24

Silwerstein begon zo eenvoudig als maar kon.

‘Hebt u op de avond van donderdag 5 juni uw vrouw, Barbara Hennan, vermoord?’

‘Nee.’

‘Had u iemand anders opgedragen haar te doden?’

‘Nee.’

Hennans stem was helder en duidelijk. Van Veeteren merkte dat hij met ingehouden adem had zitten wachten op de twee ontkenningen, net als iedereen in de rechtszaal. Het was dezelfde verwachtingsvolle spanning als voor het jawoord van de bruid en bruidegom op een trouwerij en het schoot door hem heen hoe bescheiden en puur onze fundamentele behoefte aan dramatiek eigenlijk is.

Ja of nee. Wat zou het worden?

‘Hebt u in juni 1983 uw toenmalige echtgenote, Philomena McNaught, tijdens uw reis in Bethesda Park in de Verenigde Staten vermoord?’

De raadsvrouw stond op.

‘Ik protesteer. Mijn cliënt staat niet terecht voor iets wat vier jaar geleden is gebeurd.’

Rechter Hart zette een andere bril op en keek haar even aan met iets wat bijna wetenschappelijke interesse leek. Als een bioloog die op een merkwaardig levend organisme was gestuit en zijn best deed om de soort te determineren.

‘Meester Van Molde, u begrijpt toch wel dat enige achtergrondinformatie nuttig kan zijn voor ons’, bulderde hij en hij richtte de poot van zijn bril op haar alsof het een wapen was. ‘Gaat u alstublieft zitten! Meneer Hennan, wilt u zo vriendelijk zijn de vraag van de officier te beantwoorden.’

Hennan knikte.

‘Nee’, zei hij. ‘Ik heb Philomena niet vermoord. Het was onze huwelijksreis, ik hield van haar.’

Goedkoop, dacht Van Veeteren somber. Maar toch een punt gescoord.

‘Wat is uw beroep?’ ging Silwerstein verder.

‘Ik ben zakenman.’

‘Zakenman?’

‘Ja.’

‘En wat voor soort zaken doet u?’

Hennan boog naar voren en legde zijn handen op het hekje. Van Veeteren merkte op dat hij een trouwring droeg vandaag, wat tijdens de verhoren op het politiebureau niet zo was geweest.

‘Zoals u misschien weet, waren we net uit de vs gekomen, mijn vrouw en ik, toen dit ongeluk gebeurde … in Denver had ik een importfirma, en het was mijn bedoeling hier in Linden hetzelfde te doen.’

‘Een importfirma?’ vroeg Silwerstein. ‘En wat importeert u?’

‘Zoals ik probeerde te zeggen, heb ik de zaak nog niet echt van de grond. In Denver deed ik vooral in conserven uit Zuid-oost-Azië … groente en fruit. Maar ik hield me ook met een aantal technische producten bezig. Je moet nogal wat marktonderzoek doen en je moet verkooprechten verwerven voordat je kunt beginnen.’

Silwerstein was tijdens de inleidende vragen en antwoorden op één plek blijven staan, drie meter voor de beklaagde. Nu zette hij twee stappen opzij en richtte zich tot de jury.

‘Dus je zou kunnen zeggen dat uw zogenaamde firma nog helemaal niets deed?’

‘Nee, dat kun je natuurlijk …’

‘Je zou kunnen beweren dat het alleen een dekmantel is voor wat u eigenlijk beoogde met uw vestiging hier.’

‘Ik ben bang dat ik u niet begrijp.’

‘Nee? Ik denk dat u me heel goed begrijpt. Is het niet zo, meneer Hennan, dat u bij uw vertrek uit Denver en de vs maar één doel voor ogen stond? U wilde datgene wat u met Philomena McNaught had gedaan, nog eens overdoen. Uw vrouw uit de weg ruimen en weer een torenhoog bedrag aan verzekeringsgeld opstrijken? Eén komma …’

‘Ik teken bezwaar aan’, riep de advocaat. ‘De officier is wel heel kwistig met beschuldigingen links en rechts. Ik moet echt …’

‘Dank u wel’, viel rechter Hart haar in de rede. ‘Dat is genoeg. Mag ik de officier erop wijzen dat hij zich een beetje in moet houden.’

Silwerstein knikte onderdanig.

‘Is het juist dat u een verzekering op het leven van uw vrouw hebt afgesloten bij Trustor Verzekeringen?’

‘Ja.’

‘Kunt u de rechtbank vertellen hoe hoog het verzekerde bedrag is?’

Hennan kuchte.

‘Eén komma twee miljoen.’

‘Eén komma twee miljoen gulden?’

‘Ja.’

‘Vindt u dat geen ontzettend hoog bedrag?’

‘Nee.’

Silwerstein keerde de gedaagde opnieuw zijn rug toe.

‘Als we in dit gezelschap een enquête zouden houden’, zei hij met een theatrale armzwaai. ‘Wat denkt u, hoeveel mensen zouden er hier een levensverzekering voor een vergelijkbaar bedrag hebben? Zelf heb ik er een voor honderdvijftigduizend, ik heb gisteren met mijn verzekeringsmaatschappij gesproken en dat wordt als een vrij hoog bedrag beschouwd. Ik zal mijn vraag nog een keer stellen, meneer Hennan. Vindt u niet dat één komma twee miljoen gulden een ontzettend hoog verzekerd bedrag is?’

‘Ik weet het niet’, zei Hennan. ‘Volgens mij is het in de vs niet ongebruikelijk … daar heb ik immers tien jaar gewoond.’

De officier probeerde tevreden te kijken. Hij liep een paar keer heen en weer door de ruimte voordat hij voor Hennan bleef staan.

‘Precies’, zei hij. ‘U deed wat u in Amerika ook had gedaan. Kunt u ons vertellen hoe groot het bedrag was dat u incasseerde na het overlijden van uw vorige echtgenote, Philomena McNaught?’

‘Ik protesteer’, kwam Van Molde weer tussenbeide. ‘Dit heeft niets te maken met …’

‘Protest afgewezen’, verklaarde Hart zonder de advocaat ook maar een blik waardig te keuren. ‘Beantwoordt u de vraag maar, meneer Hennan.’

‘Vierhonderdduizend’, zei Hennan.

‘Gulden?’ vroeg Silwerstein.

‘Dollar’, gaf Hennan toe.

‘Vierhonderdduizend dollar?’ herhaalde Silwerstein in een staccatoritme. Hij zette een wijsvinger tegen de punt van zijn kin en deed net of hij iets uitrekende. Dat is toch ongeveer het dubbele in guldens? Achthonderdduizend. Klopt dat?’

‘Zoiets zal het wel zijn, ja’, zei Hennan. ‘Ik weet niet hoe de koers op dit moment is.’

‘Nee? Nou ja, maar het komt er dus grofweg op neer dat u in de loop van vier jaar onder onduidelijke omstandigheden twee echtgenotes hebt verloren, en dat u alles bij elkaar twee miljoen gulden aan verzekeringsgeld wilde innen. Vindt u dat zelf ook niet een beetje … merkwaardig?’

Hennan keek naar zijn trouwring, maar gaf geen antwoord. De officier pauzeerde even.

‘Weet u of uw vrouw zich door u bedreigd voelde?’

Het leek wel of Hennan de juryleden een voor een aankeek.

‘Ze voelde zich niet bedreigd. Dat is grote onzin.’

‘Ik moet weer protesteren’, vulde de advocaat aan. ‘Als de officier niet ophoudt met deze ongegronde aantijgingen, dan lijkt dit algauw niet eens meer op een rechtszaak.’

‘Hrrmmf’, bromde rechter Hart. Hij zette een andere bril op en keek Van Molde aan. ‘Rustig maar, meester Van Molde! Als u wilt protesteren, doet u dat dan vooral. Maar maakt u er geen show van!’

De raadsvrouw ging zitten. Hart richtte zich tot Silwerstein.

‘Leg uit wat u bedoelt’, zei hij. ‘Bedreigd?’

Silwerstein maakte een nederige buiging.

‘U wist er dus niets van?’ vroeg hij.

‘Waarvan?’ vroeg Hennan.

‘Van het feit dat uw vrouw zich zorgen maakte dat er iets zou gebeuren.’

‘Ze maakte zich geen zorgen en ze voelde zich niet bedreigd, zei ik toch?’

‘Hoe verklaart u dan dat ze een privédetective in de arm nam om u te laten observeren?’

‘Ik heb geen idee’, zei Hennan en hij zwaaide met zijn handen.

‘Maar u wist ervan?’

‘Ik weet het nu, omdat de politie dat beweert. Ik wist het toen niet … en ik betwijfel of het waar is.’

‘U gelooft niet dat uw vrouw u door een privédetective in de gaten liet houden?’

‘Nee. Daar heeft ze … daar had ze geen reden voor.’

‘Me dunkt’, zei Silwerstein. ‘Ik moet zeggen dat ik daar heel anders over denk. Als ze naar een betere detective was gegaan – of zelfs naar de politie – dan leefde ze nu misschien nog.’

‘Protest’, riep de advocaat, nu met een duidelijke dosis onmacht in haar stem.

‘Toegewezen’, zei Hart. ‘Willen de leden van de jury de laatste opmerking van de officier uit hun bewustzijn wissen?!’

Silwerstein maakte weer een korte wandeling, bleef naast de beklaagde staan en leunde met zijn elleboog op het hekje.

‘Kunt u ons vertellen wat u op de ochtend van donderdag 5 juni hebt gedaan?’

‘Ik moest thuis een aantal dingen doen’, verklaarde Hennan. ‘Ik ben pas na de lunch naar kantoor gegaan.’

‘Ik doel vooral op wat u met het zwembad hebt gedaan.’

‘Dat moest worden schoongemaakt.’

‘Vertel wat u hebt gedaan.’

‘Ik heb het water eruit laten lopen. Dit weet u al.’

‘U hebt al het water weg laten lopen?’

‘Ja.’

‘Waarom?’

‘Dat moet. Het bad moest worden schoongemaakt en er moesten een paar scheuren gerepareerd worden.’

‘Wist uw vrouw dat?’

‘Uiteraard.’

‘Was ze thuis toen u bezig was met het legen?’

‘Nee, ze ging die ochtend vroeg naar Aarlach.’

‘Juist. Dus u liet het zwembad ’s ochtends leeglopen, daarna ging u naar uw zogenaamde kantoor en ’s avonds, toen uw vrouw terugkwam uit Aarlach, sprong ze in het bad en stortte te pletter. Is dat uw versie van het gebeuren, meneer Hennan? Ze dook van tien meter hoogte in een zwembad waarvan ze wist dat het leeg was!’

‘Ik heb er geen andere verklaring voor’, zei Hennan. ‘Ze lag op de bodem toen ik thuiskwam. Wat moet ik dan denken?’

‘Het kan me niet schelen wat u denkt’, zei de officier. ‘Maar ik weet wel wat u ons wilt laten denken. En daar trappen we niet in, meneer Hennan. Ziet u niet hoe onlogisch de hele zaak is?’

‘Ik heb geen andere verklaring’, herhaalde Hennan.

‘Maar ik wel’, verklaarde Silwerstein. ‘Een verklaring waar iedereen hier geloof aan zal willen hechten, daar ben ik van overtuigd. De dood van uw vrouw was geen ongeluk. Iemand heeft haar eerst bewusteloos geslagen en haar vervolgens van de hoogste plank geduwd. Iemand die u daarvoor had ingehuurd. Een huurmoordenaar. Is dat niet een veel plausibeler verklaring dan dit dubieuze …’

‘Protest’, viel de advocaat hem nijdig in de rede. ‘Kan de officier enig bewijs leveren voor deze gruwelijke bewering? Een huurmoordenaar! Bewijzen, alstublieft!’

Er ontstond enige onrust onder de toeschouwers en Hart sloeg met de hamer op zijn tafel.

‘Orde!’ riep hij. ‘Het protest wordt afgewezen, maar de officier moet zijn opmerking wel staven.’

‘Die wordt gestaafd door het gezonde verstand’, constateerde Silwerstein naïef na een korte stilte. ‘Het gezonde verstand! En als het moet: één komma twee miljoen gulden! En als dat nog niet genoeg is: Philomena McNaught en vierhonderdduizend dollar! Ik heb op dit moment geen vragen meer aan de beklaagde.’

Daarna voerde hij weer een discrete buiging uit en ging hij achter zijn tafel zitten.

Advocaat Van Molde stond op.

‘Waar bevond u zich op de avond van 5 juni, meneer Hennan?’

‘In restaurant Colombine hier in Linden.’

‘Van hoe laat tot hoe laat ongeveer?’

‘Ik was er om even na achten en ben tot ongeveer half een gebleven.’

‘Bent u op enig moment uit het restaurant weg geweest?’

‘Nee.’

‘Dank u wel.’ Ze richtte zich tot de rechter. ‘Ik heb hier schriftelijke verklaringen van het personeel van Colombine, die bevestigen dat Jaan G. Hennan zich die hele avond in het restaurant bevond. Ik heb hen niet als getuigen opgeroepen, omdat we vanmiddag een andere getuige hetzelfde zullen horen vertellen. Volgens dr. Meusse, de gerechtsarts, die we gisteren hebben gehoord, is Barbara Hennan op genoemde donderdag tussen 21.30 en 22.30 uur overleden. Gedurende dat uur, net als tijdens de rest van die avond, bevond de beklaagde zich in restaurant Colombine. Hij kan zijn vrouw niet, ik herhaal: níét, hebben vermoord. Hebt u iemand anders ingehuurd om uw vrouw te vermoorden, meneer Hennan?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Natuurlijk niet, nee. Hield u van uw vrouw, meneer Hennan?’

‘Ja. We hielden heel veel van elkaar.’

‘Dank u wel. Bent u van mening dat we in dit land het recht hebben om een verzekering af te sluiten op het leven van iemand van wie we houden?’

‘Dat mag ik hopen.’

‘Ik hoop het ook. Dank u, ik heb geen vragen meer voor de beklaagde.’

Voordat Hennan de getuigenbank verliet, bleef hij nog even zitten, alsof hij er nog iets aan had willen toevoegen. Hij ging met zijn blik over de drie rijen toehoorders. Bij Van Veeteren op de tweede bank aangekomen, wachtte hij even en gaf hem toen een bedachtzaam knikje dat de meeste aanwezigen vrijwel zeker niet konden zien. Daarna stond hij op en nam zijn plaats weer in naast zijn advocaat.

Die klootzak, dacht Van Veeteren en hij moest een impuls onderdrukken om ook op te staan. Om op te staan en de rechtszaal te verlaten. Waarom kan ik me bijna niet beheersen? vroeg hij zich af. Waarom sta ik klaar om aan te vallen, zodra hij even naar me kijkt? Verdomme, ik had hier vandaag niet moeten komen.

Hij balde zijn vuisten en sloot zijn ogen. Rechter Hart zette een andere bril op en riep directeur Kooperdijk op om te getuigen.

De ondervraging van de gezette verzekeringsdirecteur door de officier en de advocaat leverde geen verrassingen op. De antwoorden van Kooperdijk waren tot in de kleinste details betrouwbaar en voorspelbaar, en intussen overwoog de commissaris – evenals vele andere aanwezigen waarschijnlijk – of hij toch niet moest overstappen naar Trustor. Als die maatschappij bereid was zulke royale afspraken te maken als ze met Hennan had gedaan en het bedrag in kwestie eventueel nog zou uitkeren ook (jawel, ze waren solvent, getuigde Kooperdijk, hun liquide middelen waren dubbel en dwars toereikend) ja, dan kon het een lucratieve overstap zijn.

Kooperdijk verliet het getuigenbankje al na twintig minuten. Toen was het kwart voor twaalf en rechter Hart besloot dat het lunchpauze was tot half twee. Hij maande iedereen de tijd goed in de gaten te houden en gaf met zijn hamer een klap op het wetboek.

Van Veeteren ging lunchen bij Colombine. Het aantal eetgelegenheden in Linden was niet onbeperkt, en ze hadden in ieder geval geen hawaïburger speciaal op het menu staan.

In plaats daarvan nam hij kalfsfilet en dronk hij twee glazen dure, maar goede rioja, terwijl hij zich afvroeg of hij misschien aan hetzelfde tafeltje zat waaraan Hennan die bewuste donderdagavond had gezeten, en of hij nog wel zin had om ook de middagzitting in het gerechtsgebouw bij te wonen.

Daar had hij geen zin in, constateerde hij algauw, echt niet, maar uit een soort vaag plichtsbesef nam hij toch zijn plaats tussen de toehoorders weer in toen het zover was.

Tot het bittere einde, dacht hij somber. Laten we hopen dat die klunzige Verlangen iets goeds weet uit te richten!

De volgende getuige die door het om werd opgeroepen was echter niet Maarten Verlangen, maar Doris Sellneck.