26

Hij nam niet de moeite om die donderdag naar Linden te gaan om de pleitredes bij te wonen en toen Münster laat in de middag zijn kamer binnenkwam om hem te vertellen wat de uitspraak was, was hij al samen met Heinemann aan een heel andere zaak bezig.

‘Die eikel is de dans ontsprongen’, zei Münster.

‘Hennan?’ vroeg Heinemann.

‘Hennan, ja.’

‘Je kon niet anders verwachten’, zei Van Veeteren.

‘Nee, dat zal wel niet’, zei Münster.

Heinemann snoot omstandig zijn neus.

‘Weet je hoelang ze zich hebben beraden?’ vroeg de commissaris.

Münster ging op de vensterbank zitten.

‘Minder dan een half uur, als ik het goed heb begrepen. Nee, het is gegaan zoals u had gezegd. Toch vind ik het een schandaal dat hij vrijuit gaat. Silwerstein wilde nog niet zeggen of hij in beroep gaat.’

Van Veeteren sloeg de map dicht waar hij in had zitten bladeren.

‘Het was feitelijk een nog groter schandaal geweest, als hij was veroordeeld’, constateerde hij. ‘En je kunt natuurlijk pas in beroep gaan als er nieuwe omstandigheden aan het licht komen.’

‘Dat is zo’, gaf Münster moedeloos toe. ‘Dat neem ik wel aan. Het onderzoek heeft alleen nooit iets tastbaars opgeleverd. We hadden de dader moeten hebben, zonder dader was het eigenlijk helemaal niet mogelijk om Hennan te pakken. Omdat de misdaad als het ware in de lucht hing.’

Van Veeteren zei niets.

‘Ik vraag me af hoe je dat doet, een moordenaar inhuren’, ging Münster verder. ‘Dan hadden we toch haast ergens een tussenpersoon moeten tegenkomen. Je kunt toch geen advertentie zetten voor een huurmoordenaar?’

‘Hopelijk niet’, zei de commissaris. ‘Maar er is niemand die zegt dat we niet al met een tussenpersoon hebben gesproken. Maar waarom zou die zichzelf verraden, alleen omdat wij een paar vragen komen stellen?’

‘Ja, waarom zou hij?’ zei Münster.

Van Veeteren kruiste zijn armen over zijn borst en leunde achterover in zijn stoel. Hij keek even uit het raam voordat hij weer het woord nam.

‘Dit moeten we naast ons neerleggen, Münster. We hebben het maar te accepteren. Misschien duikt er over een jaar iets op … of over vijf jaar, of tien … een aanwijzing waarmee we verder kunnen. Maar nu niet, we hebben al genoeg werkuren aan G. verspild. Ga maar naar je kamer en doe iets nuttigs.’

‘Oké’, zei Münster. ‘Ik heb genoeg te doen.’

Hij stond op, knikte naar Heinemann en verliet het vertrek.

Het was even stil nadat Münster was vertrokken. De commissaris zag dat Heinemann ergens over zat na te denken en uiteindelijk kwam het.

‘Die G., hè’, zei hij en hij begon omstandig zijn bril te poetsen met zijn stropdas. ‘Ik heb hem er nooit echt het type voor gevonden.’

‘Het type waarvoor?’

‘Het type dat iemand inhuurt voor het vuile werk. Ik weet het niet, maar dat zit me de hele tijd al dwars …’

De commissaris keek hem aan en wachtte op een vervolg, maar dat kwam niet. Nou ja, dacht hij en hij sloeg de map weer open. Heinemann heeft altijd al een talent gehad voor losse flodders.

‘Zullen we verdergaan?’ vroeg hij.

‘Wat?’ zei Heinemann. ‘Ja, natuurlijk, ja.’

Verlangen was niet nuchter toen Krotowsky donderdagavond belde, maar het had niet uitgemaakt als hij dat wel was geweest. Alleen was het gesprek misschien iets anders verlopen.

‘Directeur Kooperdijk heeft me gevraagd je te bellen’, zei Krotowsky.

‘Dat had ik wel gedacht’, zei Verlangen.

‘Je begrijpt misschien wel waar het over gaat?’

‘Ik heb geen flauw idee.’

‘Hoe is het met je? Je klinkt een beetje …’

‘Wat? Hoe klink ik?’

‘Laat maar’, zei Krotowsky. ‘Hoe dan ook, de directeur vroeg mij je te bellen om je mee te delen dat we de samenwerking opzeggen.’

‘De samenwerking?’ zei Verlangen. ‘Wat voor samenwerking, verdorie? Slavenarbeid is het! Zeg dat maar tegen die mooie baas van je.’

‘Luister nou’, zei Krotowsky. ‘Er is geen reden om je hier zo over op te winden. De situatie is toch duidelijk en …’

‘Weet je wat jij kunt doen, verdomde kontlikker’, ging Verlangen geïnspireerd verder. ‘Stop die dikke directeur van je maar in je eigen reet, verdomme, denk je dat ik niets belangrijkers te doen heb dan hier naar jouw debiele geneuzel te luisteren?’

‘Nee, nou wordt het toch al te …’ zei Krotowsky. ‘Als ik je weer zie, is het niet best …’

‘Piss off!’ zei Verlangen en hij smeet de hoorn erop.

Dat zal hem leren, dacht hij en hij boerde voldaan. Hij reikte naar het bierblikje op tafel en vroeg zich af waar de afstandsbediening gebleven was.

De journalist beweerde dat hij Hoegstra heette en bij de Post werkte.

‘Waarom belt u me thuis op?’ vroeg Van Veeteren.

‘Ik heb het op het bureau geprobeerd, maar daar zeiden ze dat u al weg was.’

‘Wat wilt u?’

‘Het gaat om de zaak tegen Jaan G. Hennan. Hij is immers vandaag vrijgesproken en er wordt gezegd dat dit uw eerste fiasco is …’

Hij wachtte af wat Van Veeteren zou zeggen, maar die zei niets.

‘… dus we zijn gewoon benieuwd naar uw commentaar.’

‘Ik heb geen commentaar.’

‘Maar als het nu echt zo is dat …’

‘Mankeert er iets aan uw oren? Ik zei dat ik geen commentaar heb.’

Het was drie seconden stil.

‘Juist’, zei de journalist. ‘Nou, dank u wel.’

‘Graag gedaan’, zei de commissaris.

Het gesprek met Erich duurde een half uur.

In ieder geval verstreken er dertig minuten vanaf het moment dat hij diens kamer binnenstapte tot het moment dat hij die verliet. Erich zat op zijn bed, hijzelf op de rand van het bureau. Wat er werd gezegd, had op een servet of in een sonnet gepast, dacht hij, als iemand op het idee was gekomen het op te schrijven – maar er was toch een soort begrip tussen hen.

Dat verbeeldde hij zich in ieder geval, en als bevestiging hiervan nam Erich helemaal aan het eind van hun gesprek een initiatief.

‘Er is eigenlijk maar één probleem’, zei hij.

‘Laat horen’, zei de vader.

‘Deze wereld zint me niet’, zei de zoon. ‘Hoe moet ik het hier uithouden als ik eigenlijk niet wil leven?’

Eerst drong het niet tot hem door wat Erich had gezegd, maar daarna vormden de woorden een … een gebalde vuist van ijs, die langzaam door hem heen ging en ergens vlak onder zijn hart bleef steken.

Wanneer je eigenlijk niet wilt leven?

Zijn eigen zoon.

Er verstreek een oneindigheid van heel kleine tijdseenheden, waarin het ijs nu eens hard werd en dan weer begon te smelten, terwijl beiden, vader en zoon, ingekapseld schenen te zitten in hun eigen fundamentele eenzaamheid. Terug bij af.

Hij wist niet hoe hij moest reageren. Hij had er geen woorden voor.

Of liever gezegd, hij kon wel tien dingen verzinnen om te zeggen, maar die hadden allemaal iets betweterigs en daarom zei hij niets. Uit een soort respect voor de woorden van Erich en voor de stilte bleven ze zwijgend bij elkaar zitten. Er gingen vijf minuten voorbij, misschien tien. Toen gaf hij zijn zoon een onhandige knuffel en stond op.

In de deuropening bleef hij staan.

‘Vergeet niet dat ik van je hou’, zei hij. ‘Als ik geloofde dat er een god was, zou ik voor je bidden.’

‘Ik weet het’, zei Erich. ‘Dank je wel.’

Hij wist dat hij niet zou kunnen slapen, dus rond middernacht maakte hij een lange avondwandeling met Bismarck. Hij dwaalde zo lang rond door het Randerspark dat hij elk bankje en elke afvalbak zeker drie keer passeerde.

Waarom zou je op je zestiende niet willen leven? dacht hij.

Hij probeerde zich te herinneren of hijzelf, toen hij zo oud was als Erich, het leven had gezien als iets wat absoluut de moeite waard was, maar hij kwam er niet meer achter.

Je wilt graag geloven dat kinderen en jongeren het leven gemakkelijker vinden dan volwassenen, dacht hij. Daar ga je als ouder altijd van uit, maar het is natuurlijk onzin, een verkeerde veronderstelling. Zoals er wel meer zijn.

Misschien was zijn idee van een derde factor in de vergelijking, een product van de pedante overpeinzingen waarin hij onlangs was vervallen, ook wel een verkeerde veronderstelling. Hij dacht aan wat Heinemann over G. had gezegd.

Dat hij niet het type was dat een handlanger inzette.

Dat er geen derde factor hoefde te zijn.

Ik moet dit van me afzetten, dacht de commissaris. In ieder geval een tijdje. Anders word ik gek.

Hij stak een sigaret op, zette de kraag van zijn jas op tegen de regen en keerde terug naar huis.