben niet achterlijk.’

‘Natuurlijk niet.’

‘Precies. Nou, ik zag die foto vanmorgen in de krant en moest meteen aan die man denken. Maar als u geen hulp wilt, dan maakt het mij verder ook niet uit.’

‘Nou, nou. Niet zo aangebrand, mevrouw Zilpen. Wilt u trouwens een kopje koffie?’

‘Nee, dank u wel. Mijn lunchpauze is over een kwartier alweer afgelopen. Maar ik denk toch wel dat hij het was. We hebben een praatje met hem gemaakt, mijn man en ik allebei. Hij zat in een van de andere wagens, de meeste stonden leeg zo vroeg in het jaar.’

‘U hebt met hem gesproken. Geweldig? Waarover?’

‘Niets bijzonders. Gewoon een algemeen praatje … over het weer … Over hoe de caravan beviel en zo. We bleven maar twee nachten, mijn man en ik. Hij zat er al een paar dagen toen wij kwamen.’

‘En hij was er nog toen u wegging?’

‘Ja. Zondagmiddag hebben wij ons boeltje gepakt en zijn we naar huis gegaan. Hij zat voor zijn caravan … we hebben afscheid genomen en hem nog veel plezier gewenst, heel normaal.’

‘Heeft hij zijn naam gezegd?’

‘Zijn voornaam misschien, maar dat weet ik niet meer.’

‘Weet u nog wat voor kleren hij aanhad?’

Katrine Zilpen deed een lange haal aan de sigaret en dacht na.

‘Nee. Niets ongewoons, in ieder geval. Een spijkerbroek, een shirt en sportschoenen waarschijnlijk … nee, ik weet het eerlijk gezegd niet.’

‘Vertelde hij waarom hij op de camping was?’

‘Ik geloof dat hij tegen Horst heeft gezegd dat hij een baan in de stad had.’

‘Horst?’

‘Mijn man.’

‘Aha. Een baan?’

‘Ja, het staat me bij dat Horst zoiets zei … maar als het u interesseert, kunt u misschien beter met hem praten. Of met Geraldine … zij zal toch wel iets meer over hem weten.’

‘Natuurlijk. We zullen ook contact met haar opnemen … en zeker ook met uw man. Hoe zit het met het tijdstip? Kunt u nagaan welk weekend in april het precies was … als u in uw agenda kijkt, bijvoorbeeld?’

Katrine Zilpen haalde haar schouders op en maakte de sigaret uit.

‘Ik denk het wel. Ja, dat kan ik wel beloven … als dat nou nodig is.’

Politiechef De Klerk kuchte.

‘Het is heel erg nodig, mevrouw Zilpen. En we zijn heel blij dat u ons dit bent komen vertellen. Hebt u uw adres en telefoonnummer bij de administratie achtergelaten, zodat we weten waar we u kunnen bereiken?’

‘Jazeker’, zei ze en ze wierp een betekenisvolle blik op haar horloge.

‘Een ogenblik. Zijn u en uw man vanavond thuis?’

Ze dacht na.

‘Ik ben thuis. Mijn man heeft nachtdienst en gaat om zes uur van huis.’

‘Mooi. Zouden we voor die tijd langs mogen komen om hem een paar vragen te stellen?’

Ze knikte en stond op.

‘Ik neem aan van wel. U kunt altijd eerst even bellen.’

‘Vanzelfsprekend.’

De Klerk stond ook op en gaf haar over het bureau heen een hand. Hij meende te zien dat ze heel even weifelde voordat ze die pakte.

Nou ja, dacht hij toen ze weg was. Zo gecharmeerd was ik nou ook niet van haar.

Van Veeteren en brigadier Ewa Moreno ontmoetten Belle Vargas in café Darms aan het Alexanderplein. Belle zelf had voorgesteld om in de stad af te spreken, en toen ze een tafeltje achteraf hadden gevonden, legde ze uit waarom.

‘Ik moest even van huis weg. Ik heb een paar dagen vrij genomen van mijn werk … ik geloof dat de mensen het onfatsoenlijk zouden vinden als ze hoorden dat ik bleef doorwerken nadat mijn vader vermoord was aangetroffen. Maar ik heb in feite niets om handen. De mensen die weten wat er is gebeurd, durven niet te bellen of te storen, mijn man werkt, de kinderen zijn naar de crèche en naar school … wat moet ik in vredesnaam doen? Zitten huilen? De begrafenis doorspreken met de begrafenisondernemer? Hoewel, dat schijnt nog niet te mogen.’

‘U kunt daar beter nog een paar dagen mee wachten’, zei Ewa Moreno. ‘Zoals u begrijpt duurt het allemaal vaak wat langer in een situatie als deze … maar ik besef dat het moeilijk is.’

‘Het oog van de storm’, zei Van Veeteren en hij keek haar met een bezorgde rimpel tussen zijn wenkbrauwen aan. ‘U zit in het oog van de storm en dat is nooit zo’n prettige ervaring. Hoe voelt u zich eigenlijk?’

Belle Vargas zuchtte diep en schudde haar hoofd.

‘Ik weet het niet goed’, zei ze. ‘Ik ben er aldoor van uitgegaan dat hij dood was. En zekerheid is te verkiezen boven onzekerheid, maar ik had hem een ander einde toegewenst. Dit is … dit is verschrikkelijk.’

Haar koffiekopje rinkelde tegen het schoteltje en ze knipperde een paar tranen weg.

‘Vermoord!’ voegde ze eraan toe. ‘Mijn god, mijn arme, eenzame vader vermoord! Had u dit verwacht?’

Van Veeteren en Moreno keken elkaar aan.

‘Nee’, zei hij. ‘Maar als we eerlijk moeten zijn, verbaast het ons ook niet heel erg. U weet net zo goed als ik dat hij een goede reden had om naar Kaalbringen te gaan. Die oude zaak waar we het van het voorjaar nog over hadden, dus. Ik denk wel …’

Hij wist opeens niet meer wat hij wilde zeggen. Belle Vargas snoot haar neus in een papieren zakdoek en slaagde erin een slok koffie te nemen.

‘Sorry. Ik dacht dat ik me goed kon beheersen, maar dat valt tegen. En ja, ik begrijp wel dat hij zichzelf misschien in gevaar heeft gebracht … maar toch vind ik het moeilijk te accepteren. Mijn vader heeft daar dus vanaf april in het bos gelegen?’

‘Waarschijnlijk wel’, gaf Van Veeteren toe. ‘Maar als je eenmaal dood bent, lijd je hopelijk niet meer. Degenen die dan lijden, zijn de rouwende nabestaanden.’

Ze keek hem even verbaasd aan.

‘Misschien wel’, zei ze. ‘Ja, ik lijd in ieder geval wel, dat staat vast.’

‘U begrijpt dat we u graag nog een paar vragen willen stellen?’ begon Moreno haar af te leiden. ‘Uw vader is vermoord en we willen de dader pakken.’

‘Ik weet het’, zei Belle Vargas en ze haalde een nieuw zakdoekje uit haar handtas. ‘Jullie willen die Hennan eindelijk vinden … want die zit hier toch achter?’

‘Dat zou best kunnen’, zei Van Veeteren. ‘Maar ik durf er geen eed op te zweren.’

‘Laten we maar beginnen’, zei Belle Vargas. ‘Wat willen jullie weten?’

Van Veeteren haalde zijn gele notitieboekje tevoorschijn.

‘We moeten ons in eerste instantie concentreren op de dagen voor de verdwijning van uw vader uit Maardam.’

‘Voor zijn verdwijning?’

‘Ja, de laatste dagen van maart tot 5 of 6 april. Hoe je het ook bekijkt, er moet in die periode iets zijn gebeurd wat uw vader op het spoor van Jaan G. Hennan heeft gezet … en hij is iets te weten gekomen over de gebeurtenissen van 1987. We hebben nu nog niet veel aanknopingspunten. Alleen het telefoongesprek met uw zoon en het briefje op de keukentafel. Misschien heeft hij nog andere sporen achtergelaten?’

‘Sporen?’ Belle Vargas keek peinzend. ‘Ik zou het niet weten …’

‘Hij kan nog ergens iets hebben genoteerd of met een kennis hebben gepraat, bijvoorbeeld’, vulde Moreno aan.

Belle Vargas keek haar even met een uitdrukkingsloze blik aan voordat ze antwoord gaf.

‘Ik geloof niet dat hij kennissen had’, zei ze. ‘Mijn vader was ontzettend eenzaam. Waarom is de politie hier in april niet achteraan gegaan?’

‘Omdat …’ begon Moreno, maar toen ze merkte wat ze wilde gaan zeggen, beet ze op haar tong.

‘Omdat mijn vader pas belangrijk werd toen hij bleek te zijn vermoord’, constateerde Belle Vargas. ‘Ja, ik begrijp het maar al te goed, u hoeft het niet uit te leggen.’

Het was even stil.

‘Wat kan ik eigenlijk voor u doen?’ vroeg Belle Vargas vervolgens met een duidelijke zweem van ergernis in haar stem.

Van Veeteren kuchte nadrukkelijk.

‘Ja’, zei hij. ‘U hebt ergens wel een beetje gelijk en ik vind het vervelend dat we u moeten lastigvallen, maar we hebben geen keus. Hoe staat het met het appartement, dat is nog niet opgeruimd?’

Ze schudde haar hoofd en beet op haar lip.

‘Sorry, ik ben een beetje … ja. We hebben de huur gewoon doorbetaald, ook al heb ik er geen voet meer gezet. Als u er een kijkje wilt gaan nemen, ik heb de sleutel weer bij me.’

‘Dat komt goed uit’, zei Van Veeteren. ‘Waarom langer wachten dan nodig is? Dan kunnen we meteen even een praatje maken met de buren. Misschien dat er toch iemand contact met hem had.’

Belle Vargas overhandigde hem de sleutel die hij vier maanden geleden ook had gebruikt.

‘Sorry dat ik er van alles uit flap’, zei ze. ‘Ik bedoelde het niet zo, ik wil natuurlijk graag dat de moordenaar van mijn vader wordt gevonden.’

‘Op dat punt zijn we het volledig eens’, zei Van Veeteren. ‘We zullen er alles aan doen en ik zou u willen aanraden om morgen weer aan het werk te gaan. Wat zou daar onfatsoenlijk aan kunnen zijn?’

Belle Vargas glimlachte even.

‘Ik zal erover nadenken’, beloofde ze.

‘En wij nemen weer contact met u op als we vragen hebben’, zei Moreno.

‘Dat weet ik’, zei Belle Vargas.

‘Geen leuke opmerking die ze daarnet maakte’, zei Van Veeteren toen ze het café hadden verlaten. ‘Dat hij pas na zijn dood belangrijk is geworden.’

‘Nee’, zei Moreno. ‘Zeker niet.’

‘En ze heeft nog gelijk ook, want als – let wel, ik zeg “als” – we dankzij de moord op Maarten Verlangen die verdomde zaak-G. oplossen, dan zou me dat spontaan een gevoel van genoegdoening geven … als ik andere gedachten opzij zou schuiven, dus.’

Het duurde even voordat Moreno antwoord gaf.

‘Ik begrijp wat je zegt’, zei ze toen. ‘Maar nu is het niet anders. Verlangen is vermoord en het ergste wat er kan gebeuren is toch wel dat dit nergens toe zou leiden … het heeft geen zin om daar moralistisch over te doen.’

‘Dat ben ik met je eens’, zei Van Veeteren met een hoofdknik. ‘Wat ben je toch een slimme meid. Is het je trouwens opgevallen dat ik me daarnet in het café gedroeg alsof ik bij de politie werk? Ik heb zelfs de sleutel in ontvangst genomen.’

‘Het was me niet ontgaan’, erkende Moreno.

‘Die Moerk is echt een stuk’, merkte Rooth op. ‘Ik vraag me af of ze getrouwd is. Weet jij dat?’

‘Geen idee’, zei Münster.

‘Geen idee? Was ze er niet de vorige keer dat jij hier was?’

‘Dat is negen jaar geleden’, merkte Münster geërgerd op. ‘Voorzover ik me herinner was ze toen niet getrouwd.’

‘Mooi’, zei Rooth. ‘Dan zal ze intussen wel aan een vaste relatie toe zijn.’

Münster keek hem achterdochtig aan.

‘Je bent onbetaalbaar, Rooth. Onbetaalbaar. Zouden we ons nu misschien kunnen concentreren op datgene waarvoor we hier zijn, in plaats van jouw vermeende liefdesleven te herkauwen?’

‘Mij best’, zei Rooth. ‘Voor deze keer. Waar zijn we hier dan voor?’

Münster besefte dat die vraag in zekere zin gerechtvaardigd was.

‘Hetzelfde als altijd, neem ik aan’, zei hij en hij hield de liftdeur voor zijn collega open. ‘We moeten een moordzaak oplossen … onuitgenodigd allerlei huizen binnenstampen, in het privéleven van mensen wroeten, een dader vinden en hem met alle beschikbare middelen tot een bekentenis dwingen. Hoezo?’

Rooth stapte de ingang van het hotel uit en kreeg de middagzon in zijn ogen.

‘Het is in ieder geval mooi weer’, zei hij. ‘Maar dit keer is het meer, geef het maar toe. Meer dan naar binnen stampen en wroeten. Zou jij Hennan eigenlijk herkennen als je hem weer tegenkwam?’

Münster aarzelde.

‘Ik denk het wel’, zei hij. ‘In ieder geval als ik iets meer dan een flits van hem zou opvangen. Maar ik weet het niet zeker.’

‘Daarom wilden ze jou er waarschijnlijk bij hebben’, zei Rooth. ‘Omdat je er vijftien jaar geleden ook actief bij betrokken was.’

‘Waarschijnlijk wel, ja’, gaf Münster toe. ‘Waar hadden we de auto ook alweer neergezet?’

‘Daar’, zei Rooth en hij wees. ‘Ik vraag me af waarom ze mij erbij wilden hebben … ik was er destijds alleen zijdelings bij betrokken.’

‘Je bent mijn slaafje, snap je dat niet?’ legde Münster uit. ‘Ik bedenk de strategie, jij doet het vuile werk.’

Rooth stopte langzaam een halve Mars in zijn mond en kauwde bedachtzaam terwijl ze het plein schuin overstaken.

‘Dat geloof ik niet’, zei hij toen hij genoeg had doorgeslikt om verder te kunnen praten. ‘Volgens mij is het eerder zo dat er in deze zaak een begenadigd theoreticus nodig is met een heldere kijk op de dingen. Zeg het maar als je echt vastzit, daar hoef je je niet voor te schamen.’

‘Alsjeblieft, zeg!’ zei Münster en hij opende het portier. ‘Heb je het adres wel bij je?’

‘Tuurlijk’, zei Rooth en hij haalde een blaadje uit zijn borstzak. ‘Horst Zilpen, Donnerslaan 15. Rij jij maar, dan zal ik kaartlezen.’