27

Hij droomde dat hij in het antiquariaat zat te slapen.

In de oorfauteuil in de achterkamer natuurlijk, met een boek open op schoot, een koffiemok in de houder aan de armleuning en de regen roffelend op de vensterbank aan de straatkant.

April waarschijnlijk, de wreedste maand. Laat in de middag, als er weinig klanten kwamen, lukte het hem meestal niet om het hele uur van vijf tot zes wakker te blijven; dat was gewoon zo, en er was natuurlijk geen enkele reden waarom hij zich dat kwartiertje of half uurtje niet zou permitteren, geen enkele reden in dit stadium van het leven …

De deurbel ging en hij werd wakker.

Hij zat in de achterkamer van het antiquariaat met het boek van Nooteboom over Spanje op schoot. Er stond een lege koffiemok in de houder aan zijn armleuning en de regen roffelde op de vensterba…

Wat krijgen we nou? dacht hij. Droom ik of ben ik wakker?

Ben ik net wakker geworden of net in slaap gevallen?

Hij schudde zijn hoofd en huiverde. Wat betekende het wanneer werkelijkheid en droom samenvielen? Was dat de armzaligheid ten top, of was het iets anders? Iets heel anders?

Hij hoorde dat iemand in de winkel de deur achter zich dichtdeed. Het geritsel van een regenjas die uitgetrokken werd. Een zacht kuchen. Hij besloot dat hij wakker was.

‘Hallo. Is hier iemand?’

Hij kwam met moeite uit zijn fauteuil en gaf toe dat hij bestond.

De vrouw was blond en rond de dertig. In één oogopslag zag hij dat ze niet voor een boek kwam. Raar dat hij dat wist, terwijl hij niet wist waar ze dan wel voor kwam. Hij wachtte terwijl ze haar bril droogmaakte met behulp van de mouw van haar blauwgrijze trui.

‘Ik ben op zoek naar een meneer Van Veeteren.’

‘Waar gaat het over?’

‘Bent u …?’

Ze glimlachte onzeker.

‘Dat zou kunnen. Waarom vertelt u niet wat u wilt, dan kijken we daarna verder. Wilt u niet gaan zitten?’

Naderhand, drie of vier maanden later, stelde hij zich graag voor dat hij een voorgevoel had gehad. Dat hij al op het moment dat zij stond rond te kijken naar een plek waar ze haar natte regenjas kon neerleggen een soort besef had van wat er komen zou. Waar hij – voor het laatst? – in meegesleept zou worden.

Ja, het moest de laatste keer worden.

Maar dat was achteraf gezien. We begrijpen het leven wanneer we erop terugkijken, maar we moeten het vooruit leven. Ja, hij kende zijn Kierkegaard. Maar toen hij haar rode jas aannam en deze over een stoel achter het kloeke Hoegermaasbureau hing, waarop zich de catalogi bevonden en de nieuw binnengekomen, nog ongesorteerde stapels boeken, het kwitantieboekje en de geldkist, de asbak en de oude, verkleurde buste van Rilke … nee, toen was er waarschijnlijk, als hij eerlijk moest zijn, geen sprake van een kier in het gordijn dat de toekomst aan het oog onttrok. Van enige nieuwsgierigheid misschien. Een soort verwachting, dat was alles.

Bepaalde dingen zie je dus achteraf pas. Dat is ongetwijfeld maar beter ook. Hij liet haar in het krappe keukentje plaatsnemen, ze ging op een van de touwstoelen zitten en hij nam tegenover haar plaats.

‘Inspecteur Münster heeft me hierheen gestuurd.’

‘Inspecteur Münster?’

‘Ja.’

‘En …’

‘Van de recherche. Ik heb hem gisteren telefonisch gesproken. Hij stelde voor dat ik contact met u zou opnemen … als u commissaris Van Veeteren bent, tenminste.’

Hij zwaaide afwerend met zijn wijsvinger.

‘Ja en nee, juffrouw.’

‘Ja en nee?’

‘Ja, maar vooral nee. In prehistorische tijden ben ik inderdaad commissaris geweest. Nu ben ik gewoon meneer Van Veeteren, redder in nood en handelaar in antiquarische boeken. Hij leert het ook nooit, hè, die Münster. Maar ik geloof dat het tijd wordt dat u vertelt waar u voor komt, juffrouw … of is het mevrouw?’

‘Mevrouw.’

‘Natuurlijk. Waarom zou een mooie vrouw als u alleen rondlopen?’

Ze glimlachte even en hij zag dat zijn woorden beter met de werkelijkheid overeenkwamen dan hij eigenlijk had gedacht. Ze was geen opvallende schoonheid, maar ze had regelmatige trekken en een warme, stralende blik in haar ogen.

‘Mijn naam is Belle Vargas.’

Hij bedacht dat hij aantekeningen moest maken, maar hij had geen pen of papier bij de hand.

‘Ik kom bij u omdat ik me zorgen maak over mijn vader. Hij is … ik weet het niet zeker, maar ik denk dat je moet zeggen dat hij verdwenen is.’

‘Verdwenen?’

‘Ja. Daarom ben ik gisteren naar het politiebureau gegaan … om aangifte te doen van zijn vermissing. En toen ik thuiskwam, belde die inspecteur …’

‘Münster?’

‘Münster, ja. Hij stelde voor dat ik met u zou gaan praten, hij beweerde dat het u zou interesseren.’

Van Veeteren kuchte.

‘Ik ben bang dat ik het niet helemaal begrijp …’

‘Neem me niet kwalijk. Voor mijn trouwen heette ik Verlangen. Mijn vader is Maarten Verlangen.’

Het duurde twee seconden, misschien drie, voordat hij het verband zag. Maar toen hij het goed en wel had, voelde hij het des te duidelijker. Als het schrapen van een mes over de bodem van een pan of een nagel die afbreekt tegen een schoolbord. Hij keek op zijn horloge. Het was nog een half uur tot sluitingstijd. Belle Vargas zat onrustig in haar schoudertas te rommelen; hij begreep dat ze wachtte op duidelijkheid omtrent de vraag of hij haar al dan niet zou wegsturen.

‘Ik denk …’ zei hij. ‘Dat we wel een kopje koffie kunnen gebruiken.’

Ik ben toch wel wakker? dacht hij.

‘We zijn inmiddels vijftien jaar verder, realiseert u zich dat wel!’

‘Dat weet ik. Dat zei inspecteur Münster ook al, maar daar hoef ik niet aan te worden herinnerd. Het gaat de laatste jaren bergaf met mijn vader, dat kan ik meteen wel zeggen. Ik wil niet beweren dat het met deze geschiedenis is begonnen, maar die was op de een of andere manier wel de druppel … Die heeft hem de das omgedaan.’

Ze aarzelde en roerde in haar koffie.

‘Belle?’ vroeg Van Veeteren. ‘U heet Belle? Ik weet nog dat hij het over zijn dochter had. Hoe oud was u toen?’

Je mag een vrouw nooit naar haar leeftijd vragen, dacht hij, maar als je vraagt hoe oud ze een aantal jaren geleden was, mocht het weer wel.

‘Een jaar of zestien, zeventien’, zei ze. ‘Toen had mijn vader een detectivebureau, maar na dat akkefietje met G. is de klad erin gekomen. Hij hield het kantoor aan, weliswaar, tot een paar jaar geleden, maar hij kreeg bijna nooit meer een opdracht …’

‘Juist’, zei Van Veeteren en hij haalde zijn sigarettenroller tevoorschijn. ‘Het zou mooi zijn als u me kon vertellen wat er eigenlijk is gebeurd. Recentelijk, bedoel ik.’

‘Sorry’, zei Belle Vargas en ze kreeg een kleur. ‘Ja, ik weet dus niet wat er is gebeurd … behalve dat hij verdwenen is. Ik heb altijd één keer per week contact met hem, of in ieder geval om de week, maar nu is er bijna een maand voorbij.’

‘Waar woont hij?’

‘In de Heerbanerstraat. Hij woont al sinds de scheiding van mijn moeder in hetzelfde muffe appartement … al meer dan twintig jaar, nee, mijn vader heeft niet zo’n leuk leven gehad, ben ik bang.’

‘Misschien is hij ook tot dat inzicht gekomen en is hij ergens anders opnieuw begonnen.’

Ze lachte.

‘Mijn vader? Nee, u kent hem niet, dat hoor ik wel. En hij zou nooit weggaan zonder het mij te laten weten. Hij is …’

Ze zocht naar woorden.

‘… hij is nogal eenzaam. Ik denk dat ik de enige ben die iets betekent in zijn leven. Ik en de kinderen, ik heb een zoon en een dochter …’

‘Ik begrijp het’, zei Van Veeteren. ‘Ja, ik kreeg ook de indruk dat hij een eenling was … in die tijd al. Vijftien jaar geleden. Maar nu is hij dus verdwenen?’

Ze knikte.

‘Ja’, zei ze en ze slikte. ‘Voorzover ik weet is hij sinds de derde of de vierde niet meer thuis geweest. Ik ben eergisteren in zijn appartement geweest en daar heb ik een stapel post en reclamefolders gevonden, vooral dat laatste natuurlijk. Er moet … er moet hem iets zijn overkomen…’

Haar stem trilde en hij begreep dat ze veel ongeruster was dan ze tot nu toe had laten blijken.

‘Wat voor werk deed hij de laatste tijd?’

Ik had moeten vragen wat voor werk hij dóét, dacht hij, maar het was al te laat.

‘Hij is al een paar jaar werkloos … afgezien van tijdelijke, kleine baantjes. Ja, ik kan er net zo goed bij zeggen dat hij meer drinkt dan goed voor hem is. Dat was waarschijnlijk al zo toen u hem ontmoette. Maar het … het is er niet beter op geworden.’

Van Veeteren knikte.

‘Zo gaat dat soms’, zei hij. ‘Het spijt me voor u en ik besef dat het moeilijk is. Maar ik begrijp niet goed waarom u naar mij toe bent gekomen. Of waarom inspecteur Münster vond dat u hier moest komen. Ik neem aan dat er een opsporingsbericht is uitgestuurd?’

‘Ja. En ze hebben bij ziekenhuizen en dergelijke navraag gedaan … ik bereid me erop voor dat hij misschien met een borrel op bij een ongeluk om het leven is gekomen, maar er zijn kennelijk geen ongeïdentificeerde lichamen die aan zijn signalement beantwoorden … ja, en dan zijn er nog een paar omstandigheden.’

‘Omstandigheden?’ vroeg Van Veeteren. ‘Wat voor omstandigheden?’

Ze diepte een envelop op uit haar schoudertas, die ze op de grond had gezet en haalde er een blaadje uit.

‘Dit lag op de keukentafel.’

Van Veeteren pakte het aan en keek ernaar. Een gewoon gelinieerd A4’tje, uit een spiraalblok gescheurd, kennelijk. Er stonden twee notities op:

14.42

en

G. We gaan ervoor.

Dat was alles. Een ongelijkmatig handschrift. Een blauwe pen, die een paar inktvlekken had achtergelaten. De G was wat groter en dikker geschreven dan de overige letters. Er sprak agressie uit. De cijfers bovenaan waren onderstreept. Rechts onderaan op het blad zat een lichtgele vlek in de vorm van een vage driekwartcirkel. Afkomstig van een bierglas, luidde zijn diagnose.

Hij schoof het blaadje terug en keek haar aan.

‘Ja?’

Ze aarzelde.

‘Het is natuurlijk niet veel, maar u moet weten dat hij bezeten was van die geschiedenis met Hennan. Tenminste bij vlagen. Alsof daar de hele oorzaak lag van zijn eigen mislukking. U hebt geen idee hoe vaak ik dat heb moeten aanhoren … Hij is in de nasleep daarvan zijn baan bij de verzekeringsmaatschappij kwijtgeraakt, ik weet niet of u dat wist. Als het klopt wat ze zeggen, dat sommige mensen een zondebok nodig hebben, dan vervult Jaan G. Hennan die functie in het leven van mijn vader. Ik neem aan dat u begrijpt waar ik het over heb?’

‘Ik denk van wel’, zei Van Veeteren. ‘Het leven is niet altijd wat we ons ervan voorstellen. Maar u zei dat er een paar dingen waren? Niet alleen dit blaadje?’

Ze knikte.

‘Ja. Alleen dit krabbeltje zegt niet zo veel, maar er was dus ook een telefoontje.’

‘Telefoontje?’

‘Mijn vader heeft met mijn zoon Torben gebeld. We hebben geprobeerd na te gaan wanneer dat geweest is, maar kinderen, hè, u kent dat wel. Torben is tien. Waarschijnlijk was het begin vorige week, een dag of elf geleden, maar hij weet het niet precies meer. Het schoot hem laatst pas weer te binnen, toen we over opa zaten te praten en over het feit dat we hem moesten laten opsporen …’

‘Wat was dat voor telefoontje?’

‘Mijn vader belde en Torben nam op. Hij was alleen thuis, daarom denken we dat het een doordeweekse dag was, toen hij thuis was uit school en mijn man en ik nog op het werk waren … maandag of dinsdag, waarschijnlijk. Ja, preciezer weet ik het niet, maar ik kan voor mijn zoon instaan.’

‘Wat wilde uw vader?’

Ze wachtte even voordat ze antwoordde. Ze hield zijn blik een halve seconde extra vast, hij begreep dat ze zich van zijn oprechte aandacht wilde verzekeren. En van zijn geloof in haar woorden.

‘Hij vroeg Torben om iets aan ons door te geven’, vertelde ze. ‘Helaas deed hij dat pas een paar dagen later, omdat hij het vergeten was. Mijn vader had dit gezegd: “Het gaat om Jaan G. Hennan. Ik weet nu hoe het zit. Vanavond ga ik het bewijzen.” Dat herhaalde hij twee keer en hij vroeg Torben ons precies te vertellen wat hij had gezegd.’

Van Veeteren fronste zijn voorhoofd.

‘Hm’, zei hij. ‘En dat was uw zoon vergeten?’

‘Helaas wel, ja. Er kwam iets tussen. Maar hij wist het nog in detail toen het hem eenmaal weer te binnen schoot. U weet toch hoe kinderen van tien zijn?’

Van Veeteren knikte vaag.

‘Hm. “Ik weet nu hoe het zit. Vanavond ga ik het bewijzen.” Dat moet hij dus hebben gezegd?’

‘En dat het om Hennan ging, ja.’

‘Het klinkt wat … ja, hoe zal ik het zeggen … melodramatisch.’

‘Ik weet het. Zo doet hij soms.’

‘Tien dagen geleden?’

‘Niet meer dan twee weken in ieder geval.’

‘Maar u had geconstateerd dat hij al langer niet thuis was geweest. Hoelang zei u?’

‘Vier weken, voorzover ik dat kan beoordelen.’

‘En u weet niet waar hij vandaan belde?’

‘Nee.’

‘Heeft hij een mobieltje?’

‘Nee.’

‘Heeft hij iets gezegd over de politie waarschuwen of zo?’

‘Nee, kennelijk niet. En ik weet vrij zeker dat Torben het nog geweten zou hebben als dat zo was.’

Van Veeteren haalde een sigaret uit zijn sigarettenroller en zweeg enkele ogenblikken.

‘Hoe klonk hij aan de telefoon? Kreeg uw zoon daar een idee van? Ik bedoel gezien het feit dat …’

‘Ik begrijp wat u bedoelt. Ik heb Torben daar natuurlijk ook naar gevraagd en hij beweert dat opa nuchter was. Hij is er een paar keer bij geweest op momenten dat hij dat niet was, dus hij weet wat het is. Volgens hem klonk opa meer … ja, druk, gejaagd … alsof hij haast had. Het was kennelijk een heel kort gesprek.’

‘En hij heeft niet gezegd dat hij weer zou bellen?’

‘Nee … ik weet niet hoe u hier tegenaan kijkt, maar nu heb ik het u in ieder geval laten weten. Zoals die inspecteur zei …’

‘Uitstekend’, verzekerde Van Veeteren haar. ‘Dank u wel, het is heel goed dat u naar mij toe bent gekomen. Dat had inspecteur Münster volledig juist gezien.’

Hij pakte het blaadje op en bestudeerde het even zwijgend.

‘Dat getal’, zei hij. ‘14.42 … Het zou een vertrektijd kunnen zijn. Van een trein of een bus.’

Ze knikte.

‘Vermoedelijk. Dat dacht inspecteur Münster ook … ja, misschien is hij ergens naartoe gegaan. Maar er is al zo verdraaid veel tijd overheen gegaan!’

‘En hij heeft niet gezegd waar hij vandaan belde? Hij kan dus niet thuis geweest zijn?’

‘Hij kan overal geweest zijn. Torben weet zeker dat hij geen woord heeft gezegd over waar hij was.’

‘U hebt niet toevallig … hoe heet dat? Nummer…?’

‘Nummerweergave? Nee, jammer genoeg niet.’

Van Veeteren leunde achterover en dacht na. Belle Vargas dronk haar koffie op en leek zich af te vragen of ze er nog iets aan toe te voegen had, of dat ze afscheid zou nemen en vertrekken. Hij nam haar stiekem vanuit zijn ooghoek op, terwijl de gedachten door zijn hoofd meanderden.

‘Het is me wat’, mompelde hij ten slotte. ‘Na vijftien jaar … Maar ja, het hoeft natuurlijk niets te betekenen te hebben. Dit houdt hem erg bezig, zegt u?’

‘Af en toe wel. Ik verbeeld me dat hij zich misschien ergens in vastgebeten heeft, als hij echt een spoor heeft opgepikt. Ik weet niet of u begrijpt hoe …?’

‘Absoluut’, viel Van Veeteren haar in de rede. Hij kuchte en ging rechtop zitten. ‘U moet me niet onderschatten, het oppikken van sporen is mijn specialiteit. Ik had in 1987 de leiding over het onderzoek van de zaak-Barbara Hennan en ik heb uw vader een paar keer gesproken. Ik zal contact opnemen met inspecteur Münster, dan zullen we kijken wat we kunnen bereiken. Uw vader is nooit eerder zomaar een tijdje weggebleven?’

‘Nog nooit’, verklaarde Belle Vargas nadrukkelijk. ‘Ik weet zeker dat hem iets is overkomen en ik ben heel blij dat u de moeite neemt mij te helpen. Mijn vader … betekent niet veel, als u begrijpt wat ik bedoel.’

‘Betekent niet veel?’ vroeg Van Veeteren. ‘Ja, het is niet iedereen vergund in de schijnwerpers te staan. Maar u moet zich er niet te veel van voorstellen. Laten we hopen dat er een logische verklaring voor is en dat we uw vader gezond en wel terugvinden.’

Ze knikte. Ze stond op, gaf hem een hand en verliet het antiquariaat. Door de winkelruit zag hij hoe ze de capuchon van haar jas opzette tegen de aanhoudende regen en snel in de richting van het Kellnerplein liep.

Toen ze achter een meubelwagen voor de zaak van Gestetner was verdwenen, kneep hij eindelijk in zijn arm. Het deed pijn.

Een logische verklaring? Dacht hij vijf seconden later. Maarten Verlangen gezond en wel terugvinden?

Hij besefte dat hij daar niet in geloofde, en toen hij de deur naar de straat op slot had gedaan, werd hij even door duizeligheid bevangen. Hij ging in een van de fauteuils zitten.

G.? dacht hij. Opnieuw?

De laatste ronde?

Het waren alleen maar woorden die in zijn hoofd opkwamen, bij gebrek aan gedachten, dat wist hij, en hij voelde dat hij ze wilde tegenhouden. Ze waren te zwaar voor het lichte voorgevoel dat hij opeens kreeg. Het kriebelende gevoel dat zijn enige onopgeloste zaak in meer dan dertig jaar bij de politie toch nog een vervolg zou kunnen krijgen … een vermoeden dat zich niet drijvende of zwevende zou kunnen houden als hij er te veel aandacht aan schonk of het in woorden wilde vatten.

Rust en beleid, dacht hij. Maak je geen illusies, boekverkoper!

Hij stond op en trok het rolgordijn voor de deur naar beneden. Hij keerde terug naar de achterkamer en de leunstoel. Hij haalde de fles port en het glas achter Schiller en Klopstock vandaan en schonk het glas tot de rand toe vol. Hij ging er eens goed voor zitten en stak de sigaret op die hij tijdens het gesprek met Belle Vargas had geproduceerd, maar niet had aangestoken – en zodra hij zijn ogen had gesloten en weerloos was geworden, kwam als op bestelling het oude beeld van het gymnastieklokaal boven.

Het stilstaande beeld van het lokaal, waar Adam Bronstein in de stinkende lange mat gerold zat. En daarna nog een, van een paar minuten later. Een duivels moment.

Het moment waarop … Ze staan al buiten. G. heeft de deur van het lokaal dichtgedaan en opdracht gegeven tot de aftocht. Hijzelf krijgt een idee hoe hij Adams leven kan redden. Hij blijft op het schoolplein staan en doet net of hij een losse veter heeft die hij vast moet knopen. Hij hurkt tussen de rode en gele herfstbladeren bij een van de fietsenhokken en begint een dergelijke veterstrikprocedure te simuleren. Het gaat precies zoals hij had gehoopt. G. blijft niet op hem staan wachten, hij kijkt alleen even om en loopt met de anderen door naar de schooldeur.

En dan durft hij opeens niet meer. Hij had gemakkelijk kunnen wachten tot de andere jongens en G. de donkere hal waren binnengegaan om daarna zelf terug te keren naar het gymnastieklokaal, maar hij doet het niet, hij komt overeind en rent achter hen aan.

Híj heeft Adam Bronstein immers niet in die mat gerold.

Het is niet zíjn verantwoordelijkheid.

Het is niet …

Hij deed zijn ogen open en het beeld verdween.

Haat ik hem daarom? dacht hij. Omdat hij me heeft gewogen en mij medeschuldig heeft gemaakt? Een medeplichtige? Vijftig jaar geleden.

Hij keek op zijn horloge. Het was kwart over zes … en plotseling herinnerde hij zich dat ze bezoek zouden krijgen: twee kinderen van Ulrike, zijn eigen kleindochter Andrea en haar moeder. Ulrike wilde paella maken en had zijn hulp achter het fornuis vast en zeker nodig.

Hij voelde dat hij naar haar verlangde, dat hij met haar in de keuken wilde staan koken, ieder met een glas chianti en de geur van brood dat in de oven zat. Hevig verlangde.

Mijn god, dacht hij. Ik ben vijfenzestig jaar oud en verliefd als een puber.

Hij kwam overeind en verliet het antiquariaat.

Laat op de avond belde hij Münster. Hij had al een aantal maanden niet met hem of met andere oud-collega’s gesproken en voelde zich bijna een indringer. Dat was vreemd, maar het was zo.

Münster had niet meer informatie over Verlangen dan wat hij al van Belle Vargas had gehoord, bleek nu. Ze hadden gisteren een opsporingsbericht laten uitgaan, maar er waren – na ruim een etmaal – nog geen tips binnengekomen. Ze spraken af om over een paar dagen de zaak te bespreken; als er intussen iets belangrijks gebeurde, zou de inspecteur de commissaris daar meteen van op de hoogte stellen, dat beloofde hij.

Münster sprak het woord ‘commissaris’ niet uit, maar Van Veeteren hoorde toch zo duidelijk als wat dat het op het puntje van zijn tong lag.

De commissaris.

Deze herfst zou ik met pensioen zijn gegaan als ik was gebleven, dacht hij. Misschien was het de bedoeling dat ik toch nog een robbertje met G. zou kunnen vechten. Misschien had de regisseur zich dat zo voorgesteld.

Zou dat kunnen? De regisseur?

Hij schudde zijn hoofd en probeerde de gedachte met een slok chianti weg te spoelen.

Maar dat viel niet mee.