33

Politiechef De Klerk trok peinzend aan zijn rechteroorlel en keek brigadier Moerk strak aan.

‘O, dus zo zit het volgens jou?’ zei hij. ‘Ik moet zeggen dat ik sceptisch ben.’

Beate Moerk haalde haar schouders op. Haar chef was wel vaker sceptisch. Met enige overdrijving kon je zelfs stellen dat het zijn meest in het oog springende eigenschap was.

Die scepsis. Ze werkte nu ruim zes jaar met hem samen, en ze wist dat hij nooit een kat in de zak kocht. Nooit iets bekend veronderstelde. Als iemand op het bureau kwam vertellen dat er een rode auto verkeerd geparkeerd stond op het plein, dan was De Klerk in staat de betrokkene te vragen of hij wel zeker wist dat het geen blauwe auto was. Of een tractor.

Aanvankelijk had dat haar gestoord, maar later had hij op de een of andere manier haar respect verworven. Als politieman en misschien als mens, ze had in ieder geval geleerd het door de vingers te zien. Ze hadden ook bij enkele gelegenheden gediscussieerd over de eventuele waarde van ‘de gezonde twijfel als methode’, zoals hij het graag mocht noemen, en af en toe had ze hem gelijk moeten geven.

Maar alleen af en toe. En hij dreef het nooit tot in het absurde door, godzijdank. Politiechef De Klerk had per slot van rekening wel een vrouw en drie kinderen, daar bestond geen enkele twijfel over.

‘Het is een werkhypothese’, legde ze uit en ze begon haar papieren bij elkaar te rapen. ‘Meer niet.’

‘We weten nog niet eens of het Verlangen is.’

‘Klopt.’

‘Die moord in Linden was vijftien jaar geleden. Als het al moord was.’

‘Dat weet ik.’

‘Die oude commissaris is een tikje bezeten van deze zaak, is het niet?’

‘Bezeten?’ vroeg Beate Moerk. ‘Nee, dat geloof ik niet. Maar hij heeft een neus voor dingen, daar zou elke jachthond uit afgunst zijn hals voor laten zien.’

‘Een neus?’ vroeg De Klerk. ‘Ja, ja.’

Beate Moerk zuchtte en keek op haar horloge. Het was twintig over elf.

‘Nou ja’, vervolgde De Klerk, terwijl hij voor het evenwicht aan zijn andere oorlel begon te trekken. ‘Als Jaan G. Hennan echt in de stad blijkt te zitten, komt de zaak natuurlijk in een ander daglicht te staan. In ieder geval moeten we wachten op de identificatie van de dode.’

‘Ik ben ervan overtuigd dat het Verlangen is’, stelde Beate Moerk vast en ze stopte de half gesorteerde papieren nonchalant in haar tas. ‘Dat zegt mijn vrouwelijke intuïtie.’

‘Zegt die verder nog iets?’

‘Jazeker. Die zegt mij bijvoorbeeld dat het van cruciaal belang is om getuigen te vinden die hem in april jongstleden in de stad hebben gezien. Een foto in de krant, een oproep aan het publiek om zich te melden, misschien ook …’

‘Ho, ho’, viel De Klerk haar in de rede. ‘Niet zo snel. Dat bespreken we zodra we weten dat hij het is. Dat zal morgen toch wel bekend zijn?’

‘Als het Verlangen is, weten we dat morgen. Als het iemand anders is, zullen we langer geduld moeten hebben.’

‘Daar heb je gelijk in’, zei De Klerk. ‘Maar nu sluiten we de tent, het is verdorie al bijna middernacht.’

‘Dat heb je met een moordonderzoek’, merkte Beate Moerk op.

Hij trok een wenkbrauw op en ze kon aan hem zien dat ze zich had verraden. Dat hij begreep dat ze dat bijna leuk vond.

Ik ben pervers, dacht ze. Maar de laatste keer was negen jaar geleden, dus zo gek is het dan toch niet?

Op de terugweg herinnerde ze zich weer wat er negen jaar geleden echt was gebeurd en ze merkte dat de haartjes op haar onderarmen recht overeind gingen staan.

Inspecteur Münster had het grootste deel van de zondag aan zijn kinderen besteed.

’s Ochtends had hij zijn dochter Marieke naar een boerderij bij Loewingen gebracht, waar vier paarden en twee vriendinnen waren. Vroeg in de middag had hij zijn zoon Bart bij het Richterstadion afgezet, vanwaar hij met de bus verder zou gaan naar een voetbalwedstrijd in Linzhuisen.

Thuisgekomen was hij in het tweepersoonsbed gaan liggen stoeien met Edwina, die vijftien maanden oud was.

Synn, zijn vrouw, had een vrije dag, en bevond zich op een onbekende plaats. Waarschijnlijk ergens aan zee met een of meerdere vriendinnen. Het was een mooie dag met een heldere hemel en een lekker briesje, en toen ze elkaar tussen de kindertransporten door even zagen, had hij een glimp opgevangen van zowel handdoeken als een lunchpakket. Maar de afspraak was dat hij er niet naar zou vragen.

Edwina viel om drie uur in slaap en de inspecteur een kwartier later.

Edwina werd niet wakker van de telefoon, maar haar vader wel.

Van Veeteren.

De commissaris.

Op zondagmiddag? Münster voelde zich opeens wakkerder dan hij het laatste half jaar was geweest.

‘Ja, hoor’, zei hij. ‘Ik heb wel even tijd.’

‘Prachtig’, zei Van Veeteren. ‘Ja, het spijt me echt als ik de familie-idylle en de weekendrust verstoor …’

‘Draai er maar niet omheen’, zei Münster. ‘Waar gaat het over?’

Ik durf nu meer dan vroeger, dacht hij intussen. Veel meer.

‘Het gaat over Verlangen’, zei Van Veeteren. ‘Maarten Verlangen, die ken je nog wel, neem ik aan?’

‘Ja, die ken ik nog wel’, bevestigde Münster en hij liep naar de hal om Edwina’s slaap niet te verstoren.

‘Hij is dood’, zei Van Veeteren. ‘Ze hebben hem eindelijk gevonden. In Kaalbringen, het was geen rook zonder vuur het afgelopen voorjaar.’

Münster dacht snel na hoe de omstandigheden rond de verdwijning ook alweer geweest waren.

‘Juist’, zei hij. ‘En hij is dus …?’

‘Vermoord, ja. Van dichtbij door het hoofd geschoten. Het lichaam is gisteren ergens in het bos gevonden, de identificatie is vandaag afgerond. Ik heb met zijn dochter en met de politie van Kaalbringen gesproken … met Beate Moerk, als je die nog kent.’

‘Sodeju’, zei Münster en hij merkte dat hij bloosde bij het horen van haar naam. ‘Dus er is een verband?’

‘Dat lijkt me wel’, zei Van Veeteren. ‘In ieder geval zullen ze daar enige hulp kunnen gebruiken, en gezien het verband met vroegere gebeurtenissen … ja, zou het zinvol zijn als wij dat op ons nemen.’

Wij? dacht Münster en hij probeerde snel een analyse te maken van de inhoud van de betekenis van dat voornaamwoord.

‘De Maardamse recherche, bedoel ik natuurlijk’, preciseerde Van Veeteren.

Zou het? dacht Münster.

‘Ik wil het best met Hiller opnemen als je dat wilt’, verklaarde hij bereidwillig. ‘Maar je weet nooit hoe …’

‘Ik heb al met hem gesproken’, zei Van Veeteren. ‘Er zijn geen bezwaren.’

‘Al gesproken?’

‘Ja.’

‘Oké dan.’

‘Precies. Maar het zou niet verkeerd zijn als het ook in goede handen terechtkwam.’

‘Wat? Goede handen. Hoe bedoelt … hoe bedoel je?’

‘Iemand met kennis van zaken. Zowel wat betreft G. als wat betreft Kaalbringen. Snap je?’

Münster begreep het wel, maar wachtte een paar seconden alvorens te antwoorden.

‘Aha, op die manier’, zei hij vervolgens. ‘Ja, misschien wel. Ik zal eens horen hoe Hiller daartegenover staat. Ik heb nog wel een paar andere dingen te doen, maar als het kan, dan …’

De commissaris kuchte in de hoorn en Münster zweeg.

‘Hrrm, nou ja, dat hoeft eigenlijk niet. Toen ik hem toch aan de lijn had … je snapt het wel. Je gaat er morgen heen, samen met Rooth. Fijn dat je het wilt doen.’

Toen hing hij op. Münster bleef nog een hele poos naar de telefoon staan staren. Wat was dat nou? dacht hij. Vroeg hij niet eerst of hij stoorde? Eigenaardig.

Of liever: typisch.

Hij keek even bij Edwina en constateerde dat ze nog steeds sliep als een blok, daarna liep hij naar de keuken om een pittig bakje koffie te zetten.

Beate Moerk had het koud.

Dat had aanwijsbare oorzaken. Ze zat poedelnaakt op een hoge, ongemakkelijke kruk en het had best een paar graden warmer mogen zijn in het vertrek.

‘Het is mooi geweest’, zei ze. ‘Al mijn spieren doen pijn, ook twee die ik niet eens heb.’

‘Rustig nou, schat’, zei Franek. ‘Nog heel even, bedenk dat je voor het nageslacht behouden blijft. Nee, stilzitten!’

‘Wat kan mij het nageslacht schelen. We hadden een half uur afgesproken, maar dit was zeker al drie kwartier.’

Hij nam haar over de rand van zijn palet heen op. Met één oog dichtgeknepen en turend met het andere.

‘Een voordeel van naaktmodellen is dat ze geen horloge dragen’, constateerde hij. ‘Maar goed, dan zetten we er een punt achter. Kom het wonder maar aanschouwen. Godsamme, voor jouw heuplijn zou een Griekse god nog van de Olympus neerdalen!’

‘Ga toch weg’, zei Beate Moerk en ze wurmde zich in haar badjas. ‘Blinde kladschilder kletst uit zijn nek.’

Ze liep om de ezel heen, kroop onder zijn arm en keek naar het half voltooide schilderij. Ze besefte dat het ergens op begon te lijken en dat ze het leuk vond wat hij over haar heupen zei.

‘Het is verdraaid ongemakkelijk, dat moet je wel weten. Ik had dat nooit begrepen, van de rol van het lijden in de kunst, voordat ik me liet overhalen om model te zitten.’

‘Precies’, zei hij. ‘Het moet moeite kosten, dat is de bedoeling. Pezen en spieren moeten gespannen en zichtbaar zijn, er zijn al veel te veel rustende nimfen.’

‘Er zijn mensen die vinden dat er al veel te veel naakte vrouwenlichamen zijn in de kunst.’

‘Een misverstand’, zei hij. ‘Je kunt met evenveel recht beweren dat je geen beeldspraak mag gebruiken in de literatuur … En daar is misschien nog wel iets voor te zeggen.’

Hij leek er serieus over na te denken, zoals vaker wanneer een dwaas idee bij hem postvatte. Hij zoog op de steel van zijn penseel en fronste zijn voorhoofd. Daarom hou ik van hem, dacht ze opeens … omdat hij alles, het maakt niet uit wat, zo ontzettend serieus neemt.

Omdat hij zo oprecht geïnteresseerd is in de wereld om hem heen.

Ze knoopte de ceintuur van haar badjas dicht. Ik overschat hem, dacht ze. Maar dat kan me niets schelen. Je kunt beter wat speling hebben als de verveling toeslaat.

Maar hopelijk was dat tijdstip nog ver weg. Beate Moerk had Franek Lapter ontmoet op een feest twee maanden na de beruchte zaak van de bijlmoordenaar, negen jaar geleden, en de tweede keer dat ze vreeën was ze in verwachting geraakt. Niet erg, had Franek gevonden toen ze het vertelde. We hadden het beiden slechter kunnen treffen.

Ze waren getrouwd, hadden een oud huis aan de Limmingerweg gekocht, aan de kant van Groonfelt, hadden binnen anderhalf jaar hun eerste kind gekregen en het tweede verwekt. Zo lang was ze ook ongeveer vrij geweest van haar werk als rechercheur in het politiedistrict Kaalbringen. Misschien waren er mensen die vonden dat een goede moeder langer thuis moest blijven om op haar kroost te passen, maar Franek had zijn atelier op de bovenverdieping en hij voelde er niets voor om Leon of Myra uit te besteden. In ieder geval geen uren achtereen. Dus wat lette hen?

En nu hadden ze het over een moord.

Ik ben dol op mijn man en mijn kinderen, dacht ze. Maar ik hou nog meer van hen als ik mag toegeven aan mijn perverse neigingen.

‘Je bent een beetje gefixeerd op dat lijk, hè?’ vroeg hij, terwijl hij zijn penselen begon uit te spoelen boven de metalen uitstortgootsteen. ‘Was het nou inderdaad die oude privédetective uit Maardam?’

Beate Moerk trok een paar dikke wollen sokken aan, rekte haar rug en knikte.

‘Verlangen’, zei ze. ‘Ja, die was het.’

‘En is het de bedoeling dat jij en De Klerk dat gaan oplossen?’

‘Denk je soms dat we dat niet kunnen?’

Hij dacht even na.

‘Jij kunt dat wel. En één genie is waarschijnlijk genoeg om de vergelijking op te lossen. Zolang de anderen maar koffie voor je zetten en je niet te veel voor de voeten lopen.’

‘De vergelijking?’ zei Beate Moerk lachend. ‘Ik heb op school nooit meer dan zesjes gehaald voor wiskunde. Het gaat niet om vergelijkingen, het is waarschijnlijk gewoon ploeteren. We krijgen trouwens hulp van buiten.’

‘Van buiten. Is het zo serieus?’

Ze besefte dat Franek, die in staat was medelijden te krijgen met een gewonde vlieg, het belang van grotere dingen soms moeilijk kon inschatten. Misschien kon dat niet anders met zijn karakter. Omwille van de balans. Omwille van de kunst.

Het perspectief van de buitenstaander, zoals dat heette.

Apekool, dacht ze. Ik overschat zijn denkwereld ook al. Maar dat zal er wel bij horen als je van iemand houdt.

‘Hoe bedoel je? Een moord ís toch serieus?’

Hij was klaar met het schoonmaken van zijn penselen. Hij droogde zijn handen af aan zijn geruite flanellen overhemd en kwam met open armen op haar af. Toen hij haar omhelsde, hoorde ze haar ribben kraken.

‘Ja, natuurlijk’, zei hij. ‘Mag ik nog een blik werpen op je bekkenpartij, ik geloof dat ik die nog niet helemaal goed op het doek heb gekregen.’

‘Grr’, zei ze en ze beet in zijn schouder. ‘Ik ben blij dat je geen naaktmodellen meer van buiten haalt.’

Het vrijen nam tijd in beslag en was net zo lekker als anders, maar toen hij met tegenzin naar zijn eigen helft was gerold en in slaap was gevallen, lag ze zelf nog zeker een uur wakker.

Dat was natuurlijk niet zo verbazingwekkend. Vreemde en bekende namen zweefden als een mantra door haar hoofd: Barbara Hennan, Jaan G. Hennan, Maarten Verlangen, commissaris Van Veeteren …

En Münster! Die had ze in geen negen jaar gezien. Ze hadden elkaar ook nooit gebeld, alsof ze dat zo afgesproken hadden. Toch wist ze nog als de dag van gisteren hoe weinig het had gescheeld of ze hadden een relatie gehad. Of ze waren met elkaar in bed gedoken.

Terwijl ze volop aan de zaak van de bijlmoordenaar werkten! Misschien hing het op de een of andere manier samen met haar perversiteit?

Morgen zou hij weer in Kaalbringen zijn.

Een geluk dat ik gesetteld ben, dacht ze. Godzijdank.