31

Bij nader inzien, en in het heldere ochtendlicht vanuit een zo goed als wolkeloze hemel, had Bausen niet veel zin om een bezoek te brengen aan het politiebureau aan de Kleinmarckt in Kaalbringen. Hij had daar negen jaar lang geen voet gezet, en nadat hij zijn twijfels had geuit, was zijn bijdrage teruggebracht tot een telefoontje naar het bureau, waarin hij meedeelde dat commissaris Van Veeteren graag een bezoek wilde komen brengen om bepaalde feiten te bespreken.

Politiechef De Klerk bleek uitgerekend deze zaterdag elders bezig te zijn, maar brigadier Moerk was tot drie uur op het bureau, zei ze, en ze was meteen enthousiast over het idee Van Veeteren na al die jaren weer te zullen zien.

Zo formuleerde Bausen het in ieder geval toen hij het gesprek had beëindigd en verklaarde dat de kust veilig was.

‘Het is nu tien uur’, constateerde hij ook. ‘Zullen we om één uur lunchen in De Blauwe Schuit? Je weet toch nog wel waar dat zit?’

‘Ik kan elk steegje en elke lantaarnpaal in dit godvergeten gat nog vinden’, verklaarde Van Veeteren vriendelijk. ‘Om één uur, afgesproken.’

Beate Moerk leek ongeveer negen maanden ouder geworden te zijn in negen jaar, maar toch was ze een soort grens overgegaan, had hij het idee. Ze maakte er ook geen geheim van wat er achter dit milde rijpingsproces schuilging.

‘Huisje, boompje, beestje’, verklaarde ze toen ze koffie had ingeschonken en een schaal koffiebroodjes had neergezet van banketbakkerij Sylvie, die nog steeds bij het politiebureau om de hoek zat. ‘Ik ben getrouwd en heb twee kinderen. Je leeft maar één keer, dus dat leek me een goed idee.’

‘Heel verstandig’, was Van Veeteren het met haar eens. ‘Doe je man de groeten en feliciteer hem van me. Ik ben ervan overtuigd dat hij zich gelukkig mag prijzen.’

‘Tss’, zei brigadier Moerk en ze kreeg een bescheiden blos op haar wangen. ‘En wat komt u hier doen, commissaris?’

‘Ik ben boekhandelaar’, verbeterde Van Veeteren haar. ‘Ik werk tegenwoordig in een antiquariaat. Maar zeg maar “je” hoor.’

‘Ben je gestopt?’ vroeg ze verbaasd. ‘Daar heeft Bausen niets over gezegd.’

‘Vijfenhalf jaar geleden. Maar nu ben ik hier voor een smerig oud zaakje dat mij al jaren achtervolgt, mag ik wel zeggen.’

Ze keek opeens oprecht bezorgd.

‘Ja, daar zinspeelde Bausen op. Als wij ergens mee kunnen helpen, zullen we natuurlijk alles doen wat in ons vermogen ligt … dat weet je wel.’

Van Veeteren knikte en wreef met zijn hand over zijn wangen en kin. Hij realiseerde zich dat hij zich niet had geschoren.

‘Fijn dat te horen’, zei hij. ‘Ja, als ik je het verhaal in grote lijnen vertel, kunnen jullie daarna misschien een paar dingen voor me uitzoeken. Het zou niet moeilijk moeten zijn om vast te stellen of ik op het goede spoor zit of niet. Om te beginnen gaat het dus om een zekere Maarten Verlangen …’

Het was de derde keer binnen een paar dagen dat hij de zaak-G. tot in de details uit de doeken deed – aan Ulrike, aan Bausen en nu aan Beate Moerk – en hij kreeg langzamerhand het idee dat de gebeurtenissen, telkens wanneer hij erover vertelde, verder van hem af kwamen te staan.

Misschien was dat niet zo raar. De memoires die hij had willen schrijven, waren definitief afgeketst op Jaan G. Hennan, dus vermoedelijk bevatte deze oude geschiedenis – naast alle andere, traumatische rommel – aspecten die verborgen moesten blijven. Dingen die elke beschrijving tartten. Of in ieder geval zijn eigen voorzichtige pogingen in die richting.

Misschien een soort therapie die me op een dag zal genezen? vroeg hij zich verbaasd af. Die pogingen dus. Maar waarom kan ik die hele ellende niet amputeren zodat ik er voorgoed vanaf ben?

Beate Moerk was duidelijk geïnteresseerd in alle gebeurtenissen. Ze stelde vragen, maakte aantekeningen en vroeg hem om nadere uitleg, zodat de hele procedure drie koppen koffie, evenveel koffiebroodjes en bijna een uur kostte.

Wat betreft de inzet van de politie van Kaalbringen: die was in heel wat minder tijd bepaald.

Aangezien er niet veel acties waren die je van hen kon vragen.

Behalve Verlangen zoeken.

Of in ieder geval iets wat erop wees dat hij in de stad had verbleven. Drie weken geleden ongeveer. Rond 15 april. Beate Moerk beloofde dat ze meteen zou gaan spitten. Als het meezat, kon ze alle hotels en pensions in een paar uur hebben gecheckt, en ze spraken af dat ze ongeacht de uitkomst Bausen er die avond thuis over zou bellen.

Wat betreft Jaan G. Hennan: naar hem zouden ze op soortgelijke, maar liefst iets discretere wijze naspeuringen doen. Als hij zich echt in Kaalbringen bevond, en als hij zijn eigen naam gebruikte, moest het niet zo moeilijk zijn om hem te vinden. Als hij daarentegen – om wat voor reden dan ook – voor een andere identiteit had gekozen, ja, dan werd het natuurlijk een ander verhaal.

Dat G., waar hij ook mocht zijn, een vrij man was met dezelfde rechten als iedere burger, was natuurlijk ook een feit waarmee ze rekening moesten houden.

Van Veeteren verklaarde dat hij, voorzover er voor die tijd geen opzienbarende dingen gebeurden, op zondagavond de terugtocht naar Maardam wilde aanvaarden en hij vroeg of hij brigadier Moerk een late lunch of een vroeg diner zou mogen aanbieden voordat hij Kaalbringen verliet.

Eventueel in gezelschap van Bausen. Morgen dus.

Hij meende te zien dat ze een seconde aarzelde voordat ze het voorstel in principe aannam.

Ze moest het alleen nog met haar man bespreken.

Dat was natuurlijk niet meer dan logisch; ze beloofde dat ze definitief uitsluitsel zou geven als ze die avond belde.

Hij moest nog ruim een uur zien door te komen voordat het tijd was voor zijn afspraak met Bausen, en hij maakte een wandeling naar de jachthaven. Hij stak de Vismarkt schuin over en liep verder door straten en langs gebouwen waarvan de namen hem weer te binnen schoten zodra hij ze zag: de Doomssteeg, de Boulevard, hotel See Warf – waar hij ruim een maand had gelogeerd – de Hoistraat en de Minderssteeg.

Het was een raar gevoel om hier weer rond te lopen. De zaak van de bijlmoordenaar lag bijna tien jaar achter hem, maar die afstand werd snel kleiner – zoals dat gaat wanneer je na lange tijd terug bent op een plek die je in de tussentijd nooit meer hebt bezocht. De boten die in de jachthaven lagen te dobberen zouden nog exact dezelfde kunnen zijn als toen, leek het hem, het ijskraampje en de meisjes die ervoor stonden ook, en toen hij het platgetreden fiets- en voetpad door het stadspark insloeg, had hij opeens het idee dat hij de plek waar indertijd een van de slachtoffers van de scherpgeslepen bijl van de moordenaar was gevallen moeiteloos zou kunnen vinden.

Dat was niet zo. Hij kwam in de villawijk Rikken terecht zonder dat hij de precieze plaats van het misdrijf had gevonden, en hij begreep dat de herkenning bij het weerzien voor een groot deel illusie was. Hoe kon het ook anders?

Terwijl hij de kortste weg naar restaurant De Blauwe Schuit probeerde te vinden, dacht hij erover na of hij G. zou herkennen als hij opeens oog in oog met hem stond.

Dat was lang niet zeker, besefte hij. Al helemaal niet als het niet meer was dan een vluchtige ontmoeting in een mensenmassa.

En als G. – tegen alle verwachtingen in, redeneerde hij verder – daadwerkelijk in Kaalbringen was, en hier incognito wilde verblijven, ja, dan had hij werkelijk alle kans om in die opzet te slagen.

In vijftien jaar tijd was elke cel van je lichaam al twee keer vervangen, als Van Veeteren het goed had onthouden van de biologielessen vroeger op de middelbare school. Eigenlijk was je al verjaard.

Enigszins somber gestemd bereikte hij om even na enen De Blauwe Schuit. Bausen zat al op een plaatsje bij het raam met een fraai uitzicht.

Ulrike had toch gelijk, bedacht Van Veeteren. Dit leidt nergens toe.

Maar het is best leuk om een oude bijlmoordenaar weer te zien. Ongetwijfeld.

Zodra Van Veeteren het politiebureau van Kaalbringen had verlaten, begon Beate Moerk aan haar taak. Er stonden achtentwintig hotels en pensions in de telefoongids waaruit je kon kiezen als je een of meerdere nachten in het kleine kustplaatsje wilde doorbrengen, maar ze wist dat slechts ongeveer de helft ervan het hele jaar door open was. Hoe dat in de normaal gesproken nogal regenachtige en ongastvrije maand april zat, wist ze niet, maar ze besloot geen enkele mogelijkheid uit te sluiten en begon de etablissementen een voor een op alfabetische volgorde af te werken.

Na vijf telefoontjes veranderde ze van tactiek. Ze besloot de fax te gebruiken in plaats van de telefoon en een half uur later had ze haar vraag verstuurd naar alle denkbare logeeradressen in de stad die al uit hun winterslaap waren ontwaakt. Weliswaar zonder foto van de gezochte. Verlangen bood in gekopieerde vorm een nog miserabeler aanblik dan in het echt – het was net een mislukte rorschachtest of zoiets – en gezien het feit dat het Van Veeteren niet aannemelijk leek dat hij een valse naam gebruikt zou hebben, maakte dat hopelijk niet zo veel uit.

De vraag was dus of ze de naam Maarten Verlangen in hun register hadden.

Ergens in april van dit jaar – of op enig ander moment, trouwens.

Reacties aan brigadier Moerk op het politiebureau. Als het even kon voor vijf uur. Negatief of positief. Bij voorbaat dank.

Een routinezaak, maar er was haast bij.

Toen ze een paar minuten na drieën haar kamer verliet, had ze van elf van de negentien een antwoord gekregen.

Stuk voor stuk negatief.

Van Veeteren had een keer winst en een keer remise geboekt in de partijtjes van de vorige avond, maar zaterdagmiddag wist Bausen de stand met 2-2 gelijk te maken. Ze besloten de beslissende vijfde partij tot later die avond uit te stellen. Ze maakten samen – maar onder de bezielende leiding van chef-kok Bausen – het eten klaar: een eenpansgerecht van roodbaars, stokvis, mosselen, olijven, knoflook, ontvelde tomaten en peterselie, en aten dat met saffraanrijst en dunne reepjes knapperig gebakken spek.

Van Veeteren was geneigd het met Bausen eens te zijn dat het niet gemakkelijk zou zijn iets lekkerders te vinden. Zeker niet als je het gerecht, zoals zij, vergezeld liet gaan van een witte Meursault, een van de allerlaatste flessen uit 1973 die Bausen nog had staan.

Zwarte koffie, een calvados en een Monte Canariosigaar ter afsluiting, alsmede iets later een paar eenvoudige, maar duidelijke demonstraties van Iyangar yogaoefeningen, speciaal geschikt voor mensen met stijve heupen en te korte hamstrings. Voor mannen van boven de vijftien, kortom.

Maar niet meteen na het eten, alsjeblieft, zeg! Dit keer ging het puur om de theorie.

Toen dat achter de rug was, belde brigadier Moerk om verslag uit te brengen. Bausen gaf de hoorn aan Van Veeteren, die onderuitgezakt op de bank te horen kreeg dat zeventien van de negentien hotels en pensions hadden gereageerd en hadden verklaard dat ze niemand met de naam Maarten Verlangen – of iemand die aan zijn beschrijving voldeed – onderdak hadden gegeven dat jaar. Noch in april, noch in een andere maand.

Bleven er twee over die nog niet hadden gereageerd, waarschijnlijk omdat ze nog niet open waren voor het seizoen, maar Beate Moerk beloofde dat detail morgen te zullen onderzoeken. Verder zag ze ernaar uit om dan rond een uur of zes met beide ex-commissarissen te mogen dineren.

‘Waar?’ vroeg ze.

Van Veeteren overlegde snel met zijn gastheer, en ze werden het eens over Fisherman’s Friend. Het beste zou toch goed genoeg moeten zijn, zo’n weekend scheen het te zijn.

Brigadier Moerk zei dat ze dat een goede keus vond en wenste de heren nog een prettige avond. Wat deden ze eigenlijk? Wijn drinken, roken en schaken zeker?

Goh, yogaoefeningen?

Ze wenste hun mooie dromen en beterschap en hing op. Van Veeteren betrapte zichzelf op een glimlach.

De vijfde partij mondde vrij snel in remise uit en aangezien het nog maar half twaalf was en er nog een halfvolle fles Conde de Valdemar ’91 op tafel stond, werden ze het eens over een laatste poging om een beslissing te forceren.

En zo kwam het dat Bausen pas na tweeën met een zucht van vermoeidheid de laatste kaars uitblies. Weer remise. Eindstand: 3-3.

‘Het is niet anders’, vatte Van Veeteren samen toen hij zich in het logeerbed had genesteld en Bausen hem vanuit de deuropening welterusten wenste. ‘We zijn gewoon niet te verslaan.’

‘Zo is het maar net’, zei Bausen. ‘Als die G. hier in de stad is, zullen we die kerel eens een lesje leren.’

‘Ik hoop dat we dat nog eens mogen beleven’, zei Van Veeteren. ‘Ja, als Verlangen morgen gevonden wordt, dan wed ik dat deze zaak toch nog een staartje krijgt.’

Maar zo ging het niet.

‘Helaas’, constateerde brigadier Moerk toen ze aan een tafeltje buiten op het met glazen wanden omgeven terras van Fisherman’s Friend zaten. ‘Verlangen schijnt hier toch niet te zijn geweest. Hij heeft in ieder geval niet in een van de hotels of pensions overnacht.’

‘Hoe nauwkeurig hebben jullie het gecontroleerd?’ vroeg Bausen.

‘Zo nauwkeurig als je maar kunt wensen’, verklaarde Beate Moerk. ‘Maar niet helemaal honderd procent natuurlijk. Je hebt ook de jeugdherberg nog en bijvoorbeeld de particuliere kamerverhuur, maar dat is alleen in de zomermaanden. Als hij hier een paar dagen is geweest, kan hij ook bij een kennis hebben gelogeerd. Toch?’

‘Dat kan’, zei Van Veeteren. ‘Maar het is niet erg waarschijnlijk. Enerzijds kent hij niemand als je zijn dochter mag geloven … tenminste niet buiten Maardam. Anderzijds zou een vriend het hebben gemeld als hij was verdwenen. Maar het is zo duidelijk als wat dat dit allemaal een strohalm is. Hij kan ook nog op doorreis zijn geweest.’

‘Hij had toch vanaf het station met zijn kleinzoon gebeld?’ vroeg Beate Moerk.

‘Helaas wel’, zei Van Veeteren. ‘Vanuit een telefooncel. Dat kan er natuurlijk op wijzen dat hij onderweg was naar elders – of terug naar Maardam – maar ik geloof niet dat we er iets mee opschieten door daarover te speculeren.’

‘Toch sluit dat de mogelijkheid niet uit dat hij hier een paar dagen heeft doorgebracht’, constateerde Bausen optimistisch. ‘En dat is toch de hoofdzaak, als ik het goed begrijp?’

Van Veeteren knikte. De hoofdzaak? dacht hij en hij keek uit over de zee, die honderd meter onder hen grijs en afwachtend in het vroege schemerlicht lag. Wat bedoelt hij met de hoofdzaak?

De ober kwam de kaart brengen en het gesprek stokte. Van Veeteren bladerde voorzichtig door de stijve bladzijden en herinnerde zich dat dit niet zomaar een restaurant was. Het stond boven op een kalksteenrots een kilometer of wat ten oosten van Kaalbringen, waar de kust markant oprees, en vooral hierbuiten op het terras voelde je dat het element lucht de dienst uitmaakte. Kokmeeuwen en mantelmeeuwen zeilden rond op de zachte wind, en hij herinnerde zich – of meende zich te herinneren – dat hij negen jaar geleden samen met Bausen aan exact ditzelfde tafeltje had gezeten. Tarbot, toch? En waarschijnlijk een sauternes …

Vóór het antiquariaat, vóór Ulrike, toen Erich nog leefde.

Er zijn nog geen tien jaar verstreken, dacht hij. Toch is mijn leven ingrijpend veranderd. Dat had ik toen niet kunnen denken.

Bausen kuchte en Van Veeteren keerde terug naar het heden.

‘Tja’, zei hij. ‘Verlangen is hier waarschijnlijk wel geweest, in ieder geval een paar uur, maar verder komen we blijkbaar niet. Ik moet deze trip toch maar als een plezierreisje beschouwen.’

‘Ho, ho’, zei Bausen. ‘Je kunt best één ding doen en het ander niet laten. Ik neem aan dat de man nu wordt gezocht, en dat de politie nog even alert is als vroeger.’

Er scheen een zekere ironie te schuilen in dit vermoeden en Beate Moerk glimlachte om aan te geven dat die haar niet was ontgaan.

‘Ogen op steeltjes’, verklaarde ze. ‘Als we maar het geringste spoor van Verlangen of van Jaan G. Hennan vinden, dan zullen we dat meteen melden, dat beloof ik. Aan de Maardamse recherche of …?’

‘Nja’, zei Van Veeteren en hij haalde zijn kaartje tevoorschijn. ‘Bel voorlopig maar naar Krantzes antiquariaat. Discretie is van het grootste belang.’

‘Ik begrijp het’, zei Beate Moerk en ze nam het kaartje in ontvangst. ‘Maar nu begin ik eerlijk gezegd een beetje trek te krijgen. Was er geen maaltijd inbegrepen bij deze afspraak?’

‘Dat klopt’, zei Bausen. Alles op zijn tijd, nu gaan we eten.’

In de auto onderweg naar huis luisterde hij naar Pergolesi en dacht hij na over zijn memoires.

Of eerder over de vraag hoe het kwam dat hij daarmee was gestopt.

Welbeschouwd lag het niet aan de zaak-G. dat hij het project had laten varen, ook al weet hij het daar soms wel aan. Natuurlijk niet. Het viel toevallig samen in de tijd en hij had een smoes nodig.

De waarheid was dat hij geen behoefte meer had om te documenteren. Geen behoefte om te formuleren en dertig jaar werken bij de recherche op schrift te stellen … vanuit het gevoel dat er iets te rechtvaardigen viel.

Net als de retroactieve authenticiteit van foto’s van een mislukte vakantie, had hij gedacht. Vakanties waarvan je niet had weten te genieten, waarbij het documenteren de ervaring zelf had vervangen.

Dat had natuurlijk zijn positieve en zijn negatieve kanten. Het is godzijdank altijd mogelijk om van de grootste fiasco’s schitterende poëzie te maken. Dat had Mahler hem een keer toevertrouwd, en waarschijnlijk was er een zekere parallel met zijn memoiresschrijverij … iets waar hij dus de brui aan had gegeven, omdat hij de onduidelijke drang om zijn verrichtingen te boekstaven kwijt was. Daarin speelde Ulrike natuurlijk ook een belangrijke rol. Zoals in alles.

De woorden uit de brief aan de Corinthiërs kwamen weer bij hem op en hij vroeg zich af hoe zijn leven eruit zou hebben gezien als Ulrike er niet in binnen was komen zeilen. Als niet dit en als niet dat, het had geen zin om erover te speculeren, natuurlijk niet, en hij kreeg er algauw genoeg van om paden te zoeken door het moeras van hoe het ook had kunnen gaan. Het leven was geworden zoals het was geworden, en als hij iets zou moeten voelen, dan was het wel dankbaarheid. Ondanks alles.

Jaren van genade?

Hij liet de fictie aan haar lot over en probeerde zijn gedachten bij zogenaamde feitelijkheden te houden, zoals Maarten Verlangen en Jaan G. Hennan.

Wat wist hij?

Als hij eerlijk moest zijn niets.

Wat dacht hij dan?

Of: welke redenen had hij voor bepaalde veronderstellingen? Hij moest het waarschijnlijk iets nauwkeuriger afbakenen.

Hij dacht even na, terwijl hij Pergolesi voor Bruckner verwisselde.

Er was iets gebeurd.

Onbetwistbaar, zoals dat heette.

Verlangen was iets op het spoor geweest. Hij was te dicht bij het vuur gekomen en had zich gebrand.

Hij had zich niet alleen maar gebrand. Hij was verbrand.

Vermoord.

Door G.?

Dat had hij meteen al gedacht, zodra de dochter van Verlangen naar het antiquariaat was gekomen en haar verhaal had verteld. Maar had hij echt wel goede gronden voor die veronderstelling?

Was die überhaupt ergens op gebaseerd?

Lagen de stoffelijke resten van Maarten Verlangen echt ergens in de buurt van Kaalbringen begraven (of waren ze in zee gedumpt), terwijl de fameuze ex-rechercheur Van Veeteren hier in zijn warme auto zat en maakte dat hij wegkwam? Zag het er zo uit? In de ogen van een alziende, alwetende en mild ironische god?

Goede gronden? Wat een flauwekul.

Ik kom er nooit achter, dacht hij opeens. Ik kom er nooit achter hoe de moord op Barbara Clarissa Hennan is gepleegd of wat er vijftien jaar daarna met Maarten Verlangen is gebeurd.

Daar komt niemand ooit achter, dat zul je zien.

Het is verdomd irritant, maar zo is het.

Hierin vergiste voormalig rechercheur Van Veeteren zich, maar het zou nog een hele zomer duren voordat dat duidelijk werd, en tegen die tijd was hij allang vergeten dat hij de hoop ooit had opgegeven.