20

Politiechef Hiller was nerveus.

Dat bleek uit een serie kleine tekenen die Münster gemakkelijk kon aflezen. Hij maakte na elk tiende woord zijn lippen nat met de punt van zijn tong. Hij zat aan één stuk door met zijn balpen te klikken. Hij zweette, terwijl de temperatuur in het vertrek hoogst normaal was, en hij schoof heen en weer op zijn stoel alsof hij een klittenplant tussen zijn billen had.

Wat een kwast, dacht Münster.

Het was niet de eerste keer dat hij dit dacht. Of iets van diezelfde strekking. Voor zich op het grote bureau had Hiller een stapel dagbladen uitgespreid. Na het artikel over de ‘zwembad-moord’ in het Neuwe Blatt van zaterdag waren de schrijverijen pas goed op gang gekomen. Zowel de Allgemejne, de Post als de Telegraaf had op zondag grote artikelen gepubliceerd, en vandaag – op maandagochtend – had Grouwer het dirigeerstokje weer opgepakt en hij eiste dat de politie nu eindelijk eens gehoor gaf aan de gerechtvaardigde wensen – eisen! – van het publiek, de belastingbetalers en de verzekerden. Het algemene rechtsgevoel mocht niet met voeten getreden worden. Mensen zoals Jaan G. Hennan mochten gewoon niet vrij rondlopen!

‘Daar heeft hij een punt!’ constateerde Hiller en hij wiste zijn voorhoofd af met een papieren zakdoekje. ‘Hij heeft wel een punt, die ellendige journalist! We moeten hier iets aan doen. Het is immers zo duidelijk als wat. Hij heeft zich van zijn vrouw ontdaan om het geld van de verzekering op te kunnen strijken.’

‘Hij zat in een restaurant toen ze overleed’, merkte Van Veeteren rustig op.

‘Hij heeft een alibi’, verduidelijkte Reinhart.

‘Dat maakt niet uit’, bracht de politiechef hiertegen in en hij zwaaide met zijn arm boven de kranten. ‘Moet je dit zien! We staan te kijk als een stelletje incompetente sukkels als we dit niet oplossen. Die man heeft immers precies hetzelfde al een keer eerder gedaan!’

‘Precies’, merkte Van Veeteren op. ‘En daar is hij ook mee weggekomen. We staan niet alleen in onze schande.’

‘Schande!’ siste Hiller. ‘Dit wordt geen schande! Hennan zal hiervoor aangehouden en berecht worden, en het is jullie taak om daar steekhoudende bewijzen voor aan te dragen. Ik heb vanochtend met de officier gesproken.’

‘Dat had ik zaterdag ook al gedaan’, zei Van Veeteren. ‘Hij is volledig op de hoogte van de situatie.’

‘We moeten hem hoe dan ook voor het gerecht slepen’, verklaarde Hiller en hij tikte met zijn balpen op een leeg stuk bureau. ‘Hoe dan ook. Ik heb de officier van die noodzaak weten te doordringen, ook al is er weinig bewijs.’

‘Daar was hij zaterdag ook al van overtuigd’, zei Van Veeteren. ‘Ik denk niet dat we de hele ochtend hiermee hoeven te verdoen. Het is duidelijk hoe het zit. Er moet …’

‘Hennan moet een handlanger hebben gehad!’ haastte de politiechef zich te zeggen. ‘Ik heb de zaak bestudeerd en ben tot de conclusie gekomen dat dat de enige mogelijkheid is.’

‘Echt?’ vroeg Reinhart.

‘Een soort huurmoordenaar, ja. De officier is het met me eens. Het is jullie taak de dader te vinden, of Hennan zo onder druk te zetten dat hij doorslaat. We moeten zo veel mogelijk middelen hiervoor inzetten, we mogen geen middel onbeproefd laten. Hennans hele kennissenkring moet diepgaand worden onderzocht! Hij heeft immers een verleden.’

‘Dat weten we’, zei Reinhart. ‘We zijn niet gek. Maar zoals het zich nu laat aanzien … ja, is de officier dus bereid om te starten met het weinige wat we hebben?’

De politiechef knikte ernstig en maakte zijn lippen nat.

‘Ja. Vanmiddag nemen we hem in hechtenis. Mooi op tijd voor de persconferentie. Die nemen de commissaris en ik voor onze rekening, dezelfde aanpak als altijd. Openheid en terughoudendheid. We willen in dit geval de media niet tegen ons in het harnas jagen. We staan allemaal aan dezelfde kant, dat hoef ik misschien niet te zeggen?’

‘Niet echt’, zei Van Veeteren met een zucht. Hij keek op zijn horloge. ‘Was dat alles? Een persconferentie om drie uur dus?’

‘Vijftienhonderd uur’, bevestigde Hiller. ‘Nee, als jullie geen vragen hebben, dan was dit alles.’

‘Oké dan’, zei Reinhart terwijl hij zijn pijp opstak. ‘Dat was alles, om met een bekend redenaar te spreken.’

Hij zat in een van de twee bezoekersstoelen in de kamer van Van Veeteren. Münster zat in de andere en de commissaris zelf stond met zijn rug naar zijn collega’s door het open raam naar de stad te kijken. De hemel was onrustig. Die ochtend vroeg was er een lagedrukgebied uit het zuidwesten aan komen drijven, dat een domper op de zomer had gezet, maar misschien was dat welbeschouwd wel een betere weerspiegeling van de stemming.

‘Ja’, zei de commissaris. ‘En helaas moeten we toegeven dat hij de situatie voor deze keer vrij goed heeft samengevat. We staan waar we staan, en als we niet verder komen is het aan de officier om aan te tonen dat dat toch ver genoeg is … als dat al mogelijk is.’

‘Wat heeft Le Houde gevonden?’ vroeg Münster.

De commissaris haalde zonder zich om te draaien zijn schouders op.

‘Niet veel’, zei hij. ‘Niets, om precies te zijn. Op de springtoren alleen een paar vingerafdrukken van de heer en mevrouw Hennan. Vooral van haar, wat onze zaak niet bepaald sterker maakt. Binnen net zo … ook hier en daar een onbekende afdruk, maar dat is niet meer dan normaal. Ze hadden bijvoorbeeld een werkster, Heinemann heeft met haar gesproken, ze kwam maar eens in de twee weken. Er was nooit iemand thuis de keren dat zij daar was. Drie in totaal, ze hadden haar begin mei in dienst genomen.’

‘Geen tekenen dat er die avond iemand anders in huis was geweest?’

‘Helemaal niks.’

‘Jammer’, zei Reinhart en hij blies een rookwolk uit. ‘Maar misschien viel dat ook niet te verwachten.’

‘Soms doe je er goed aan niet te veel te verwachten’, zei de commissaris.

‘Heeft er al iemand met Denver gesproken?’ vroeg Münster.

Reinhart zuchtte.

‘Ja, hoor. Ik heb Chief Lieutenant Horniman gisteravond aan de lijn gehad. Hij kwam net terug van de begrafenis van zijn moeder en was niet bepaald opgewekt. Hij had een theorie over Hennan en Philomena McNaught die ik meteen bereid ben te onderschrijven. Hennan heeft haar tijdens die vakantie in de wildernis vermoord … gewurgd of doodgeschoten of hij heeft met een bijl haar hoofd afgehakt, wat dan ook … daarna heeft hij haar een meter … of een yard, om de bron te citeren … onder de grond gestopt en aangifte gedaan van haar verdwijning. Dat verdomde National Park is ongeveer zo groot als Ierland, je zou er heel wat mensen en materieel heen moeten sturen om haar te zoeken.’

Van Veeteren staakte zijn weerobservatie en nam achter zijn bureau plaats.

‘Dit weten we al zo lang’, zei hij.

‘Wat?’ vroeg Münster.

‘Als moordenaars in het algemeen zo slim waren om zich op deugdelijke wijze van hun slachtoffers te ontdoen, dan zouden we er niet veel kunnen oppakken. We mogen blij zijn dat ze niet hebben geleerd om die simpele regel toe te passen. Maar Horniman kon je dus niet verder helpen?’

‘Niet helemaal’, vatte Reinhart samen. ‘Maar hij is er even zeker van als wij dat Jaan G. Hennan een eersteklas klootzak is.’

‘Klootzak?’ mompelde de commissaris, terwijl hij Reinhart aanstaarde. ‘Maak je geen onderscheid meer tussen klootzakken en moordenaars?’

‘Je kunt dat heel goed allebei tegelijk zijn’, verklaarde Reinhart. ‘En hoe is het Rooth en Jung vergaan in de jacht op de handlanger? Daar moet de doorbraak toch vandaan komen?’

‘Ook nog geen resultaat tot nu toe’, constateerde Van Veeteren en hij staarde opnieuw naar het sombere weer buiten. ‘Helaas. Ze hebben een stuk of twintig namen en wanneer ze die hebben afgewerkt, zal ik zelf nog een keer gaan praten met degenen die interessant lijken. Ik heb tegen Rooth gezegd dat ik er hoe dan ook vijf van hem wil hebben … ook als er eigenlijk geen interessante bij zit, dus.’

‘We moeten degene zien te vinden die iets weet’, zei Münster. ‘Het is niet voor het eerst dat we zo’n sleutel zoeken.’

‘Nee’, zei Van Veeteren. ‘Maar in dit geval kan het een probleem zijn dat degene die met de informatie zit misschien wel identiek is met de moordenaar. Wat wellicht kan inhouden dat hij liever zijn mond houdt.’

‘Dat is ook niet echt voor het eerst’, zei Münster.

Reinhart knikte en leek machteloos.

‘Het is zo ontzettend simpel, het maakt me gek’, bromde hij. ‘Die klootzak huurt een mannetjesputter in die het werk voor hem doet, hij betaalt hem een fiks bedrag, en wij kunnen hem niets maken. Hun allebei niet. Zou het iets anders worden dan moord, trouwens … als hij het niet letterlijk zelf heeft gedaan?’

‘Uiteraard’, zei Van Veeteren. ‘Aanzetten tot, bijvoorbeeld, maar er is een aantal varianten om uit te kiezen. Daar kan hij in ieder geval acht tot tien jaar voor krijgen. Maar je verliest een paar kleinigheden uit het oog.’

‘Dat weet ik’, zei Reinhart.

‘In de eerste plaats’, ging de commissaris verder, ‘moeten we kunnen aantonen dat Barbara Hennan niet door een ongeluk om het leven is gekomen, zoals G. beweert. In de tweede plaats moeten we aantonen dat G. echt een huurmoordenaar heeft ingeschakeld. Als we eerlijk zijn, zijn we toch op geen van beide punten erg opgeschoten.’

‘Ik weet het’, zei Reinhart. ‘Ik ben niet van gisteren. Verdomme … Maar inmiddels vind ik het ergens niet meer zo verkeerd dat onze freelancedetective met zijn zatte kop zijn mond voorbijpraatte.’

‘Hoezo?’ vroeg Münster.

‘Omdat het nog erger was geweest als we Hennan in dit stadium al hadden moeten laten lopen. Nu komt er in ieder geval een proces.’

‘Dat is zo’, beaamde Van Veeteren. ‘Ik ben geneigd het met je eens te zijn. Hoewel het gevaar natuurlijk bestaat dat de rechter de zaak niet-ontvankelijk verklaart, als hij die niet stevig genoeg vindt. Ook al schijnt de officier bereid te zijn het hele circus in werking te stellen. Ik weet niet welke rechter het wordt, maar er zitten er een paar bij die zich niet meer om de publieke opinie bekommeren dan een vleesetende beer om een bessenwants.’

‘Hoe poëtisch’, zei Reinhart. ‘Je denkt aan Hart?’

‘Ja, precies’, zei Van Veeteren. ‘Nou ja, we hebben tenminste nog een paar weken de tijd om verder te graven. Dat kan geen kwaad en we zijn weleens eerder tegen informatie aan gelopen. Alle initiatieven zijn welkom … en iedereen die zin heeft om oog in oog met G. te gaan zitten, die mag. Laat het mij alleen van tevoren even weten.’

‘Dat doe ik misschien wel liever niet’, zei Reinhart.

‘Lieverkoekjes worden in deze zaak niet gebakken’, rondde de commissaris af.

De persconferentie verliep zozo.

Het besluit om Hennan te arresteren was natuurlijk een bot dat de verslaggevers dankbaar in ontvangst namen, en Van Veeteren werd weer eens herinnerd aan de liever-veroordelen-dan-vrijlaten-mentaliteit die in dit vroege stadium van een zaak altijd kenmerkend was voor de pers. Eerst moest er een moord worden gevonden, de spectaculaire misdaad, en dat was gebeurd. Daarna was het een wedloop om als eerste de moordenaar aan te wijzen; over dat detail zouden morgen de krantenkoppen gaan. In het derde bedrijf werd vaak honderdtachtig graden gedraaid (als dat kon, tenminste, en de commissaris twijfelde er niet aan dat deze zaak die mogelijkheid bood) en probeerden ze partij te trekken voor de beklaagde. Was hij echt schuldig? Had de politie niet de verkeerde opgepakt? Zou er een onschuldige worden veroordeeld? Hoe zat het eigenlijk met de rechtszekerheid?

En als de betrokkene uiteindelijk was veroordeeld: kon je een verhaal over hem vertellen? Over zijn kindertijd, zijn jeugd en allerlei verzachtende omstandigheden?

Ja, zo zou het gaan, Van Veeteren had die omstandigheden in de loop der jaren leren accepteren. Als hij journalist was geweest in plaats van rechercheur, zou hij zich waarschijnlijk aan die spelregels hebben gehouden, net zoals hij zich nu – zo veel mogelijk, in ieder geval – richtte naar de nomenclatuur die het kader vormde waarbinnen het werk van de recherche plaatsvond. Het was verleidelijk af en toe, in sommige zaken, de kaders te doorbreken, maar tot nu toe – na bijna vijfentwintig jaar in het vak – had hij nog nooit een overtreding begaan. In ieder geval geen flagrante.

Na het robbertje vechten met de pers, dat nog geen half uur had geduurd, trok hij zich terug in zijn kamer en dacht een poosje over deze omstandigheden na. Hij vroeg zich af of hij op een dag zo ver zou komen dat hij feitelijk de wet in eigen handen zou willen nemen. Wanneer dat door de situatie werd gerechtvaardigd. Moreel en existentieel.

Ook in zijn privé-overdenkingen probeerde hij zijn gedachten op een principieel niveau te houden. Hij probeerde G. buiten de arena te laten, zodat hij stopte bij de vraag wat hij behoorde te doen, niet wat hij liever zou doen. Om met Reinhart te spreken.

Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, en toen hij merkte dat hij zat te wensen dat hij Jaan G. Hennan in die stinkende oude lange mat mocht rollen die het leven uit de tere ziel van Adam Bronstein had geperst, gaf hij het op.

Hij herinnerde zich zijn besluit van gisteren om een ernstig gesprek met zijn vrouw te voeren en verliet het bureau.

Dat hield ook niet over.

Toen ze het er eenmaal over eens waren dat de verwijdering tussen hen een onontkoombaar feit was, konden ze opeens weer met elkaar praten, maar hij vroeg zich stiekem af of dit licht bedroefde respect niet het duidelijkste teken was dat hun echtelijke lot voorgoed bezegeld was. Als je je gevoelens niet eens meer kon afreageren in een regelrechte ruzie, dan kon hij moeilijk geloven dat er nog een basis over was waarop ze konden bouwen. Wat hij een half leven eerder ook had gewenst, deze lauwe, trieste afstandelijkheid in ieder geval niet.

Misschien dacht Renate er ook zo over, maar dat aspect van hun vermeende samenleven bespraken ze niet. Wel kwamen ze tot een soort schoorvoetende overeenkomst, die inhield – als hij het goed begreep – dat ze het nog een half jaar zouden aanzien.

En dat ze gezamenlijk meer verantwoordelijkheid voor Erich zouden nemen, die – en nu zag hij dat Renate bijna moest huilen uit schuldgevoel – werkelijk alle steun kon gebruiken die zijn ouders konden bieden. Hier waren ze het roerend over eens, en als de zoon uit de gevarenzone thuis was geweest op deze regenachtige maandagavond, zou er zeker meteen een ernstig gesprek onder zes ogen tot stand gekomen zijn.

Maar hij was er dus niet, en toen Van Veeteren hem rond half twaalf stiekem zijn kamer hoorde binnensluipen, sliep Renate al en hij liet hem verder maar met rust.

Ik weet zo verdraaid weinig van zijn leven, dacht hij.

Wat denkt hij? Wat heeft hij voor dromen, plannen en fantasieën?

Waarom weet ik niet meer van mijn eigen zoon?

En hij viel in slaap met de wrange smaak van nalatigheid in zijn mond.