29

‘Wat?’ zei brigadier Krause. ‘Nu volg ik het even niet.’

‘Oké, ik zal het nog een keer zeggen’, zei Van Veeteren. ‘Weet je nog dat je vorige week op een knop van je reuzencomputer hebt gedrukt en dat je, met als uitgangspunt een bepaald tijdstip in het spoorboekje, 14.42 uur, een aantal plaatsnamen tevoorschijn hebt gehaald? Dat zal denk ik woensdag of donderdag zijn gew…’

‘Natuurlijk weet ik dat nog’, zei Krause verontwaardigd. ‘Wat denkt u wel, commissaris?’

‘Ho!’ viel Van Veeteren hem in de rede. ‘Die term is al vijf jaar lang niet meer van toepassing, dat had je zo langzamerhand moeten weten.’

‘Sorry’, zei Krause. ‘Ik bedoelde er niets mee. Maar wat was dat nou met die telefoon?’

‘Je bent ervan op de hoogte dat Verlangen circa drie weken geleden met zijn kleinzoon heeft gebeld?’

‘Dat heb ik gehoord, ja.’

‘Wat ik wil weten is waar hij toen vandaan belde.’

‘O? En hoe …?’

‘Dat moet toch geen kunst zijn in deze tijd.’

‘Maar als hij mobiel belde, dan kun je niet …’

‘Mobiel?’

‘Ja.’

‘Niet iedereen heeft een mobieltje, in tegenstelling tot wat sommigen schijnen te denken. Maarten Verlangen had er bijvoorbeeld geen.’

‘Nee? Daar had ik niet aan …’

‘Wat betekent dat hij van een vast toestel gebeld moet hebben. Misschien vanuit een telefooncel, en dus zou het geen probleem mogen zijn voor een kwieke rechercheur om uit te zoeken waarvandaan.’

‘Goed’, zei Krause. ‘Het is me duidelijk.’

‘Mooi. Een telefoontje naar de familie Vargas aan de Palitzerstraat, dus. Het nummer is 213 32 35. Ergens tussen 12 en 18 april, dan neem ik het ruim. Daarna wordt het interessant om de plaats …’

‘… naast het lijstje met treintijden te leggen’, zei Krause. ‘Nu snap ik het. Excuus dat we dit niet hebben gezien. Ik ga er meteen mee aan de slag. Waar kan ik u bereiken, com… waar zal ik naartoe bellen als ik klaar ben?’

‘Naar Krantzes antiquariaat’, zei Van Veeteren. ‘Ik wacht hier op je telefoontje. Je hebt het nummer toch?’

Krause verzekerde hem dat dat het geval was en vroeg of er verder nog iets was.

Dat was er op het moment niet, zei Van Veeteren en hij hing op. Hij leunde achterover in zijn fauteuil en pakte Nooteboom er weer bij.

Een plus een, zo simpel was het dus.

Hadden ze dat nou zelf niet kunnen verzinnen? vroeg hij zich af terwijl hij zat te wachten. Waarom hadden ze die simpele kruisbestuiving niet uitgevoerd?

Een telefoontje vanuit een onbekende plaats en een treinreis naar een onbekende plaats.

Dat waren immers de enige twee aanwijzingen die ze hadden, en toch hadden ze die niet gekoppeld. Dat was toch slecht?

Aan de andere kant was het misschien niet zo vreemd. De verdwijning van Verlangen stond vast niet erg hoog op de agenda van de Maardamse politie, als ze er al op voorkwam. Het was maar één aangifte tussen honderden andere, misschien moest je het eerder als een plus zien dat Münster het verband met de zaak-G. überhaupt had opgemerkt.

Het eventuele verband. Opeens voelde hij zich overal uiterst sceptisch over en hij had er spijt van dat hij zo aanmatigend was geweest tegenover Krause. Hoe groot was de kans nou helemaal dat de beide sporen elkaar kruisten? Was het eigenlijk wel mogelijk om te achterhalen waarvandaan Verlangen die dag in april had gebeld? Stel je voor dat er in de aangegeven periode tien keer was gebeld vanuit een plaats die op het lijstje stond! Uit Saaren of Malbork, bijvoorbeeld … wie zei dat de zieke, bejaarde schoonouders van Belle Vargas daar niet ergens woonden, en dat ze niet elke dag belden om alle ditjes en datjes uit te wisselen en te vertellen hoe het er met hun stofwisseling voor stond?

Ik ben een arrogante ezel, constateerde hij somber en hij liep naar het keukentje om water op te zetten voor de koffie. Ze mogen dankbaar zijn dat ik op tijd heb opgezegd.

‘Twee’, zei Krause. ‘Er zijn twee denkbare mogelijkheden voor dat gesprek.’

‘Mooi’, zei Van Veeteren. ‘Ik ben blij dat je er tijd aan hebt willen besteden.’

‘Wat?’ vroeg Krause.

‘Ik zei dat ik blij was … laat ook maar. Vertel.’

‘Nou’, zei Krause en hij kuchte. ‘Ik heb alle telefoontjes gecheckt die mevrouw Vargas tussen 12 en 18 april heeft gekregen. Die informatie had ik van het telecombedrijf gekregen. En er zitten er dus twee bij die het volgens haar zouden kunnen zijn. Ja, het zijn de enige twee mogelijkheden, om precies te zijn. Misschien kunnen we een ervan uitsluiten wanneer we haar man hebben gesproken, maar daar hebben we nog geen gelegenheid voor gehad …’

‘Duidelijk’, zei Van Veeteren. ‘Om welke twee plaatsen gaat het?’

‘Karpatz en Kaalbringen’, zei Krause. ‘Op de veertiende respectievelijk de zestiende. Ik ben me, hrrm, ik ben me ervan bewust dat Kaalbringen op de 14.42-lijst staat.’

‘Maar Karpatz niet.’

‘Nee’, zei Krause. ‘Dus …’

‘Dus kun je zeggen dat er eigenlijk maar één mogelijkheid is?’

‘Hrrm’, zei Krause. ‘Als dat verband er is wel, ja.’

Ik wist het, dacht Van Veeteren. Allemachtig. Met een totaal kortgesloten synaps in mijn uitgedroogde brein wist ik het. Het is niet normaal, er zijn patronen waar je gewoon niet omheen kunt …

‘Hallo?’

‘Ja?’

‘Bent u er nog, com… Sorry, ik …’

‘Geeft niet. Ik ben er nog. Kaalbringen dus … ja, we moeten er natuurlijk niet al te fors op inzetten, maar als je het de moeite waard vindt om Maarten Verlangen te zoeken, dan is dit toch een kleine hint in welke richting dat dient te gebeuren. Ja, toch?’

‘Ongetwijfeld’, beaamde Krause. ‘Ik moet zeggen dat ik …’

‘Jullie moeten natuurlijk prioriteiten stellen, daar heb ik alle begrip voor. Bedankt voor je inzet, misschien bel ik je nog weleens.’

Krause stamelde iets onhoorbaars. Van Veeteren bedankte hem nogmaals en hing op.

Hij is te jong, dacht hij. Hij heeft Hennan niet meegemaakt en hij was er niet bij in Kaalbringen.

Maar inspecteur Münster was er wel bij betrokken!

Bij beide gevallen.

Hij liet zich op de stoel zakken.

Beide gevallen? Linden en Kaalbringen? Van Veeteren schudde zijn hoofd … Een toevallige samenloop …

Natuurlijk hadden Jaan G. Hennan en de bijlmoordenaar in het noordelijke kustplaatsje niets met elkaar te maken; alleen in zijn eigen persoonlijke geschiedschrijving waren het parallelle verschijnselen.

Kaalbringen en de zaak-G.

Toch was het eigenaardig. Patronen en wetmatigheden? dacht hij. Mensenkinderen. Hij rolde een sigaret en stak die op, terwijl hij overwoog of hij meteen contact zou opnemen met Münster, of dat hij zichzelf nog wat meer tijd zou gunnen om te peinzen en praktisch na te denken. Hij besloot tot het laatste; tot welke conclusies en actieplannen hij ook kwam, er was geen haast bij. Dat was een ding dat zeker was. Verlangen was al ten minste drie weken weg en ook al was het nog steeds onduidelijk hoe het hem sinds zijn vertrek uit Maardam was vergaan, toch mocht je de nuchtere inschatting van zijn dochter waarschijnlijk wel onderschrijven.

De kans dat hij nog in leven was, was tamelijk klein.

Van Veeteren zuchtte. Hij vroeg zich af op welke gronden hij een dergelijke conclusie kon trekken, maar vond geen antwoord. Hij verliet het keukentje en haalde de fles port tevoorschijn.

Politiechef Hiller was twee dwergacacia’s aan het verpotten toen Münster zijn kamer op de vijfde verdieping binnenstapte.

Münster had zelf niet kunnen vaststellen dat het acacia’s waren (misschien wel dat het een dwergvariant van iets was, ze waren vrij onooglijk), maar dat vertelde Hiller al voordat hij was gaan zitten.

Alsof ze aan elkaar voorgesteld werden, dacht Münster. Acacia, dwerg – Münster, inspecteur! Aangenaam. De politiechef had kranten over zijn bureau uitgespreid en was in hemdsmouwen en met zijn stropdas op zijn rug aan het werk. Hij strooide potgrond uit een grote plastic zak in terracottakleurige bloempotten en drukte de aarde voorzichtig aan met zijn duimen, zodat de planten stevig stonden.

‘Dat verhaal van die Verlangen’, zei hij zonder zijn werk te onderbreken of op te kijken.

‘Ja?’ zei Münster.

‘Ik hoorde het toevallig. We moeten onze fantasie niet met ons op de loop laten gaan.’

‘Hoe bedoelt u?’ vroeg Münster.

‘Gewoon wat ik zeg’, zei Hiller. ‘Verlangen is een oude knoeier die verdwenen is, dat is alles. Hij heeft vroeger bij ons gewerkt en hij had iets te maken met een oud onderzoek, maar dat is allemaal verleden tijd. Verleden tijd, Münster!’

‘Verleden tijd’, zei Münster.

‘Met negenennegentig procent zekerheid is hij in beschonken toestand in een kanaal geduikeld, hij schijnt zijn drinkgewoonten niet onder controle gehad te hebben. Hij duikt wel weer op, het is niet iets waar wij tijd en energie in moeten steken … we hebben echt al genoeg te doen. Die vreselijke zaak in Bossingen en die vreselijke gebroeders Holt en …’

‘Ik weet wat we allemaal hebben’, viel Münster hem in de rede. ‘Nee, ik geloof niet dat Reinhart van plan is mensen in te zetten voor het opsporen van Verlangen. Maar zodra ik hem zie, zal ik hem vertellen hoe u erover denkt, dat beloof ik.’

‘Uitstekend’, zei Hiller. ‘Natuurlijk. Waar is hij trouwens?’

‘Wie? Reinhart?’

‘Ja. Daar hadden we het toch over?’

‘Jazeker, dat klopt. Volgens mij zit hij beneden die brandstichters te verhoren. De racisten die dat schoolgebouw in brand hebben gestoken.’

‘Racisten? Hè bah, ja. Nou, dat was alles wat ik wilde zeggen. Dan mag je nu weer verder met je werk.’

‘Dank u wel’, zei Münster.

Hoe oud is hij eigenlijk? dacht hij toen hij voor de deur stond en Hiller vriendelijk tegen zijn acacia’s hoorde praten. Zou het niet eens tijd worden dat hij met pensioen ging?

Mahler had de stukken opgezet en zat in een zwart notitieboekje te krabbelen toen Van Veeteren die zaterdagavond in het clublokaal naar hun vaste tafeltje kwam lopen.

‘Nieuwe gedichten?’ vroeg hij.

‘Nieuw is te veel gezegd’, zei Mahler. ‘Gedichten is te veel gezegd. Moderne abstracties rond het zwarte gat, eerder. Ongerijmd.’

‘Klinkt lekker’, zei Van Veeteren.

‘Ja, hè? Ik denk dat dat ook de titel wordt, trouwens. Wat vind jij daarvan?’

‘Moderne abstracties rond het zwarte gat?’

‘Ja.’

‘Doet meer denken aan een inhoudsopgave dan aan een boektitel.’

Mahler krabde nadenkend aan zijn baard.

‘Misschien wel. Nou ja, ik zal eerst wel voor inhoud moeten zorgen, voordat het tijd is voor de titel. Het wordt mijn twaalfde, daarna vind ik het mooi geweest.’

‘Je twaalfde? Gefeliciteerd. Een dozijn in … hoelang ben je nu bezig?’

‘Veertig jaar sinds mijn debuut. Verdeeld over de tijd zijn dat gemiddeld ruim twee woorden per dag, heb ik uitgerekend.’

‘Twee woorden per dag?’ vroeg Van Veeteren. ‘Dat is dan toch niet zo’n zware belasting?’

‘Onzin’, zei Mahler. ‘Het is het zwaarste vak op aarde. Je vergeet dat die krengen tussen vijfentwintigduizend andere woorden verstopt zitten. En na elk woord begint het zoeken weer van voren af aan.’

Van Veeteren bestelde twee bier en dacht na.

‘Neem me niet kwalijk’, zei hij. ‘Je hebt natuurlijk gelijk, ik dacht er te makkelijk over. Een partijtje?’

‘Deze keer ben jij wit’, zei Mahler en hij stak zijn sigaar op.

‘Dat was gebrek aan concentratie. Die loper op g6 had je moeten doorzien. Zit je ergens over te piekeren?’

Van Veeteren begon de stukken in de uitgangspositie op te stellen.

‘In zekere zin’, zei hij. ‘Het is een oude geschiedenis die weer tot leven schijnt te zijn gekomen.’

Mahler dronk zijn glas leeg en veegde zijn baard af.

‘Er gaat niets boven oude kaas. Weet ik er iets van?’

Van Veeteren pakte een van de zwarte paarden en hield die een poosje in zijn hand voordat hij antwoordde.

‘Ik denk het wel’, zei hij. ‘De zaak-G.’

‘De zaak-G.!’ barstte Mahler uit. ‘Nee maar, de enige smet op jouw blazoen. Wat is er gebeurd?’

Er klonk infame vrolijkheid en infame nieuwsgierigheid door in de stem van de oude dichter, vond Van Veeteren. Maar daarover hoefde hij zich misschien niet op te winden of zorgen te maken. Als er iemand was – afgezien van Ulrike, natuurlijk – aan wie hij zijn onzekerheid kon tonen, dan was het Mahler. Dat had hij in de loop der jaren geleerd. Bij Mahler was alles veilig. Hem iets vertellen was net als in een put praten. Een buitengewoon intelligente put ook nog, waarin woorden en ontboezemingen naar de bodem zakten en ten eeuwigen dage in een hermetisch zwijgen werden bewaard.

En waaruit af en toe een of twee – zeer zorgvuldig gekozen – woorden opstegen.

Hij stak een nieuwe sigaret op en begon te vertellen.

‘Een soep met onbekende ingrediënten’, vatte Mahler twintig minuten later samen. ‘En de politie is dus niet van plan in actie te komen?’

‘Alleen routinematig. Ze hebben genoeg andere dingen te doen, kennelijk … die verdomde neonazizaak, bijvoorbeeld. Ik begrijp hen ook wel, moet ik zeggen. Verlangen biedt niet echt een stevig aanknopingspunt.’

Mahler zweeg even.

‘Dat ben ik niet met je eens’, zei hij. ‘Voorzover ik het kan beoordelen, moet hier iets in zitten. Vraag me niet wat en hoe, maar het zou nog merkwaardiger zijn als de verdwijning van Verlangen niet met G. te maken had. Toch? Met dat briefje op de keukentafel en dat telefoontje.’

‘Ik weet het’, mompelde Van Veeteren. ‘Ik ben nog niet seniel. In ieder geval niet helemaal.’

‘Ik ook niet’, zei Mahler en hij keek somber. ‘Zo helder als een bergbeekje en ik heb de moraal van een dertienjarige. Mijn leven zou vermoedelijk gemakkelijker zijn als het anders was. Wat ben je van plan te gaan doen?’

Van Veeteren inhaleerde peinzend.

‘Ik weet het niet.’

‘Je weet het niet?’

Mahler keek hem door de rook heen kritisch aan. Van Veeteren zei niets.

‘Je liegt. Je weet het best.’

Van Veeteren draaide het schaakbord zo dat de witte stukken voor Mahler kwamen te staan.

‘Oké, ik lieg. Ik ben natuurlijk van plan naar Kaalbringen te gaan. Een dezer dagen. Ga je gang, dichter, jij bent aan zet.’

‘Dacht ik het niet’, zei Mahler en hij zette zijn bril recht. ‘Maar hou nu je mond, anders kan ik me niet concentreren.’