28

Er was een half jaar verstreken sinds hij Münster voor het laatst had gezien, en het was tien maanden geleden dat ze voor het laatst badminton hadden gespeeld, maar het werd een onverwacht gedenkwaardige ontmoeting.

Münster had die ochtend nog met griep in bed gelegen (een temperatuur van 38,3 de avond ervoor) en was zo slap als een vaatdoek. Van Veeteren won de eerste set met gemak, het werd 15-10, en toen de stand in de tweede set 10-3 was, moest Münster de handdoek in de ring gooien, nadat hij door zijn meedogenloze tegenstander als aangeschoten wild van de ene hoek naar de andere was gejaagd.

‘Zelf ben ik redelijk in vorm’, verklaarde Van Veeteren bescheiden terwijl hij de verliezer de helpende hand bood op weg naar de kleedkamer. ‘Maar dat hoef ik misschien niet te zeggen?’

Münster hijgde, maar gaf geen antwoord. Van Veeteren zocht even naar een troostende opmerking, die hij echter niet kon vinden en hij zei maar niets meer. Ze douchten, kleedden zich aan en gingen naar de kantine van de sporthal om bier respectievelijk ijswater te drinken en over Maarten Verlangen te praten.

‘Wat denk jij nou?’ vroeg Van Veeteren. ‘Is het wat?’

Er waren drie dagen verstreken sinds het bezoek van Belle Vargas aan het antiquariaat en Verlangen was nog even spoorloos als ooit. Münster dronk een halve liter ijswater en keek onzeker.

‘Zoals ik het zie, valt er niet veel te denken’, zei hij. ‘We hebben navraag gedaan naar Hennan, precies zoals u … je had gevraagd. Of, liever gezegd, dat hebben we geprobeerd.’

‘O?’

‘Er is helemaal niets uit gekomen, ook al heeft Krause zich zo’n beetje de vingers van het lijf getypt achter de computer. Hij is niet bepaald het type voor een eigen website, onze meneer Hennan.’

‘Ik dacht al zoiets’, zei Van Veeteren.

‘Hij schijnt een aantal maanden na de rechtszaak, in 1987 dus, het land te hebben verlaten. Nadat hij het geld van de verzekering had geïncasseerd natuurlijk, en … ja, daarna is hij in rook opgegaan. Buenos Aires, Calcutta, Oslo … hij kan overal zijn, je kunt er alleen maar naar raden.’

‘Dat zal ik maar niet doen’, mompelde Van Veeteren. ‘Hij heeft intussen waarschijnlijk alweer een paar nieuwe echtgenotes versleten … we zijn immers vijftien jaar verder. En wat betreft Verlangen is het even duister, vermoed ik?’

Münster schonk nog wat water in en zuchtte diep.

‘Zeker. Maar hij bevindt zich vast niet in Calcutta. Krause heeft die treintijd nagetrokken, of wat het ook was …’

‘Een treintijd’, stelde Van Veeteren vast. ‘Of van een bus misschien, maar dat lijkt me minder waarschijnlijk. Vliegtuigen vertrekken altijd op een veelvoud van vijf. Vanaf Sechshafen in ieder geval wel … Tenminste, dat is de bedoeling, wat niet wil zeggen dat het ook altijd echt zo is. Maar maakt niet uit, we houden het op de trein.’

‘Mij best’, zei Münster. ‘Hoe het ook zij, er is geen trein die om 14.42 uur uit Maardam vertrekt. Ook geen trein die dan binnenkomt, trouwens … in ieder geval niet volgens het spoorboekje.’

Hij tastte in zijn binnenzak en haalde er een envelop uit.

‘Maar nu we toch zijn toegerust met computers …’

Hij overhandigde de envelop aan Van Veeteren.

‘Wat is dat?’

‘Een overzicht’, verklaarde Münster. ‘Op jouw verzoek hebben we ons op het treinverkeer gericht. Op het eerste blaadje staan alle stations van het land waar om 14.42 uur een trein vertrekt. Op het tweede alle stations waar op dat tijdstip een trein binnenkomt.’

Van Veeteren haalde de blaadjes eruit, vouwde ze open en staarde wantrouwig naar de kolommen met namen van stations.

‘Goh’, zei hij. ‘En wat moet ik hiermee?’

Münster zwaaide met zijn handen.

‘Weet ik veel. Het kostte maar een minuutje om dit eruit te krijgen, beweerde Krause. Ja, zo ver zijn we dus gekomen.’

‘Drink dat water op, dan gaan we’, zei Van Veeteren.

Enkele dagen later, op een dinsdagochtend begin mei – en nadat hij drie nachten achtereen had geworsteld met dromen waarin G. een rol had gespeeld – had hij er genoeg van. Hij belde Belle Vargas op en vroeg of hij haar nog eens kon spreken. Hij zag geen andere mogelijkheid.

Ze bleek fysiotherapeute te zijn in een privékliniek, die maar een paar straten van de Kupinskisteeg af zat, en ze had van twaalf tot een lunchpauze. Van Veeteren stelde een van de terrasjes op het Keymerplein voor, aangezien het mooi weer was, en dat vond ze een goed idee.

Ze klonk bijna hoopvol, vond hij toen hij had opgehangen. Hij hoopte dat ze geen nieuws over haar vader verwachtte.

Hij hoopte dat ze zelf iets kon vertellen.

Dat was echter niet het geval. Maarten Verlangen was nog even spoorloos verdwenen als een maand geleden, of als twee weken geleden als je het telefoongesprek met zijn kleinzoon Torben als het laatste levensteken beschouwde.

Weinig reden voor optimisme dus, dacht Van Veeteren, maar het was in ieder geval mooi weer. Een zoele wind en een luchttemperatuur van zeker twintig graden. Ze vonden een tafeltje vlak bij het standbeeld van Alexander, en toen ze hadden besteld zag hij dat ze de moed had opgegeven.

Zo simpel was het. Belle Vargas had besloten dat haar vader niet meer leefde. En dat besluit gaf haar kracht. Dat was natuurlijk paradoxaal, maar hij herkende het verschijnsel van vergelijkbare situaties uit zijn jaren bij de recherche.

Want verdriet is gemakkelijker te dragen dan onzekerheid.

Tenminste op de lange duur. Je weet niet hoe je met onzekerheid moet omgaan. Daar is geen methode voor, dacht hij. De dood daarentegen is omgeven door rituelen.

‘Ik weet dat hij dood is’, zei ze ook, als om zijn onuitgesproken vermoedens te bevestigen.

‘Misschien kunt u daar inderdaad maar beter van uitgaan.’

Ze keek hem met een uitdrukking van milde verbazing aan. Hij begreep dat ze tegenspraak had verwacht.

‘Ik wil … ik bedoel, ik vind het nog steeds belangrijk dat hij wordt gevonden.’

‘Dat spreekt vanzelf.’

‘We hadden het er laatst over, mijn man en ik … hij had ergens gelezen dat de begrafenisceremonie het oudste teken is van … ja, van een soort beschaving. Dat we voor onze doden zorgen en zo.’

‘Zonder twijfel’, viel Van Veeteren haar bij. ‘Bovendien is het de enige keer in het leven dat vorm en inhoud volledig samenvallen. Natuurlijk is dat belangrijk, reken maar.’

Hij zag dat ze niet goed begreep wat hij bedoelde, maar nam niet de moeite het toe te lichten.

‘Ik heb een klein verzoek’, zei hij toen.

‘Een verzoek?’

‘Ja. Als u nog steeds wilt dat ik me hier op de een of andere manier mee bemoei. Verwacht er niet te veel van, ik ben oud en ongetraind … vijf jaar in een stoffig antiquariaat, daar word je niet scherper van, dat begrijpt u wel.’

Ze glimlachte even.

‘Volgens mij bent u nog scherp genoeg. Waar kan ik u mee helpen?’

‘Ik zou een kijkje willen nemen in zijn appartement.’

Ze knikte.

‘Daar is de politie al geweest.’

‘Dat weet ik. Ik verbeeld me natuurlijk niet dat ik iets zal vinden wat zij over het hoofd hebben gezien, maar het kan nooit kwaad.’

Ze aarzelde even.

‘Het ziet er niet best uit.’

‘Dat verwacht ik ook niet. Maar u hebt dus een sleutel?’

‘Jazeker. En natuurlijk mag u daar gaan kijken, als u die moeite wilt doen. Ik geloof zelfs dat ik de sleutel nu bij me heb.’

Ze rommelde even in haar handtas, haalde er een leren sleutelmapje uit waar ze een sleutel afhaakte.

‘Ik hoef toch niet mee, hoop ik?’

‘Nee, hoor, ik ga wel alleen als u dat vertrouwt.’

‘Natuurlijk vertrouw ik dat. Wanneer wilt u erheen?’

Hij dacht even na.

‘Vanavond. Als ik vanavond even zou kunnen gaan kijken …’

‘Dan kom ik morgenmiddag de sleutel weer bij u in het antiquariaat ophalen. Ik ben blij dat u hier tijd voor wilt maken. Ik wil iets terugdoen. Als u mij …’

‘Onzin’, viel hij haar in de rede. ‘Hier hoef ik niets voor. Ik draag die oude zaak-Hennan al vijftien jaar met me mee. Als ik daar ook maar een heel klein beetje licht op zou kunnen werpen ben ik al blij.’

Ze keek hem met plotselinge belangstelling aan.

‘Ik begrijp het. U bedoelt dat die zaak u ook heeft achtervolgd? Mijn vader is niet de enige?’

Achtervolgd? dacht hij. Dat is wel erg sterk uitgedrukt.

‘Ik heb hem in ieder geval niet helemaal kunnen vergeten’, gaf hij toe.

Zodra hij het appartement in de Heerbanerstraat was binnengestapt en de deur achter zich had dichtgedaan, was hij bereid het oordeel van Belle Vargas te onderschrijven.

Maarten Verlangens appartement zag er niet best uit.

De hal was twee vierkante meter groot. Er lagen een paar kranten uitgespreid op de vloer, er stond een mahoniehouten kastje op drie poten en er hing een gebarsten spiegel. De keuken zat meteen rechts en de inrichting was klassiek eenvoudig: een keukentafel met een kunststof blad, zonder tafelkleed, twee rechte stoelen en circa tweehonderd lege flessen. Overal stonden ze: in kratten op de vloer, op de tafel, op het aanrecht, op de scheve en vals brommende koelkast … die hij voor geen goud zou openen.

De slaapkamer zat links. De luxaflex was neergelaten, maar toch sijpelde er een vuil schemerlicht naar binnen omdat een paar van de lamellen stuk waren. Hij kon een onopgemaakt bed en een nachtkastje onderscheiden, een morsdode potplant op een plantenstandaard en een berg ongesorteerde kleren waaronder waarschijnlijk een zitmeubel schuilging.

Het ameublement in de woonkamer bestond uit een scheve vitrinekast, een tafel, een bank met manchester bekleding en een leunstoel. Een tv-toestel en een stereo-installatie, beide zo stoffig dat het leek of er schimmel op stond. Een modern bureau van witte meubelplaat met een stoel op wieltjes. Aan twee wanden hingen Van Goghreproducties met beschadigde randen. De derde wand werd in beslag genomen door een gigantische lommergroene bierreclameposter en de vierde bestond uit een vaalbleek raam en een vaalbleke deur naar een piepklein balkonnetje met uitzicht op een parkeergarage. Overal lagen kranten, tijdschriften en reclamefolders, alleen op het bureau kon hij een begin van ordening in de chaos ontwaren. Met een beetje goede wil. Daar waren een telefoon, een grijs metalen bakje met smalle horizontale vakjes voor rekeningen en andere belangrijke documenten op het doornige levenspad, en een opengeslagen spiraalblok (hetzelfde blok, nam Van Veeteren aan, waaruit hij de bladzij met de treintijd en de regel over G. had gescheurd). Inderhaast genoteerde koersuitslagen getuigden van hoop op de toekomst, ook bij Maarten Verlangen. Of tenminste van het feit dat hij hoop had gehad.

Maar het zag er dus niet al te best uit.

En helaas rook het er ook niet al te prettig. De geur was nogal penetrant, merkte Van Veeteren. Er hing een zure oudemannenlucht, samengesteld uit de geur van etensresten, ongewassen kleren en vieze vloeren. En schimmel in de badkamer, waar hij even om de hoek keek om te constateren dat het licht het niet deed.

Hij bleef in de woonkamer staan en vocht tegen zijn besluiteloosheid. Verdomme, dacht hij. Ik moet het doen, maar ik wil niet. Wat heb ik hier te zoeken?

Had hij echt gedacht dat hij in staat zou zijn in deze weerzinwekkende afvalhoop te wroeten?

Als twee rechercheurs zes uur bezig waren geweest en niets hadden gevonden wat als een aanwijzing kon worden beschouwd – hoeveel tijd had een half fossiele boekhandelaar dan nodig om niets te vinden?

Hij schudde zijn hoofd bij die vraagstelling. Hij stak een sigaret op en maakte nog een rondje door het appartement.

Daarna gaf hij het op en ging naar huis.

Vroeger was ik rechercheur, dacht hij. Dat was toen.

’s Avonds ging hij met Ulrike naar de bioscoop. Ze zagen twee van Kieslowski’s films over de tien geboden, en hij vroeg zich aldoor af hoe het in vredesnaam mogelijk was om met zulke minimale middelen zoiets honderd procent volmaakts te creëren. Het was een wonder! zei hij tegen Ulrike toen ze langzaam over de Langgracht huiswaarts liepen, en ze was het met hem eens. Als we het leven kunnen bekijken door de camera van Kieslowski,’ meende ze, ‘ja, dan kunnen we er op een goede dag misschien nog iets van begrijpen.’

Later, na middernacht, toen die prachtvrouw van hem sliep, ontdekte hij dat de beelden van de lugubere Warschause woonwijk nog steeds in zijn hoofd zaten en dat hij die op de een of andere vreemde manier aan het klutsen was met de beelden die hij die middag in het appartement van Verlangen had opgedaan.

Hij bleef nog even liggen en probeerde in slaap te komen met die merkwaardige mengeling op zijn netvlies, maar algauw besefte hij dat dat geen doen was. Hij stond zachtjes op en zette in de woonkamer een cd van Preisner op. Hij deed de lamp naast de bank aan en haalde het overzicht tevoorschijn dat hij vorige week van Münster had gekregen.

Alle plaatsen van waaruit om 14.42 uur een trein vertrok.

En alle plaatsen waar op hetzelfde tijdstip een trein aankwam.

Hij bleef even zitten met in elke hand een lijstje; daarna legde hij de vertreklijst opzij. Als je aannam, dacht hij, als je durfde te veronderstellen dat Verlangen vanuit Maardam, van waaruit om 14.42 uur geen enkele trein vertrok, ergens naartoe was gereisd, dan moest het om een aankomsttijd gaan.

Maar waarom zou je de moeite nemen om op te schrijven hoe laat een trein aankwam? Misschien zou iemand hem komen halen? Misschien was er een aansluiting?

Er waren zesentwintig plaatsen in het land waar om 14.42 uur een trein aankwam. In zeventien ervan elke dag. In vier ervan alleen op werkdagen. In drie ervan op zon- en feestdagen en in twee alleen op zaterdag.

Volgens de computer van brigadier Krause althans.

Hij ging languit op de bank liggen. Was Maarten Verlangen naar een van deze plaatsen vertrokken? Had hij aan zijn smoezelige keukentafel gezeten of achter zijn bureau en deze vier cijfers opgeschreven nadat hij de klantenservice van Maardam Centraal had gebeld?

Dat was niet onmogelijk. Het zou zomaar kunnen. Hij geeuwde. Hij merkte dat hij het koud kreeg en trok een deken over zich heen.

En ten slotte: had Maarten Verlangen, de corrupte detective, op die plaats – een van de zesentwintig – zijn uiteindelijke bestemming bereikt?

Uiteindelijke bestemming? dacht Van Veeteren. Corrupt! Wat zijn dat nou voor woorden die in de modderpoel van mijn gedachten opborrelen? Wat verbeeld ik me wel? Tijd om te stoppen … onmiskenbaar.

Hij deed het licht uit en viel in slaap.

En in het transparante moment tussen waken en slapen zag hij wat de volgende stap moest zijn.

Het was zo duidelijk. Zo gemakkelijk als een plus een.