21

Van lente werd het hoogzomer.

Of het uit persoonlijke of professionele overwegingen was, werd hem niet duidelijk, maar hij nam G. bijna drie weken lang geen verdere verhoren af.

Reinhart en Münster speelden een paar keer goeie smeris, slechte smeris, met Reinhart in de rol van de onsympathieke en Münster als de iets humanere. Het was een oud en doorzichtig spel, maar het werkte soms wel. Tot op zekere hoogte tenminste. Wanneer iemand vriendelijkheid en begrip ontmoet na een agressieve, vijandige bejegening, wordt het voor diegene moeilijk om niet te zwichten en zijn hart te luchten. Ongeacht of hij begrijpt dat het theater is of niet.

Maar dat was hier niet het geval. Na een paar tamelijke lange en vergeefse zittingen waren Reinhart en Münster het erover eens dat Jaan G. Hennan hun bezoekjes vooral beschouwde als een soort welkome – en bijna onderhoudende – onderbreking van het eentonige wachten op een rechtszaak waaruit zijn dagelijkse leven tegenwoordig bestond. Als hem verhoren niets opleverde, dan zouden eenzaamheid en isolatie hem misschien enigszins aan het wankelen kunnen brengen.

De commissaris zelf nam de taak op zich om met mensen te gaan praten die door Rooth en Jung voor een extra gesprek waren aanbevolen. Hij had immers minstens een handvol namen willen hebben van personen die mogelijk iets wisten over Hennans bezigheden na zijn terugkeer uit de vs, en aan dat verzoek hadden ze gehoor gegeven. Ze hadden hem een lijstje met vijf namen gegeven. Niet zes of zeven. Hij begreep dat hij, als hij er om minstens drie had gevraagd, precies dat aantal zou hebben gekregen.

Dat kostte weer een paar werkdagen en naderhand kon Van Veeteren constateren dat het net zo’n verspilde moeite was geweest als Rooth had voorspeld. Geen van de vijf had recentelijk contact gehad met Hennan, evenmin als de andere tweeëntwintig ondervraagden. In ieder geval gaf niemand dat toe. Toen de commissaris de dag voordat de rechtszaak in het gerechtsgebouw van Linden zou dienen probeerde vast te stellen hoeveel successen ze hadden geboekt bij al hun pogingen om klaarheid te brengen in de omstandigheden rond de dood van Barbara Hennan, kwam hij uit op het even en onaangenaam ronde getal nul.

Geen fluit. Ze wisten niet meer dan ze begin juni al wisten. Vermoedens waren niet tot kennis uitgegroeid, er was geen informatie uit onverwachte hoek opgedoken, zoals soms gebeurde als een soort beloning voor het blinde gezwoeg.

Kortom, het had hun niet meegezeten, en vermoedelijk zat die grimmige waarheid hem dwars toen hij besloot het nog eens met de hoofdrolspeler te proberen. Toen hij op een maandagochtend vroeg opnieuw tegenover hem plaatsnam in de kale verhoorkamer, had hij het gevoel dat hij aan een oude schaakpartij aanschoof, die muurvast zat. Met de weinige stukken die nog op het bord stonden kon je alleen steeds dezelfde vruchteloze zetten doen tot aan de onvermijdelijke remise.

Vermoedelijk besloot hij daarom het nu eens anders aan te pakken.

‘De advocaat?’

Hennan schudde zijn hoofd.

‘Niet nodig. Ik wil haar niet aan deze flauwekul blootstellen.’

‘Best. Dan stel ik een gesprek off the record voor.’

‘Off the record?’ vroeg Hennan. ‘Waarom? ‘Omdat dat interessant zou kunnen zijn’, zei Van Veeteren. ‘Zonder cassetterecorder of getuigen erbij.’

‘Ik zie het nut er niet van in.’

‘Dat geeft niets. We gaan in een andere kamer zitten.’

‘Mij best. Alleen omdat het weer eens iets anders is. Voorzover ik weet hebben jullie zelfs op de toiletten afluisterapparatuur.’

‘Ik geef je mijn woord’, zei Van Veeteren.

‘Je woord?’ Hennan barstte uit in een korte lach en stond op. ‘Oké. Off the record, als je nou denkt dat dat iets uitmaakt.’

De commissaris koos voor een van de vergaderkamers op de tweede verdieping. Hij vroeg of Hennan een biertje wilde en belde naar de kantine beneden of ze er twee wilden komen brengen.

‘Zullen we het niet ook eens met de leugendetector proberen?’ opperde Hennan na de eerste slok. ‘Dat zou misschien ook interessant kunnen zijn?’

‘Daar zie ik geen aanleiding toe’, zei Van Veeteren. ‘Ik weet toch al dat je liegt.’

‘Ja, dat schijn je jezelf wijs te willen maken. Maar over een week ben ik weer vrij man, je moet me niet vertellen dat je dat niet doorhebt.’

‘Je begrip van tijd is waarschijnlijk een beetje van slag’, kaatste de commissaris terug. ‘Naar mijn inschatting zul je geen week, maar eerder vijftien jaar moeten wachten.’

Hennan glimlachte.

‘We zullen zien’, zei hij. ‘Mijn advocaat beweert dat ze zelden of nooit een officier zo voor joker heeft zien staan.’

‘Zegt ze dat?’ vroeg Van Veeteren. ‘Nou ja, ik stel voor dat we met dit gebabbel stoppen en een serieus gesprek gaan voeren.’

‘Serieus?’ vroeg Hennan. ‘Off the record?’

De commissaris knikte en stak een sigaret op.

‘Precies. Ik denk dat jij daar behoefte aan hebt, en je hebt mijn woord dat het niet gebruikt zal worden. Zoals ik al zei.’

Hennan keek hem even belangstellend aan.

‘Waarom zou ik daar behoefte aan hebben?’ vroeg hij.

‘Basispsychologie’, verklaarde Van Veeteren en hij pauzeerde even terwijl hij zijn mouwen opstroopte.

‘Psychologie?’ zei Hennan. ‘Dat klinkt wanhopig, als ik het zeggen …’

‘Kletskoek. Laat mij het uitleggen. Jij ziet dit als een soort krachtmeting … tussen jou en ons. Je bent bezeten van de gedachte om te winnen. Maar als je echt onschuldig was, zou het niet echt een veer in je hoed zijn als je daadwerkelijk werd vrijgesproken. Nee, toch zeker?’

Hennan antwoordde niet. Hij nam een slok.

‘Eén komma twee miljoen gulden is natuurlijk niet gering, maar je grote triomf is dat je je hieruit redt, terwijl je feitelijk schuldig bent. Dus je zou er iets aan hebben, veel aan hebben, als iemand van ons … ik bijvoorbeeld … precies wist hoe het zat. Volg je me? Dat heeft met esthetiek te maken.’

Hennan leunde achterover en glimlachte weer even.

‘Zeker’, zei hij. ‘Ik volg het. Maar als het klopt wat je zegt, dan ben je er schijnbaar al van overtuigd dat ik achter de dood van mijn vrouw zit. Is dat niet genoeg? Als ik tevreden ben met het geld, kun jij toch tevreden zijn dat je het weet?’

‘Niet helemaal’, zei Van Veeteren. ‘Ik ben nogal een pietje precies en er zijn enkele vraagtekens. Ik heb het plaatje nog niet helemaal ingevuld.’

‘Aha’, zei Hennan. ‘De commissaris wil de details weten. Hoe ik het heb gedaan. Hoe ik vanuit dat restaurant waar ik zat haar van het leven kon beroven. Heb je de mogelijkheid van hypnose al overwogen?’

De commissaris knikte.

‘Zeker wel. Maar daar heeft een ezel nog meer aanleg voor dan jij.’

‘Nou, dank je wel’, zei Hennan. ‘Maar zo is het ook niet gegaan, dat geef ik toe.’

‘Mooi. Dan zijn we het in ieder geval ergens over eens. Hoe is het wel gegaan?’

‘Je wilt dat ik dat onthul?’

‘Ja.’

Hennan draaide zijn hoofd en keek even naar de muur en heel even – een fractie van een seconde – dacht de commissaris dat hij het zou gaan vertellen. Dat hij inderdaad zijn vrouw, Barbara Clarissa Hennan, geboren Delgado, om het leven had gebracht, op een manier die zo geniaal en uitgekookt was, dat geen rechercheur ter wereld het zou kunnen verzinnen.

Toen klapte het moment weer dicht als een mossel, en naderhand kon hij niet bepalen of hij het zich had verbeeld of niet. Hennan rechtte langzaam zijn rug en haalde diep adem. Hij richtte zijn blik weer op de commissaris en keek hem aan met een uitdrukking van milde spot.

‘Het ziet er goed uit met het weer.’

‘Het kon minder.’

‘Bedankt voor het bier. Misschien mag ik jou er volgende week een aanbieden? Ik weet een goed café in Linden.’

Ja, ik haat die kerel, dacht de commissaris. Ik haat hem echt.

’s Nachts droomde hij dat hij met Christa Koogel lag te vrijen.

Ze waren getrouwd, hadden vier kinderen en woonden in een groot huis aan zee. In Behrensee voorzover hij het kon beoordelen, aan de zuidkant van de pier. Hoe hij dat in zijn droom kon weten, was totaal onduidelijk, maar desalniettemin een feit. Het was ook geen plotselinge, vurige passie, maar een rustig en behoedzaam liefdesspel met een vrouw die al jarenlang zijn levensgezel was, en toen hij wakker werd, begreep hij dat hij een reis had gemaakt over een van die alternatieve levenspaden. Een mogelijkheid die er niet van gekomen was, een richting die zijn leven had kunnen nemen als bepaalde andere dingen níét waren gebeurd.

Als hij andere keuzes had gemaakt. Of niet had gemaakt.

Hij keek op zijn horloge. Het was nog maar half zes. Hij merkte dat hij nat was van het zweet; of dat kwam van de illusoire liefdesdaad of dat het ochtendbenauwheid was, wist hij niet. De droom bleef als een mes van verdriet in hem steken, en hij begreep dat hij niet meer in slaap zou kunnen komen.

Hij stond voorzichtig op – om zijn echte partner niet wakker te maken – en liep naar de badkamer. Hij nam een lange douche en hoopte dat het warme water hem ook van binnen schoon zou maken, maar het was nog maar de vraag of dat lukte. Het was twintig voor zeven toen hij met de Allgemejne aan de keukentafel ging zitten. De rechtszaak in Linden zou pas om tien uur beginnen, en hij begreep dat hij een lange dag voor de boeg had.

Meerdere lange dagen.