25

‘Mevrouw Sellneck, kunt u vertellen wat uw relatie is met de beklaagde, Jaan G. Hennan?’

Doris Sellneck schudde een paar keer op een eigenaardige manier met haar hoofd alvorens antwoord te geven. Voorzover Van Veeteren kon beoordelen was ze in de vijftig, een lange, magere vrouw die een in zichzelf gekeerde indruk maakte. Alsof ze er niet echt bij was. Op het moment dat hij haar naam hoorde, wist hij weer wie ze was.

Hij wist ook weer waarom hij niet de moeite had genomen om haar te verhoren.

‘Ik begrijp echt niet waarom u mij hebt opgeroepen’, begon ze. ‘Jaan G. Hennan is een afgesloten hoofdstuk van mijn leven. Het is meer dan twintig jaar geleden.’

‘Ja, precies’, haastte de advocaat zich te zeggen. ‘Ik verzoek u mevrouw Sellneck toe te staan de getuigenbank meteen weer te verlaten.’

‘Ja, alstublieft’, zei Doris Sellneck.

‘Verzoek afgewezen’, zei Hart.

‘Beste mevrouw Sellneck’, hervatte Silwerstein. ‘We hebben het hier immers over gehad. Uw huwelijk met de beklaagde ligt weliswaar ver achter u, maar wij proberen de achtergrond te schetsen, zeg maar. Zijn karakter en dergelijke. Als u …’

‘Hij heeft geen karakter’, viel Doris Sellneck hem met plotselinge felheid in de rede. ‘En ook geen ruggengraat.’

‘Protest’, riep de advocaat.

‘Ik verzoek de getuige om haar woorden met zorg te kiezen’, zei Hart.

‘Wat?’ vroeg Doris Sellneck.

Van Veeteren deed zijn ogen dicht. De officier schraapte zijn keel.

‘U bent dus korte tijd met Hennan getrouwd geweest. In 1964, toch?’

‘In 1964, ja’, bevestigde mevrouw Sellneck. ‘We zijn in mei getrouwd en in oktober uit elkaar gegaan.’

‘Kunt u iets over uw huwelijk vertellen?’ vroeg Silwerstein. ‘En over Hennan.’

‘Hij was niet goed voor me’, verklaarde Doris Sellneck en ze draaide met haar nek. ‘Ik heb de scheiding aangevraagd. Hij had er een andere vrouw naast.’

‘Een andere vrouw?’

‘Ja. Friedel heette ze.’

‘Echt waar? En wat deed hij nog meer wat niet goed was?’

‘Hij bedroog me en hij maakte me geld afhandig.’

‘Ik protesteer’, barstte Van Molde weer uit. ‘Het slaat nergens op dat het om aan komt zetten met een getuige die mijn cliënt al bijna een kwart eeuw niet meer heeft gezien. U hebt toch geen contact gehad met uw ex-man sinds uw scheiding, mevrouw Sellneck?’

‘Dat zou ik ook niet gewild hebben’, zei Doris Sellneck.

Hart sloeg met de hamer op tafel en keek de advocaat ontstemd aan.

‘Eerst mag de officier vragen stellen aan de getuige en als hij klaar is, bent u aan de beurt’, instrueerde hij. ‘Kunnen we het in ieder geval over die kleinigheid eens zijn?’

‘Zeker wel’, zei mevrouw Van Molde en ze ging zitten.

Silwerstein veegde snel zijn voorhoofd af met een zakdoek.

‘Uw man maakte u geld afhandig, zei u?’

Doris Sellneck knikte.

‘Veel geld, ja. Ik moest hem uitkopen uit de flat die we van mijn geld hadden betaald. Dertienduizend gulden.’

‘Aha. Hoelang kende u hem al voordat u met hem trouwde?’

‘Een half jaar. Hij vroeg me en ik zei ja. Ik was naïef, het was hem alleen om mijn geld te doen. Het was nooit zijn bedoeling dat het iets anders dan een schijnhuwelijk zou worden.’

‘Hoe bedoelt u?’

‘Hij had immers aldoor die andere vrouw … Friedel. Met mij wilde hij niet naar bed. Ik was niet goed genoeg, potverdomme, wat een lamstraal!’

Er ontstond enige beroering onder de toeschouwers, maar rechter Hart hoefde zijn hamer maar te heffen en het werd al stil.

‘En hij heeft u geslagen, vertelde u?’ ging Silwerstein verder.

‘Protest!’ riep de advocaat en ze stond op. ‘Deze getuige is zo wraakbaar als wat. Een versmade vrouw die na vijfentwintig jaar uit is op wraak. Een schande! Zelfs moord verjaart na vijfentwintig jaar, mevrouw Sellneck hoort in een andere tijd thuis.’

‘Dank voor uw visie’, zei Hart. ‘Gaat u alstublieft zitten, meester Van Molde, ik ben ervan overtuigd dat de leden van de jury zelf ook wel een psychologische beoordeling kunnen maken. Wilt u zo vriendelijk zijn de vraag van de officier te beantwoorden, mevrouw Sellneck?’

‘Welke vraag?’ wilde Doris Sellneck weten.

‘Of Jaan G. Hennan u heeft geslagen’, verduidelijkte de officier.

‘Ja, dat klopt’, bevestigde Doris Sellneck ijverig. ‘Hij heeft me een keer een klap gegeven. Recht in mijn gezicht, dat was nadat ik de scheiding had aangevraagd. Zo mag je je vrouw niet behandelen.’

De advocaat stak haar hand op.

‘Mag mijn cliënt even iets zeggen? Om het recht te zetten?’

Het viel Van Veeteren op dat rechter Hart bijna geamuseerd keek. Hij knikte naar de advocaat dat het mocht en Hennan stond op van zijn stoel.

‘Het klopt dat ik mijn vrouw een keer heb geslagen’, zei hij. ‘Ze beet in mijn arm, ik moest haar met mijn andere hand wel een klap geven om los te komen.’

Hij ging zitten. Doris Sellneck zwaaide met haar gebalde vuist naar hem vanaf de getuigenbank en een groot aantal toehoorders reageerde luid. Maar commissaris Van Veeteren niet.

Reinhart heeft gelijk, dacht hij. Silwerstein is een ezel. Je mag nog blij zijn dat hij Hennans zus niet heeft opgeroepen.

Rechter Hart liet het geroezemoes verstommen voordat hij de officier een teken gaf dat hij verder kon gaan. Die vond het echter beter om niet meer risico’s te nemen en richtte zich tot de jury.

‘Ik geloof dat we zo al een tamelijk goed beeld hebben van het karakter van de beklaagde’, constateerde hij. ‘Twintig jaar geleden maakte hij al misbruik van vrouwen om er financieel beter van te worden, en dat is hij sindsdien blijven doen. Doris Sellneck heeft het er levend van afgebracht, Philomena McNaught en Barbara Delgado niet. Dank u wel, mevrouw Sellneck, ik heb geen vragen meer aan u.’

Advocaat Van Molde echter wel. Een paar maar.

‘Wat is uw beroep, mevrouw Sellneck?’

‘Ik ben met ziekteverlof.’

‘Ziekteverlof?’

‘Ik ben afgekeurd, beter gezegd.’

‘Waar woont u?’

‘Ik woon in het Leliehuis.’

‘Juist. Dat is toch een instelling voor mensen met verschillende psychische stoornissen?’

‘Het is een verpleeghuis, ja. Daar woon ik.’

‘Hoelang al?’

De nek van Doris Sellneck bewoog weer schokkerig.

‘Al bijna achttien jaar’, zei ze. ‘In augustus woon ik er achttien jaar.’

‘Bevalt het u daar in het Leliehuis?’

‘Ja, het bevalt me prima’, verklaarde mevrouw Sellneck tevreden. ‘We zitten op een mooi plekje, vlak bij de Seegergracht, en elke donderdag en zondag is er film.’

Na die uitspraak mocht ze de getuigenbank verlaten.

Verlangen was pas geschoren en hij droeg een wit overhemd.

Op de inleidende vragen van de officier antwoordde hij dat hij als privédetective werkte en een eigen detectivebureau had, dat hij zevenenveertig jaar oud was, en dat hij vroeger bij de politie had gewerkt.

Silwerstein vroeg of hij vóór deze zaak contact had gehad met de beklaagde, en Verlangen vertelde relatief uitvoerig over zijn inspanningen van twaalf jaar geleden, toen Hennan was veroordeeld voor drugsmisdrijven. Het viel Van Veeteren op dat advocaat Van Molde tijdens zijn uiteenzetting meermalen scheen te willen protesteren, maar ze bleef zitten, misschien wel omdat Hennan een hand op haar arm legde.

‘En een maand geleden dook hij dus opnieuw op in uw leven?’ vroeg de officier.

Verlangen bracht vervolgens nauwgezet verslag uit van de manier waarop Barbara Hennan contact met hem had opgenomen en hij vertelde van zijn observatiewerk in Linden.

‘Beschouwt u zichzelf als een ervaren detective?’ vroeg Silwerstein toen Verlangen uitgesproken was.

‘Ik doe het nu vijf jaar’, verklaarde Verlangen. ‘Bovendien verschilt het niet zo heel veel van mijn vroegere werk bij de politie … dus, ja, ik mag wel zeggen dat ik vrij veel ervaring heb.’

‘Hebt u eerder observatieopdrachten uitgevoerd?’

‘Verscheidene keren.’

‘Waar gaat het daarbij meestal om?’

‘Wanneer vrouwen hun man willen laten schaduwen, gaat het meestal om overspel. Ze willen weten of hun man een andere vrouw ontmoet.’

‘Is dat het meest voorkomende motief?’

‘Absoluut.’

‘En hoe zat het met Barbara Hennan?’

‘Ze heeft geen motief genoemd.’

‘Is dat gebruikelijk?’

‘Het komt voor, maar meestal geven ze wel een reden aan.’

‘Kreeg u de indruk dat mevrouw Hennan iets dergelijks vermoedde toen ze u vroeg de beklaagde te observeren?’

‘Protest’, viel de advocaat hem in de rede. ‘De verdachte wordt gevraagd te speculeren.’

‘Afgewezen’, zei Hart. ‘De leden van de jury moeten echter bedenken dat het de getuige wordt toegestaan hierover zijn eigen oordeel te geven.’

‘Ik kreeg niet zo’n duidelijke indruk’, verklaarde Verlangen na een korte denkpauze. ‘Maar ik dacht dat er iets anders achter zat.’

‘Wat had dat kunnen zijn?’

‘Dat weet ik niet. Ze wilde weten wat hij deed. Ik moest elke dag verslag uitbrengen.’

‘En dat hebt u gedaan?’

‘Ja.’

‘Maar uw werk werd al snel afgebroken, nietwaar?’

‘Ja. Na twee dagen werd mijn cliënte dood aangetroffen.’

‘Twee dagen nadat Barbara Hennan u in de arm had genomen om haar man te observeren, werd ze dood aangetroffen op de bodem van het lege zwembad bij hun huis, heb ik dat goed begrepen?’

‘Ja.’

Officier Silwerstein knikte peinzend en richtte zich tot de jury.

‘Ik zal de getuige niet vragen om een conclusie te trekken, aangezien mijn waarde collega dan maar al te graag protest zal aantekenen. Maar ik moet mezelf toestaan een open vraag te stellen, namelijk welke conclusie je logischerwijs kunt trekken uit het verhaal van detective Verlangen. Er is maar één zo’n conclusie, dames en heren. Barbara Hennan begreep dat haar man, de beklaagde, iets van plan was. Ze was bang, ze maakte zich zorgen over haar eigen veiligheid, en ze nam een privédetective in de arm. Helaas kon hij haar niet de bijstand bieden waarop ze had gehoopt en twee dagen later was het te laat. Is er iemand onder ons die de geringste twijfel heeft over wie er schuldig is aan haar dood? Ik niet. Dat is Jaan G. Hennan!’

‘Ik teken bezwaar aan’, zei de advocaat met vermoeide stem.

‘Toegewezen’, zei Hart. ‘Uw requisitoir, meneer de officier, vindt morgen plaats en niet vandaag. Had u nog meer vragen aan de heer Verlangen?’

‘Nee, dank u wel’, zei Silwerstein en hij ging weer zitten. ‘Geen verdere vragen.’

Mevrouw Van Molde kwam op Verlangen af zoals een kat een gewonde vogel besluipt.

‘Waarom bent u bij de politie weggegaan, meneer Verlangen?’ opende ze.

‘Ik wilde ander werk’, zei Verlangen.

‘Ander werk?’

‘Ja.’

‘Dus u verlaat uw baan bij de politie en wordt privédetective. Noemt u dat ander werk?’

‘Het is vrijer’, zei Verlangen en hij schoof heen en weer.

Eigenaardig, dacht Van Veeteren. Hier kan zij logischerwijs niets van weten. Was het gewoon trefzekere intuïtie waardoor ze dit tere punt had gevonden?

‘Ik maak bezwaar’, zei Silwerstein. ‘Wat wil de advocaat hiermee beweren?’

‘Niets’, zei Van Molde nog voordat Hart iets had kunnen zeggen. ‘Ik ga door. Heeft mijn cliënt gedurende de periode – de korte periode – dat u hem zogenaamd observeerde, crimineel gedrag vertoond?’

‘Nee.’

‘Heeft hij dingen gedaan die u verdacht voorkwamen?’

‘Nee, hij heeft …’

‘Alleen ja of nee, graag, dat spaart tijd. Heeft hij ontmoetingen gehad die u de moeite waard vond om aan uw opdrachtgever te melden?’

‘Nee.’

‘Heeft hij zich überhaupt – in enig opzicht – gedragen alsof hij misdadige plannen had?’

‘Nee.’

‘Had u op enig moment tijdens uw observatie het vermoeden dat uw cliënt in gevaar was?’

‘Nee, ik kon …’

‘Ja of nee?’

‘Nee.’

‘Bent u er getuige van geweest dat de heer Hennan met andere mensen belde of praatte, afgezien van het bedienend personeel in het restaurant en dergelijke?’

‘Nee.’

‘En u hield hem in de gaten in restaurant Colombine rond de tijd dat zijn vrouw is overleden?’

‘Ja.’

‘Dank u wel.’

Ze richtte zich tot de jury en het publiek en trok een lichtelijk verbaasd gezicht.

‘Hoe kan de officier in vredesnaam op grond van het verhaal van detective Verlangen concluderen dat Jaan G. Hennan iets met de dood van zijn vrouw te maken heeft? Dat is onbegrijpelijk, dames en heren, volkomen onbegrijpelijk. De getuige verschaft mijn cliënt juist een alibi, een volkomen glashelder alibi voor het betreffende tijdstip. Ik moet zeggen dat ik niet begrijp waar de officier heen wil.’

Rechter Hart leunde naar voren op zijn verhoging en de advocaat ging op een andere toer.

‘Klopt het dat u directeur Kooperdijk van Trustor Verzekeringen kent?’

Verlangen aarzelde even en gaf het toen op.

‘Ja.’

‘Hoe?’

‘Ik doe een aantal opdrachten voor hen.’

‘Aha? Dus u werkt ook voor Trustor, de maatschappij waar mijn cliënt zijn verzekeringen heeft ondergebracht?’

‘Af en toe, ja.’

‘Als een soort verzekeringsdetective?’

‘Zo kun je het noemen.’

‘Juist. Dus het is uw taak, onder andere, om verzekeringsfraude aan het licht te brengen?’

‘Onder andere.’

De advocaat liet een stilte vallen, die volgens de schatting van Van Veeteren minstens vijf seconden duurde, om deze informatie diep door te laten dringen tot de leden van de jury.

‘Je zou dus kunnen beweren’, hervatte ze, ‘dat u er beroepshalve belang bij hebt dat mijn cliënt verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van zijn vrouw? Want als dat zo is, keert de verzekering immers niet uit …’

‘Ik heb natuurlijk geen …’

‘Ja of nee, meneer Verlangen?’

‘Nee, ik heb daar niets mee te maken.’

De advocaat wachtte weer even terwijl ze Verlangen met licht gefronste wenkbrauwen aankeek.

‘Meneer Verlangen,’ zei ze toen, ‘ik heb een gesprek gehad met de heer Kooperdijk en hij heeft mij de situatie uitgelegd. Is het niet zo dat men niet helemaal tevreden was over uw prestaties als verzekeringsdetective, en dat het u iets zou kunnen opleveren als Trustor het verzekerde bedrag niet zou hoeven uitkeren aan de heer Hennan? Is het niet zo dat u er, los van het beroepsmatige aspect, ook puur persoonlijk belang bij hebt dat het zo gaat?’

‘Ik kan echt niet …’

‘Wilt u dat we de heer Kooperdijk oproepen om deze gegevens te verifiëren?’

Verlangen antwoordde niet. Hij wreef een paar keer met de knokkels van zijn rechterhand over zijn wangen en zijn kin en keek lichtelijk verward, alsof het hem verbaasde dat zijn gezicht voor de verandering gladgeschoren was. Zijn blik ging onrustig van de advocaat naar de jury en naar het publiek. Er verstreken weer vijf seconden.

‘Ik merk op dat de getuige mijn vraag liever niet wil beantwoorden’, constateerde Van Molde. ‘In dat geval vind ik het zinloos om door te gaan. Ik heb er niets aan toe te voegen.’

Ze ging zitten. Rechter Hart spoorde Verlangen aan de getuigenbank te verlaten. Daarna stopte hij al zijn brillen in verschillende zakken, hield zijn horloge vlak voor zijn ogen en verklaarde de zitting voor gesloten.

Toen Van Veeteren Linden uit reed, begon het te regenen. Een zware onweersbui, die zich kennelijk gedurende die hele, benauwde middag had liggen opladen. Hij zette zijn auto aan de kant, zocht even tussen de cassettebandjes in het dashboardkastje en vond ten slotte het Requiem van Fauré. Hij zette het op, dacht even na en besloot een omweg te maken. Twintig minuten autorijden was te kort, hij had minstens een uur nodig. Hij startte weer, sloeg rechts af bij de rotonde aan de rand van de stad en in plaats van rechtdoor reed hij in zuidelijke richting verder naar Linzhuisen en Weill.

Dit wordt niks, dacht hij. Dit wordt helemaal niks. G. komt ermee weg en ik kan er helemaal niets tegen beginnen. Ongeacht hoe de pleitredes morgen luiden, de jury spreekt hem toch vrij. Ik heb het de hele tijd zien aankomen en nu is het dan zover.

In zekere zin verbaasde het hem dat het hem niet verbaasde. Of dat hij er zich niet over opwond. Het was toch voor het eerst dat hij zich een moordenaar liet ontglippen.

Hij wist natuurlijk dat hem dat ooit zou overkomen. Commissaris Mort had verteld hoe het voelde als je voor het eerst een zaak verknalde, en Borkmann ook. In zijn eigen geval had dat meer dan twintig jaar op zich laten wachten, wat waarschijnlijk een soort record was, maar dat kon hem op dit moment geen klap schelen. Hij had ruim de tijd gehad om zich erop voor te bereiden; het hele onderzoek was van meet af aan een ramp geweest en het geluk was hen onderweg geen handje komen helpen.

Zodoende. Er waren geen nieuwe omstandigheden naar voren gekomen, ook niet uit de verhoren, en er was geen verandering gekomen in al bekende omstandigheden. Die verdomde G. kon rustig achteroverleunen, wachtend op de onvermijdelijke afloop: zijn eigen vrijlating en zijn één komma twee miljoen.

Het was niet anders, en hij schoot er niets mee op dat zowel de jury als de rechter, evenals alle betrokkenen, vermoedelijk even overtuigd was van G.’s schuld als hijzelf.

Het hielp geen zier. Dit was het rechtssysteem, de molens maalden volgens het boekje.

In een zaak die klinisch was, om met Reinhart te spreken. Alle ingrediënten hadden er vanaf het begin in gezeten: de verzekeringsgeschiedenis, het alibi, de privédetective, Hennans verleden. Er waren geen nieuwe feiten aan het licht gekomen, ondanks gestaag en doelgericht politiewerk, alweer uitgevoerd volgens het boekje. Nee, ook al zouden honderdduizend mensen ervan overtuigd zijn dat G. een moordenaar had ingehuurd om zijn vrouw om het leven te brengen, dan had dat niets uitgemaakt, bedacht de commissaris berustend. Dan was hij er nog mee weggekomen.

Aangezien ze er niet in waren geslaagd de dader te vinden.

En aangezien ze er niet in waren geslaagd te bewijzen dat Barbara Hennan niet door een ongeluk om het leven was gekomen. Zelfs dat nog niet eens.

Verspilde moeite, met andere woorden. Die conclusie lag voor de hand. Hij vroeg zich af of het ooit tot een rechtszaak was gekomen als die verdomde Verlangen zijn mond niet had voorbijgepraat en de pers op het spoor had gezet.

Misschien, misschien niet. Maar het was in ieder geval een prettig gevoel, zoals Reinhart had geconstateerd, dat ze G. niet meteen weer in vrijheid hadden hoeven stellen. Het was toch fijn dat de molens even hadden mogen malen.

Het regende niet zo hard meer toen hij bij Linzhuisen kwam, waar hij een smalle, rustige landweg insloeg in de richting van Korrim en Weill. Het was eeuwigheden geleden dat hij die route had gereden. In gedachten recapituleerde hij het proces dat in het gerechtsgebouw van Linden had plaatsgevonden en hij vroeg zich af of hij eigenlijk iets anders had verwacht dan het sombere en tegelijkertijd lichtelijk bizarre toneelstuk waarin hij had meegespeeld en waarvan hij twee dagen lang toeschouwer was geweest.

Waarschijnlijk niet, besloot hij toen hij zijn onuitgesproken verwachtingen eens kritisch bekeek. Het was gegaan zoals het wel moest gaan. Als de jury morgen of overmorgen onverwacht besloot om G. schuldig te verklaren, zou hij geen echte voldoening voelen, dat wist hij. Een ‘schuldig’ zou in hoger beroep nooit standhouden, het zou alles alleen maar onnodig rekken.

Nee, het waren niet de mechanismen en onbegrijpelijkheden van het rechtssysteem die hem dwarszaten, het was iets anders. Ook zijn eigen tekortschieten na twintig jaar van vermeende successen niet, of zijn persoonlijke band met G. Het was iets anders.

Een derde factor in de vergelijking? vroeg hij zich af. Ik had wiskundige moeten worden … En hij voelde opeens dat de wollige gedachten en de woordhaken waarmee hij ze probeerde op te vissen, wel erg abstract werden … of onbegrijpelijk, waar zocht hij in vredesnaam naar?

Wat probeerde hij onder de loep te nemen wat hij niet al nauwkeurig had bestudeerd?

Hij zette Fauré uit en draaide de parkeerplaats voor het kerkhof van Korrim op. Hij stapte uit en stak een sigaret op. Nu was het droog en de zon was alweer op zoek naar een opening in het wolkendek.

Een handlanger? dacht hij. De moordenaar?

De twee bekenden van de vergelijking: Jaan G. Hennan en Barbara Hennan. En dan een derde, onbekende.

Was er überhaupt wel een derde factor?

Hij keek uit over het schaduwrijke, landelijke kerkhof. Een oude man in een overall was onder druipende iepen en linden aan het harken tussen de graven. Het zag er rustig en vredig uit, en even dacht hij dat hij deze onbekende koster benijdde. Hij nam drie, vier trekjes, terwijl hij zijn kalme bezigheden aanschouwde en zijn gedachten de vrije loop liet.

Ik begrijp het niet, dacht hij. Ik begrijp mijn eigen vragen niet eens meer.

Toen kroop hij in de auto en zocht zich een weg terug naar Maardam.