23

De flat stond aan de Westerkade, vlak bij het Loornkanaal, en toen Verlangen het gebouw zag, begreep hij niet waarom het stadsbestuur het niet allang had laten slopen.

Hij begreep ook niet waarom iemand daar zou willen wonen. Het beroete en slecht onderhouden bakstenen gebouw van vier verdiepingen was aan de straatkant niet meer dan twaalf à vijftien meter breed en werd geflankeerd door een sloperij aan de ene kant en door een loods van roestige golfplaat aan de andere kant. De vervallen houten deur stond op het punt van instorten en toen hij erdoor naar binnen ging, deed het hem stiekem genoegen dat er toch nog mensen waren die in slechtere omstandigheden verkeerden dan hijzelf.

Binnen was het zo donker als in een kolenzak, en hij moest een lucifer aansteken om de deur naar het trappenhuis te vinden. Er zaten geen naambordjes op de deuren die hij passeerde, maar de Rolstoel had gezegd dat het helemaal boven was, dus hij zou wel gewoon door moeten lopen. Hij kon haast niet geloven dat hier mensen woonden, maar hij zou er maar geen eed op zweren. Een vuil schemerlicht viel door gebroken trapramen naar binnen en overal stonk het naar pissoir en verrotting. Hier en daar was het stucwerk van muren en plafonds gevallen en iets wat waarschijnlijk een grote rat was, schoot weg door een gat in de muur tussen de tweede en de derde verdieping.

Op de bovenste verdieping waren drie deuren, maar voor twee ervan zaten dikke planken gespijkerd. Nadat hij een paar lange seconden had staan aarzelen vermande hij zich en bonsde op de derde deur.

Er gebeurde niets, dus hij bonsde nog eens, ditmaal iets harder.

Na enige tijd hoorde hij een schuivend geluid binnen. Alsof iemand een piano of een lijkkist versleepte. Deze persoon stond een poosje te hoesten en te rochelen, daarna klonk het gerammel van een veiligheidsketting en werd de deur een decimeter opengeduwd.

‘Kekkonen?’ vroeg Verlangen.

Kekkonen heette eigenlijk geen Kekkonen, maar hij leek op een vroegere president van een noordelijk land en zo kende iedereen hem.

‘Verlangen?’

‘Ja.’

Hij maakte de ketting los en opende de deur. Een grijze lapjeskat glipte naar buiten en Verlangen glipte naar binnen. Kekkonen deed de deur dicht. Verlangen keek om zich heen. Het appartement bestond uit een kamer, een raam, een brommende koelkast en een matras op de vloer. Misschien was er ook een wc, zo rook het in ieder geval wel.

‘Kom binnen, man’, zei Kekkonen. ‘Wat kom je doen?’

‘Woon je hier?’ vroeg Verlangen.

‘Tijdelijk’, zei Kekkonen. ‘Heb je een sigaret?’

Verlangen gaf hem er een en wierp een vluchtige blik op hem toen hij die met trillende handen opstak. Kekkonen was een heel stuk ouder geworden sinds hij hem voor het laatst had gezien. Hij leek een ingezakt oud baasje, hoewel hij waarschijnlijk niet zo ver over de vijfenveertig was, en zijn kale kop, die vroeger altijd nog een bepaalde glans had gehad, deed nu meer denken aan een doodshoofd. Hij vroeg zich af welke drugs Kekkonen gebruikte en hoeveel jaar hij nog had. Of maanden.

‘Waar kom je voor?’ vroeg hij nog eens en hij liet zich op de matras zakken tussen dekens, verfrommelde kranten en iets wat ooit een slaapzak moest zijn geweest. Verlangen, die geen zin had om naast hem te gaan zitten, bleef staan.

‘Ik dacht dat de Rolstoel dat al had gezegd. Hennan. Jaan G. Hennan.’

‘Ken ik niet’, zei Kekkonen.

‘Klets niet. Je hebt aan Duijkert en de Rolstoel verteld dat je hem hebt gesproken, ik heb ruim een week naar je gezocht.’

‘Ik ken geen Hennan’, zei Kekkonen.

Verlangen haalde een briefje van vijftig uit zijn zak en hield dat Kekkonen voor de neus.

‘Je hebt de vorige keer ook geholpen om hem te pakken, en we hebben jou als dank vrijuit laten gaan. Weet je dat niet meer?’

Hij besefte dat Kekkonens geheugen niet eindeloos ver terugging, maar wie weet hielp een vijftigje.

Kekkonen ging wat steviger tegen de muur zitten en nam een paar trekjes.

‘Honderd’, zei hij.

‘Vijftig’, zei Verlangen. ‘Dit stelt niks voor. Je had Hennan ergens gesproken, waar ging dat over?’

Kekkonen griste het biljet uit zijn hand en stopte het onder de matras.

‘Niet gesproken’, zei hij. ‘Gezien.’

‘Gezien dan. Vertel het nu maar, ik hoef je toch niet te verhoren?’

‘Ik weet het niet zeker.’

‘Niet zeker?’

‘Of hij het wel was.’

‘Of het Hennan was?’

‘Ja, dat was … een beetje onduidelijk zeg maar. Het kan iemand anders zijn geweest.’

‘Zo heb je het niet tegen de Rolstoel gezegd.’

‘Ik heb schijt aan de Rolstoel.’

‘Dat zal best. Nou, vertel dan maar hoe of wat.’

‘Ben je geen rus meer?’

‘Dat weet je best.’

‘Gefeliciteerd’, zei Kekkonen met een grijns. ‘Fijn als het de mensen goed gaat. Heb je nog een sigaret?’

‘Je hebt deze verdomme nog niet eens opgerookt’, zei Verlangen geërgerd en hij maakte een hoofdbeweging naar Kekkonens rechterhand.

‘Hè, kijk nou’, zei Kekkonen verbaasd en hij nam een trekje. Hij gooide de peuk in een lege fles en kreeg een nieuwe sigaret.

Gadverdamme, dacht Verlangen. Ik hou het niet lang meer uit in deze misère.

‘Steek nou maar van wal’, spoorde hij hem aan. ‘Jij hebt Jaan G. Hennan gezien? Vertel het nu, dan laat ik je verder met rust.’

Kekkonen zat weer een poosje te hoesten. Vervolgens staarde hij een paar seconden roerloos voor zich uit met zijn mond halfopen. Verlangen begreep dat hier een mentale krachtsinspanning werd geleverd.

‘Nou, ik heb hem gezien’, zei hij. ‘Als hij het was.’

‘Ja?’ zei Verlangen.

‘In dat klotepark … hoe heet het … het Wollerspark of zoiets?’

‘Het Wollerimspark?’

‘Het Wollerimspark, ja. Ik heb daar een tijdje terug een paar nachten geslapen … ik slaap soms buiten als het mooi weer is.’

‘Dat zal best’, zei Verlangen. ‘En je hebt Hennan gezien, samen met iemand anders, klopt dat?’

‘Jazeker’, zei Kekkonen. ‘Hij was samen met die vent die een paar dagen in de stad was toen …’

‘Wie?’ vroeg Verlangen.

Kekkonen haalde zijn schouders op.

‘Wanneer?’

‘Weet ik veel. Een maand geleden of zo. Een grote kerel met een paardenstaart … type zware jongen … iemand die je liever niet in een donker steegje tegenkomt, ik geloof dat hij uit Engeland kwam, of Ierland of zo …’

‘Naam?’ vroeg Verlangen.

‘Geen idee’, zei Kekkonen. ‘Ik geloof dat ze hem Liston of zoiets noemden …’

‘Liston?’

‘Ja, dat is een bokser … of liever was …’

‘Dat weet ik’, zei Verlangen. ‘Was het dan een zwarte?’

‘Nee, helemaal niet’, zei Kekkonen. ‘Maar hij was wel verdraaid sterk.’

‘Juist. Nou, wat deden Hennan en Liston in het park?’

Kekkonen fronste zijn voorhoofd en concentreerde zich weer.

‘Ze zaten op een bankje’, zei hij. ‘Ze zaten daar te praten … een hele poos … ik lag in de bosjes achter hen, praktisch. Ik weet nog dat ze vrij lang praatten, want ik moest pissen maar dat durfde ik niet goed … het was vroeg. Een mooie ochtend, allemaal gekwetter van vogels en zo, dat is zo mooi aan …’

‘Heb je gehoord waar ze het over hadden?’

Kekkonen schudde zijn hoofd.

‘Nee, geen woord’, zei hij. ‘Ik lag daar gewoon te wachten. Ik piste bijna in mijn broek, maar het is goed afgelopen. Toen ze weggingen, kreeg hij een enorme envelop …’

‘Wie kreeg een envelop?’

‘Liston natuurlijk, die kleerkast … hij kreeg een envelop van die andere man, die misschien Hennan was, en daarna liepen ze weg.’

‘En toen?’

‘Toen ging ik pissen.’

Verlangen dacht na.

‘Was dat alles?’ vroeg hij.

Kekkonen snoof.

‘Ja, hoezo?’ zei hij. ‘Ik zei toch al dat het niet veel voorstelde … maar dat weet je dan nu. Weet je wel zeker dat je geen smeris meer bent?’

‘Ik ben geen smeris’, verzekerde Verlangen hem. ‘Heb je Liston daarna nog vaker in de stad gezien?’

Kekkonen dacht na.

‘Nee’, zei hij. ‘Dat geloof ik niet. Ik had hem wel een keer eerder gezien … bij Kooper, geloof ik.’

‘Maar niet samen met Hennan?’

‘Nee, niet samen met Hennan. Man, wat kun jij zeuren.’

‘Oké’, zei Verlangen. ‘Ik zal je niet langer storen. Je zult het wel druk hebben, neem ik aan.’

‘Nou, reken maar’, zei Kekkonen. ‘Ik vind het toch wel wat meer waard dan vijftig.’

‘Lik mijn reet’, zei Verlangen en hij verliet de kamer.

Hm, dacht hij toen hij in de motregen op de Westerkade stond. Wat heb ik hier nou weer aan?

Hij keek op zijn horloge. Het was half acht. Over minder dan een etmaal moest hij getuigen in het gerechtsgebouw in Linden.

Liston?

Als Kekkonen alles niet zelf had verzonnen met behulp van zijn aangetaste hersenen, was er dus begin juni iemand in de stad geweest die Liston heette, of in ieder geval zo werd genoemd.

Die op een ochtend in het Wollerimspark een envelop had gekregen van Jaan G. Hennan. Van iemand die misschien Hennan was.

Dat was alles.

Terwijl hij langs het kanaal terugliep, probeerde hij zich Kekkonen in de getuigenbank voor te stellen. Dat was geen fraai gezicht – als je hem überhaupt zo ver zou kunnen krijgen. Dat zou wel niet, dacht hij. Kekkonen had het vermogen te verdwijnen als dat in zijn kraam te pas kwam, waarschijnlijk de enige eigenschap van hem die door de jaren heen intact was gebleven.

En als het op de een of andere manier toch zo ver kwam, wat zou Kekkonen dan zeggen? Als Verlangen hem een beetje kende, zou hij zijn mond stijf dichthouden, of misschien beweren dat hij zich er helemaal niets van kon herinneren. Zo was het twaalf jaar geleden gegaan, en dat kon je nu waarschijnlijk weer verwachten.

Of misschien zou hij vertellen dat hij een vijftigje van Verlangen had gekregen om te praten, en dat hij daarom maar iets had verzonnen.

Verdomme, dacht Maarten Verlangen toen hij naar huis liep door de bui die steeds zwaarder werd. Dit heeft geen zin.

Het heeft totaal geen zin.

Toen hij eindelijk op de Kleinmarckt kwam, was hij doorweekt. Hij aarzelde even, toen glipte hij café Kloisterdoom in en bestelde een kopstoot.

Nee, het wordt er niet beter op als ik die stomme kaalkop erbij sleep, stelde hij vast. We zien wel wat het wordt.