30

Ulrike was sceptisch.

‘Ik begrijp dat het je bezighoudt’, zei ze. ‘Natuurlijk begrijp ik dat. Maar ik begrijp niet wat je denkt te kunnen winnen door daarheen te gaan.’

Ze hadden een vereenvoudigde boeuf bourguignon gegeten met een Barolo ’97 erbij en hij had haar over beide zaken verteld.

Zowel over G. als over de bijlmoordenaar uit Kaalbringen. Ze wist er wel iets van, maar van zijn aanvaringen met G. in zijn kinder- en jeugdjaren was ze niet op de hoogte geweest.

Tot nu toe niet. Het was prettig om erover te praten, merkte hij, en hij besefte dat het überhaupt de eerste keer was dat hij iemand over Adam Bronstein vertelde.

Dat slaat nergens op, dacht hij. Waarom kapsel je dergelijke pijnpunten een leven lang in? Waarom praat je er niet over? Het is verdorie meer dan vijftig jaar geleden!

En hij vroeg zich af wie hij met ‘je’ bedoelde: ‘ik’ of ‘men’? Het een sloot het ander natuurlijk niet uit, maar misschien sloeg de balans toch meer naar één kant door? Ulrike vond het – in haar hoedanigheid van vrouw en denkend wezen, beweerde ze – moeilijk te begrijpen wat het nut van een dergelijke ongezonde verdringing was, en ze vroeg of hij nog meer lijken in de kast van zijn ziel had.

‘Een compleet kerkhof’, verzekerde hij haar. ‘Maar naar Kaalbringen gaan is een manier om ermee aan de slag te gaan. Met een van die lijken, in ieder geval.’

Wat ze niet zomaar voor zoete koek slikte.

‘Zo diep zijn je beweegredenen volgens mij niet’, zei ze met een plotselinge glimlach.

‘Nee?’

‘Nee. Je wilt die Bausen weer ontmoeten, dat zit erachter.’

‘Ik zou toch nooit …’

‘Een paar avonden schaken en wijn drinken. Geef het maar toe, onnozele drogredenaar, je maakt jezelf toch niet wijs dat je Verlangen daar zult vinden?’

‘Daar geef ik liever geen antwoord op’, antwoordde Van Veeteren.

In de auto onderweg door het zonovergoten, vlakke landschap dacht hij over haar ideeën en bezwaren na. Hij besefte dat hij ze zelf niet beter had kunnen formuleren.

Dacht hij nou echt dat hij iets zou kunnen bereiken?

Verbeeldde hij zich dat hij erachter kon komen wat er met deze aan de drank verslaafde voormalige privédetective was gebeurd? Met deze voormalige sjoemelende politieman? Geloofde hij serieus dat Verlangen zich in Kaalbringen bevond/had bevonden?

Was deze reis niet eerder een symbolische handeling? Een gebaar waarvan de betekenis verwaterd was?

Kaalbringen. Het slaperige kustplaatsje waar hij tien, nee, negen jaar geleden anderhalve nazomermaand had doorgebracht, samen met Münster, tijdens het onderzoek naar een van de meest bizarre zaken uit zijn loopbaan als rechercheur.

Was er een reële mogelijkheid? Dat Verlangen zich uitgerekend daarheen had begeven?

Had Ulrike het niet bij het rechte eind gehad toen ze vermoedde dat hij zin had om Bausen weer eens op te zoeken? Om met een oude, belegen wijn achter een schaakbord te zitten in Bausens verwilderde tuin, en te theoretiseren over alles wat los en vast zat en die sfeer nog eens te proeven, die saamhorigheid die hij niet nader kon preciseren of onder woorden brengen?

Maar die er desalniettemin wel was geweest. In hoge mate. Je hoefde toch niet alles te benoemen, trouwens?

Hij keek uit over de golvende velden en merkte dat hij met zijn vingers op het stuur zat te trommelen. Spanning of verwachting? Moeilijk te bepalen. En moeilijk om motieven en persoonlijke beweegredenen aan het licht te brengen, net als altijd. Maar het was een merkwaardige samenloop van omstandigheden, dat viel niet te ontkennen. Dat de zaak-G. op deze manier na vijftien jaar weer actueel werd, en hem uitgerekend naar Kaalbringen terugvoerde. Een toeval dat zo onwaarschijnlijk was dat je het nader onder de loep moest nemen. Moest probéren te nemen.

Een teken? Een knooppunt in het patroon?

Een soort pelgrimsreis misschien? schoot het door hem heen. Omdat hij vijftig jaar geleden Adam Bronsteins leven niet had gered. Omdat hij Jaan G. Hennan zowel toen als later zijn gang had laten gaan.

Omdat hij geen contact had gehouden met commissaris Bausen, wat hij wel had moeten doen … en voor Erich?

Nu werd er plotseling een deur op een kier gezet en kreeg hij de kans om met een aantal dingen in het reine te komen. Zou je het zo niet mogen zien?

Bullshit, dacht hij. Wat heeft Erich hiermee te maken?

Het was weer het oude liedje. De vermetele poging van een figurant om een regie te doorzien waar hij geen benul van heeft. Vijf seconden op het toneel en je denkt dat je de geur van de eeuwigheid kunt ruiken!

Hij zocht tussen zijn cd’s en zijn keus viel op Schnittke. Strakke strijkers en felle ritmes die zijn gedachten aanzienlijk moesten kunnen scherpen.

G. Het ging om de zaak-G., nergens anders om, besloot hij. Geen vage persoonlijke motieven, niks eromheen verzinnen, alleen die oude kwestie die hem al vijftien jaar bezighield.

Wie heeft Barbara Clarissa Hennan vermoord?

Of liever: hoe was Jaan G. Hennan erin geslaagd haar te vermoorden?

Hij wist nog dat iemand ten tijde van het onderzoek in 1987 het begrip ‘klassiek’ had gebruikt, vermoedelijk Münster of Reinhart. Of was het Verlangen zelf geweest? Hoe dan ook, het was niet moeilijk om het met dat oordeel eens te zijn. Want de geschiedenis van de dode Amerikaanse in het lege zwembad in Linden was zo klinisch eenvoudig, het had niks om het lijf. Geen vaagheden. Geen verwarrende aanwijzingen die alle kanten op gingen. Geen onbekende motieven of onduidelijke getuigenverklaringen.

Alleen een dode vrouw en één komma twee miljoen gulden. En G.

En dan Verlangen nog.

Ja, Verlangen had het klassieke karakter bedorven, dat moest hij toegeven. De rol van de verlopen privédetective was toen al verwarrend geweest, en de verbijstering was nu natuurlijk nog even groot.

Speelde hij nu weer een rol? Kon je daar redelijkerwijs van uitgaan?

Was het werkelijk mogelijk dat Maarten Verlangen G. op het spoor was gekomen? Hoe dan? Hoe was dat in zijn werk gegaan? Het waarschijnlijkste was wel dat hij gewoon ergens tegenaan was gelopen – zeker gezien de toestand waarin hij zich bevond.

En dan die woorden aan de telefoon tegen zijn kleinzoon.

Ik weet nu hoe het zit!

Was dat zo? Kon het waar zijn? Was deze aan lager wal geraakte ex-detective erin geslaagd het antwoord te vinden op een raadsel waar hij zelf al vijftien jaar mee worstelde? Hoe had hij dat dan voor elkaar gekregen?

Het is niet logisch, dacht Van Veeteren en hij ging harder rijden. Absoluut niet logisch.

Maar een andere oplossing zag hij ook niet.

Hij lunchte in een wegrestaurant ter hoogte van Ulming. Hij belde Bausen om te zeggen dat hij er over een uurtje of twee zou zijn. Bausen klonk vitaler dan ooit. Van Veeteren vond het onvoorstelbaar dat hij de zeventig al was gepasseerd, maar dat was wel zo. Misschien hadden de jaren in de gevangenis hem op een paradoxale manier goed gedaan; tijdens het telefoongesprek van gisteren had hij daarop gezinspeeld, en misschien was dat niets om je over te verbazen.

Als je het over boetedoening had, bijvoorbeeld.

Een wolkenbank was in de loop van de ochtend langzaam op komen zetten uit het noordwesten, en toen hij na zijn lunchpauze vijf minuten had gereden, kwam hij in de bui terecht. Het landschap, de wijde, golvende vlakten, verloren zowel contouren als kleur. Hij verving Schnittke door Preisner en vond de sfeer van Kieslowski terug.

Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal.

Een waar woord. De afgelopen vijf jaar had hij geleerd dat deze beroemde woorden uit de eerste brief aan de Corinthiërs de spijker op de kop sloegen.

Hij had er bijna een heel leven over gedaan, maar uiteindelijk was hij er dan toch achter.

Beter laat dan nooit. Hij nam twee pepermuntjes om de vieze smaak van oudbakken eten kwijt te raken, en liet zijn gedachten naar Erich, zijn overleden zoon, uitgaan.

Hij merkte dat het bijna geen pijn meer deed.

Het was droog toen hij in Kaalbringen voor het huis van Bausen parkeerde en hij kon constateren dat het er precies zo uitzag als hij het zich herinnerde.

Praktisch overwoekerd. Praktisch ondoordringbaar. Evenals toen kon je het huis vanaf de straat niet zien; struiken, bomen, uitlopers en hoog gras vormden samen een levende muur en hij begreep dat Bausen het huis gedurende zijn zeven jaar afwezigheid niet had verhuurd. Hij had het ongehinderd verder laten dichtgroeien, en waarom ook niet?

Hij liep het hek door, vond het rudimentaire pad, dook in elkaar en begaf zich de jungle in.

Bausen zat in een rieten stoel op zijn overdekte terras te lezen. Ook hier zag alles er nog hetzelfde uit. De rotantafel met de twee stoelen. De lege kratjes, stapels kranten en allerhande rommel tegen de muur. Er was niks veranderd. Een kapotte fiets, anderhalve roeispaan en iets wat Van Veeteren voorlopig identificeerde als een opgerold yogamatje. Het schaakbord en het roodgelakte doosje met de stukken stonden boven op een wankele boekenkast vol met blikken verf en diverse gereedschappen.

Bausen kreeg hem in het oog en er verscheen een brede glimlach op zijn gezicht.

‘Kijk eens wie we daar hebben’, zei hij. ‘De tijd heeft geen vat op je gehad.’

‘Je haalt me de woorden uit de mond’, retourneerde Van Veeteren. ‘Ga je van oud terug naar jong of hoe doe je dat?’

Er was ongetwijfeld aanleiding voor complimenten. Bausen oogde niet als een man van in de zeventig. Eerder als de gezondheid zelve: kort van stuk en pezig, met nog een dikke bos grijswit haar, en een paar ogen in het grof gebeeldhouwde gezicht die van een veertienjarige gestolen konden zijn.

Hij stond op om Van Veeteren de hand te schudden.

‘Yoga’, zei hij. ‘Dat is de helft van het geheim. Ik ben er in de gevangenis mee begonnen en zag geen reden om ermee te stoppen. Drie kwartier per dag, ik ben tegenwoordig leniger dan toen ik werd geconfirmeerd.’

Van Veeteren knikte.

‘En wat is de andere helft?’

Bausen lachte.

‘Wat denk je? Een vrouw natuurlijk … geen vaste relatie, maar we zien elkaar af en toe. Zo krijgt het leven weer zin. Mijn god, zo oud als ik ben mag ik eindelijk ook weleens iets begrijpen. Fijn dat je er bent. Dat is langgeleden.’

‘Negen jaar’, zei Van Veeteren. ‘Ja, ja, daar ben ik dan weer.’

‘Op jacht naar een nieuwe moordenaar … ja, ik kan je in ieder geval verzekeren dat het niet dezelfde is van toen. Je wilt zeker wel een biertje en een broodje? Ik wilde later op de avond iets stevigers eten.’

‘Bier en brood is precies waarop ik had gehoopt’, zei Van Veeteren. ‘We kunnen toch wel buiten zitten?’

‘Natuurlijk kan dat’, vond Bausen. ‘Ja, ik weet nog dat je dat toen ook graag wilde. Ga zitten en geniet van de omgeving, dan ga ik binnen de spullen halen.’

Van Veeteren liet zich in een rieten stoel zakken en slaakte een zucht van welbehagen.

In de jungle, dacht hij. Wat een rare is die Bausen toch.

Bausen bekeek de beide foto’s nauwkeurig.

‘Dus om deze heren gaat het? Ja, voor de vuist weg kan ik alleen zeggen dat ik hen geen van beiden ken. Maar ik heb het allemaal niet meer zo goed in de peiling wat er hier in de stad gebeurt. Om begrijpelijke redenen.’

‘Om begrijpelijke redenen’, herhaalde Van Veeteren. ‘Nee, dat kan ik me indenken. Bovendien zijn het helaas niet zulke recente foto’s. Hennan is nu vijftien jaar ouder, en de dochter van Verlangen kon geen betere foto van haar vader vinden dan deze. Die is vier jaar geleden met Kerst gemaakt.’

‘Hij ziet er afgepeigerd uit’, zei Bausen.

‘Dat is waarschijnlijk niet beter geworden’, zei Van Veeteren. ‘Als hij überhaupt nog leeft.’

‘Twijfel je daaraan?’

Van Veeteren haalde zijn schouders op.

‘Ik zie geen zinnige reden waarom hij weg zou blijven. Het laatste teken van leven is dus dat telefoongesprek hiervandaan drie weken geleden.’

Bausen fronste zijn voorhoofd.

‘Ik begrijp het. En de hypothese is dus dat Jaan G. Hennan hem te pakken heeft genomen?’

‘Hypothese, hypothese’, zei Van Veeteren.

‘Hm. Wat heeft Hennan de afgelopen vijftien jaar uitgespookt? Weet je daar iets van?’

‘Nee, ik niet en verder ook niemand. Hij schijnt in de herfst van 1987 het land te hebben verlaten, van daarna zijn er geen gegevens over hem bekend. Alleen deze kleine aanwijzing van Verlangen, dus … die erop zou kunnen duiden dat hij is teruggekeerd.’

Bausen keek nog een poosje naar de beide foto’s. Van Veeteren nam een slok donker bier en leunde achterover in de krakende stoel.

‘Het is natuurlijk maar een losse ingeving van mijn kant’, zei hij. ‘Als het niet uitgerekend Kaalbringen was geweest, had ik het er vermoedelijk bij laten zitten.’

‘O ja?’ vroeg Bausen met een vleug van milde ironie in zijn stem. ‘Ja, maar nu ben je hier en waarom niet? Als we jouw ingeving kunnen combineren met een paar mooie wijnen en een paar mooie potjes schaak, dan kan het misschien de moeite waard zijn. Hoe dan ook.’

‘Dat dacht ik nou ook’, gaf Van Veeteren toe. ‘Heb je die wijnkelder nog?’

‘Zeker. En de meeste soorten zijn er in die zeven jaar onvrijwillige opslag op vooruitgegaan, dat kan ik je verzekeren.’

‘Geweldig. Heb je tegenwoordig een goed contact met de politie hier? Het zou niet gek zijn als we van die kant wat hulp konden krijgen.’

‘Niet zo’, gaf Bausen toe. ‘In jouw tijd zaten Kropke en Moerk hier, dat weet je waarschijnlijk nog wel.’

‘Vanzelfsprekend’, zei Van Veeteren. ‘Zijn die er nog?’

‘Moerk wel. Kropke is een paar jaar geleden naar Groenstadt vertrokken. We hebben een nieuwe politiechef, De Klerk. Het schijnt een goeie te zijn, maar ik ken hem verder niet …’

‘Om begrijpelijke redenen?’ wilde Van Veeteren weten.

‘Om begrijpelijke redenen’, zei Bausen grinnikend. ‘Hij is een half jaar na mij aangetreden, er trad enige vertraging op in de opvolging. Nou ja, ik denk niet dat ze ons direct zullen tegenwerken, als we het voorzichtig aanpakken. Dit is immers bijna een taak voor de politie, en ik neem niet aan dat ze in deze tijd van het jaar al tot over hun oren in het werk zitten. Het toeristenseizoen moet nog beginnen. Als Verlangen hier is geweest, moet hij ergens hebben overnacht, het zou niet zo moeilijk moeten zijn om in ieder geval dat detail te checken.’

‘Hopelijk niet. Brigadier Moerk …?’

‘Ja?’

‘Dat was toch een vrouw met capaciteiten, wat ik me ervan herinner. Ik vermoed dat ze er met de jaren niet op achteruitgegaan is. Neem me niet kwalijk dat ik het zo zeg.’

‘Helemaal niet’, zei Bausen en hij keek nadenkend. ‘Nee. Ze is vast nog steeds een kanjer. En ons oude geschil hebben we bijgelegd. Maar die G. dus … begrijp ik je goed als ik beweer dat je een speciale band met hem hebt?’

Van Veeteren dacht enkele seconden na voordat hij antwoordde.

‘Een speciale band?’ vroeg hij toen. ‘Ja, dat is nog zacht uitgedrukt. Eerlijk gezegd achtervolgt die klootzak me al zo’n beetje vanaf dat ik nog in korte broek liep. Als ik iemand graag zijn hoofd op het blok zou zien verliezen, dan hem wel. Dan zou ik in vrede en waardigheid oud kunnen worden.’

Bausen glimlachte even.

‘Je bent al een paar jaar weg bij de politie, toch?’

‘Ja, dat klopt. Ik ben boekhandelaar geworden op mijn oude dag, dat vertelde ik je al. Ik heb geholpen bij een aantal onderzoeken, maar waarschijnlijk kan alleen de zaak-G. me nu nog in beweging krijgen.’

‘O ja?’ Bausen leunde achterover en keek hem geïnteresseerd aan. ‘Dus het klopt niet echt wat je zei dat je niets gedaan zou hebben als het spoor niet hier naar Kaalbringen had geleid?’

Van Veeteren dacht weer na.

‘Waarschijnlijk niet’, erkende hij. ‘In principe zou ik het spoor moeilijk hebben kunnen weerstaan, ongeacht naar welke windstreek het had geleid. Dit is zo’n zaak waar je ’s nachts niet van kunt slapen als je niet onder elke steen hebt gekeken.’

‘Dat heb je soms’, zei Bausen. ‘Sommige zaken laten je niet los.’

‘Daar weet jij alles van, dat weet ik’, zei Van Veeteren.

Ze proostten en het was even stil.

‘Nou ja,’ hervatte Bausen, ‘laten we morgen maar een bezoekje brengen aan het politiebureau. Ik stel voor dat we nu nog een partijtje spelen voor het eten. Jij bent de gast, dus jij mag met wit.’

‘Dank je wel’, zei Van Veeteren. ‘Nimzo-Indisch, daar was je toch niet zo goed in? Dat meen ik me namelijk te herinneren.’

‘Daar weet ik niets van’, zei Bausen. ‘Maar maak je geen illusies, ik heb helemaal geen zwakke punten meer.’