19

Het was zaterdagmiddag vijf uur toen hij thuiskwam en de enige die hem begroette, was Bismarck.

Maar die was wel blij hem te zien. Op de keukentafel lag een briefje van Renate, die hem informeerde dat ze naar Chadow was om bij haar moeder op verjaarsvisite te gaan. Misschien zou ze tot zondag blijven. Als hij het wilde weten, kon hij altijd bellen.

Erich was met zijn vrienden naar zee. Ze had hem laten beloven dat hij voor middernacht thuis zou komen, maar of hij dat echt zou doen, wist ze niet. Het was niet verkeerd geweest als zijn vader aanwezig was geweest om een beetje te helpen.

Van Veeteren scheurde het briefje in vier stukken en gooide ze in de vuilniszak. Hij voelde een plotselinge ergernis de kop opsteken, en hij verlangde er opeens naar om in de auto te stappen en weg te rijden van alles. Van zijn werk, zijn huis, zijn vrouw en zijn zoon – van dat hele opdringerige, schurende leven dat soms met niets anders te vergelijken viel dan met chronische jeuk. Diep onder de huid, diep in de ziel. Het was een primitief, kinderachtig gevoel, dat wist hij en dat maakte het er niet beter op.

Alsof dit de uitgangspositie was, dacht hij. Het trieste oermoeras waar je telkens weer uit moest kruipen en dat je moest bevechten met alle ter beschikking staande middelen. Elke ochtend, elke dag tot aan het einde der tijden. Zodra je even niet op je hoede was, lag je daar weer te spartelen. Terug naar af.

Hij dronk een biertje, nam een douche en trok schone kleren aan. Dat hielp een beetje. Hij maakte een ommetje door het Randerspark met Bismarck. Het weer was niet gek, bewolkt, maar windstil en zeker een paar graden boven de twintig. Hij besloot uit eten te gaan.

En onder geen beding zijn vrouw te bellen.

Maar het zou stom zijn als hij zichzelf nog langer voor de gek bleef houden, dacht hij ook. Onnozel om zichzelf wijs te maken dat Renate de booswicht was in het drama.

Dat was ze niet. Dat was hijzelf.

Hij kwam rond negen uur thuis en ook ditmaal werd hij door de hond alleen begroet. Ze maakten samen weer een wandeling door het park, nu in een licht regenbuitje, maar daarna zei hij tegen Bismarck dat ze moest gaan slapen, dan kon hij in alle rust wat mensengedachten denken. Bismarck knikte, geeuwde en nam plaats in haar favoriete leunstoel op de oude kamer van Jess.

Van Veeteren besteedde een half uur aan het lezen van de Allgemejne en het luisteren naar Sibelius, maar na de Valse triste zette hij hem uit. Hij constateerde dat er geen late film op tv was die hem aansprak en haalde zijn aktetas en een biertje.

Hij pakte het bandje uit zijn tas, stopte het in de cassetterecorder en ging er eens goed voor zitten. Hij deed het licht uit. Schonk zijn glas vol en drukte op de startknop.

Vooruit maar, dacht hij. Ik ben nu eenmaal een masochist, en het moet er toch eens van komen.

Na de standaardgegevens als tijdstip, plaats, zaak en betrokkenen begon het echt. Het was nog maar zes uur geleden dat ze het verhoor op het politiebureau hadden beëindigd, maar hij merkte meteen dat de verandering van omgeving – de geregisseerde omgeving van de verduisterde woonkamer, de gemakkelijke stoel, het late uur en de eenzaamheid – tot een andere kijk leidde. De omstandigheden en het perspectief verschoven op de een of andere manier die hij niet helemaal helder kreeg.

Misschien kwam het door het simpele feit dat je soms beter kunt horen wanneer je niet ziet.

Hij sloot zijn ogen en luisterde naar zijn eigen stem.

vv: Welkom, Jaan G. Hennan.

G.: Dank je wel.

vv: Laat ik meteen zeggen dat inspecteur Reinhart en ik hier niet zitten omdat we niets beters te doen hebben. Als je niets te zeggen hebt, of niet op vragen wilt antwoorden, stoppen we net zo lief meteen weer.

G.: Ik sta natuurlijk ter beschikking van de heren. Hoe eerder we kunnen vaststellen dat mijn vrouw door een ongeluk om het leven is gekomen, hoe beter.

R.: Waarom sluit je zo gemakkelijk uit dat er andere krachten achter kunnen zitten? Ik heb naar de opname van het gesprek van vannacht geluisterd, maar ik heb er moeite mee de logica in je houding te ontdekken.

G.: Dat geloof ik graag. Sorry, wat was uw naam?

R.: Reinhart.

G.: Goed dan, agent Reinhart. U zoekt naar hetgeen waarnaar u wilt zoeken en ziet wat u wilt zien. Die logica is zo duidelijk dat zelfs u in staat zou moeten zijn die te ontdekken.

R.: Flauwekul.

G.: Mijn vrouw is door een ongeluk om het leven gekomen.

vv: Ja, dat zeg je. Maar ik heb al gezegd dat we genoeg gegevens hebben die in een heel andere richting wijzen. Als je weigert om de mogelijkheid zelfs maar in overweging te nemen dat iemand haar heeft vermoord, kunnen we daar alleen maar een aanwijzing in zien dat je er zelf iets mee te maken hebt gehad. Ik dacht dat je tijd genoeg had gekregen om hierover na te denken en te begrijpen hoe het zit.

G.: Ik ben bang dat ik je op dat punt moet teleurstellen. En ik ben bang dat je mij enigszins onderschat.

R.: Het is je niet opgevallen dat je je nogal merkwaardig gedraagt?

G.: Is het u niet opgevallen dat u mij enigszins merkwaardig behandelt? Om niet te zeggen ongepast?

R.: Leg uit.

G.: Graag. Ik heb net onder tragische omstandigheden mijn vrouw verloren. Je kunt niet beweren dat u daar tot nu toe veel consideratie mee hebt gehad.

R.: Nee? Sorry dat ik het zeg, maar met je verdriet lijkt het nogal mee te vallen.

G.: Daar weet u niets van, agent. Waarom zou ik mijn hart luchten tegenover mijn beulen?

R.: Beulen? Alsjeblieft, zeg.

vv: Dus je rouwt om je vrouw?

G.: Natuurlijk,

vv: Meer dan om de vorige?

G.: Ik heb geen maatstaf voor dergelijke vergelijkingen.

R.: Dus het maakt geen verschil: een of twee dode vrouwen?

G.: Op dat soort insinuaties heb ik geen commentaar.

R.: Dat begrijp ik.

vv: Je firma was nep, nietwaar?

G.: Nep? Waarom zou die nep zijn?

vv: Wat voor werk doe je?

G.: Ik ben ondernemer.

R.: In welke branche?

G.: Import en distributie.

vv: Waarvan?

G.: Ik heb tot nog toe verschillende markten onderzocht. Dat is een wereld waar je waarschijnlijk totaal niet in thuis bent. En het is ook niet relevant. Wanneer ben je van plan mij naar huis te laten gaan?

R.: Naar huis? Waarom zouden we je in hemelsnaam naar huis laten gaan?

G.: Denkt u dat ik niet weet wat mijn rechten zijn? Ik heb gezegd dat u mij niet moet onderschatten, anders zullen jullie het nog moeten bezuren.

vv: Hoe ziet je huurcontract voor Villa Zefier eruit?

G.: Het is een overeenkomst voor zes maanden. Als de huur niet wordt opgezegd, wordt de afspraak stilzwijgend met nog eens een half jaar verlengd.

vv: Heb je de huur nu opgezegd?

G.: Waarom zou ik dat doen?

R.: Omdat je vrouw dood is, bijvoorbeeld.

G.: Daar heb ik nog geen besluit over genomen.

vv: Gezien het feit dat je enkele tientallen jaren gaat zitten, zou dat misschien een idee zijn.

G.: Wat een onzin!

R.: En je bent van plan je zogenaamde firma voort te zetten?

G.: Dat hoef ik niet met u te bespreken. Maar ik overweeg contact op te nemen met een advocaat als u niet verstandiger wordt … en uw boekje te buiten blijft gaan.

vv: Hoe laat is je vrouw op de avond van de moord teruggekomen uit Aarlach?

G.: De avond van de moord?

vv: Niet op alle slakken zout leggen. Hoe laat was ze thuis?

G.: Dat weet ik niet.

R.: Heb je niet naar huis gebeld om te horen of ze er al was?

G.: Ik heb al gezegd dat ik dat heb gedaan.

vv: Hoe laat dus?

G.: Ik heb een paar keer gebeld. Ze nam niet op.

vv: Hoe laat was het toen je voor het laatst belde?

G.: Rond half zeven.

vv: Waarom denk je dat ze contact had opgenomen met een privédetective?

G.: Geen idee. Ik geloof het niet.

vv: Je hebt er een dag over na kunnen denken. Er zijn toch wel een paar ideeën bij je opgekomen?

G.: Ik geloof het niet, zei ik toch.

R.: Had ze zoiets nooit eerder gedaan?

G.: Natuurlijk niet.

vv: Waar had je het die avond over met Verlangen?

G.: Niks belangrijks.

R.: Wat bedoel je daarmee? Voetbal? Whiskysoorten? Vrouwen?

G.: Bijvoorbeeld.

vv: Je had hem herkend?

G.: Sommige koppen vergeet ik niet.

R.: Heb je in de vs ook in drugs gehandeld?

G.: Ik heb nog nooit in drugs gehandeld.

vv: Had je vrouw vijanden?

G.: Vijanden? Waarom zou ze vijanden hebben? Ze kende hier praktisch niemand.

R.: Had je nog geen contacten aangeknoopt?

G.: Dat wilden we voorlopig nog niet.

vv: Waarom niet?

G.: Dat moesten wij toch weten? Vind je dit niet ontzettend vervelend worden? Ik wel, namelijk.

R.: Reken maar. Ezels zijn maar heel even leuk.

vv: Kun je ons iets over Claus Doorp vertellen?

G.: Claus Doorp? Waarom zou ik daar iets over moeten vertellen?

vv: Omdat hij een goede oude vriend van je is. Ja toch?

G.: Dat zou ik niet willen beweren.

vv: Hij waarschijnlijk ook niet. Maar jullie werden beiden veroordeeld in die drugszaak twaalf jaar geleden. Dat klopt toch?

G.: So what?

vv: Heb je nog contact met hem gehad sinds je weer terug bent?

G.: Nee.

R.: Met Christian Müller dan? En met Ernst Melnik of Andreas van der Heugen?

G.: Bravo. Wat een knappe smerissen zijn jullie. Nee, die heb ik allemaal in geen twaalf jaar gezien.

vv: Bij thuiskomst trof je je vrouw aan op de bodem van het bassin. Kun je precies vertellen wat je toen hebt gedaan?

G.: Dat heb ik al meerdere keren verteld. Als je het echt nog eens wilt horen, kun je misschien je bandjes nog een keer afspelen.

R.: Je zult het tijdens de rechtszaak toch ook nog een keer moeten vertellen.

G.: Des te minder reden om het nu te doen. Er komt geen proces, dat weet u net zo goed als ik.

R.: Zullen we wedden?

G.: Waar wedden we om?

R.: Om één komma twee miljoen, misschien? Dat is een mooi rond bedrag.

G.: Wat een grap.

R.: Natuurlijk is het een grap. Ik wil niet met je wedden. Ik laat me niet zomaar met iedereen in.

G.: Gelukkig maar. Mag ik jullie één ding zeggen? Als mannen onder elkaar, zeg maar?

vv: Ga je gang.

G.: Ik weet niet wie van jullie beiden het slechtst toneelspeelt. Jullie proberen een zaak tegen me in elkaar te zetten, maar de manier waarop zal in een rechtszaal alleen maar lachwekkend overkomen. Dat weet ik en dat weten jullie. Een zielig kaartenhuis, er hoeft maar een zeer middelmatige advocaat even te niezen en het stort in. Waarom geven jullie niet toe dat het zo zit? Dan kunnen we nu ophouden met deze belachelijke pirouettes.

R.: Hoe is het om je eigen zusje te verkrachten? Geeft dat een goed gevoel, na afloop?

Er viel een lange stilte op de band. Alleen het geluid van Jaan G. Hennan, die een sigaret opstak, en Reinhart, die ietwat verstrooid met een pen op tafel tikte. Van Veeteren zette de recorder uit.

Ik wil het niet meer horen. Reinhart mag luisteren om te zien of hij er iets uit kan halen.

Wat dan? vroeg hij zich meteen af. Wat zou je eigenlijk kunnen horen?

Een onopzettelijke verspreking?

Iets wat G. zich per ongeluk had laten ontvallen? Een opmerking die hen verder kon helpen en in ieder geval de richting kon aangeven waarin ze moesten zoeken?

Hij dacht het niet. Eerlijk gezegd dacht hij dat niet, besefte hij, en eerlijk gezegd was hij het op één punt met G. eens. Deze verhoren – gesprekken – waren zinloos.

Onder de huidige omstandigheden.

Ze wisten dat G. achter de dood van zijn vrouw zat.

En G. wist dat ze het wisten.

Het zou hem niet eens noemenswaard schaden als hij zich versprak en toegaf dat hij het had gedaan, dacht Van Veeteren. Het enige wat hem zou schaden, was als hij verried hoe.

Of misschien wie het had gedaan? Als G. per ongeluk de naam noemde van de handlanger die hij – als puntje bij paaltje kwam – toch moest hebben gehad.

Als je op zoiets hoopte, was je niet helemaal goed snik.

Hij deed het licht aan en haalde het bandje uit de cassetterecorder. Hij zocht een poosje tussen zijn cd’s en koos ten slotte voor het tweede pianoconcert van Bartók. Hij wist dat hij ook over Christa moest nadenken, het werd tijd, en een betere begeleiding dan Bartók kon je je daarbij nauwelijks voorstellen.

Adam Bronstein was niet de enige. Christa Koogel was er ook nog. Dus.

Christa Koogel, die een kamer in hem had opengemaakt waarvan hij het bestaan niet had vermoed. De kamer van de liefde. Een plaats en een toestand waarin het mogelijk was van een vrouw te houden en liefde terug te ontvangen. Ver van … hoe had hij het genoemd … het oermoeras van het bestaan?

Hij was eenentwintig, zij negentien. Vier maanden lang – een zomer en iets meer – had hij geleefd in die … tovercirkel van verhoogd levensgevoel. Hij kon geen andere woorden vinden dan deze hoogdravende surrogaatuitdrukkingen. Een bestaan, had het hem geleken, waarin elk voorwerp, elke handeling, elke blik, elke aanraking en elk alledaags voorwerp vervuld raakte van een diepe, betekenisvolle en magische inhoud.

Keer op keer. Alleen al de gedachte dat ze in de buurt was, in dezelfde stad, in hetzelfde leven, en dat hij soms maar een hand hoefde uit te steken om haar arm, haar haar of haar rug aan te raken en een bevestigende blik terug te krijgen, had hem een onbegrijpelijk gevoel van lichtheid en onkwetsbaarheid gegeven. En van gewicht.

Eenentwintig en negentien.

Hij kon nu de lichamelijke sensatie nog steeds oproepen die hij had gehad toen hij haar zoende en haar bereidwilligheid voelde, haar naakte huid streelde, voorzichtig met de buitenkant van zijn hand langs haar uitgestrekte arm naar beneden ging, naar de binnenkant van haar elleboog, over haar borsten en haar zacht geronde buik … na bijna dertig jaar, was het niet ongelooflijk?! Zijn linkerhand en haar rechterarm.

De rode kamer van de liefde. De lichtheid en het gewicht. Ruim een zomer lang. Toen begon ze te weifelen en leerde hij iets anders kennen: het zwarte gat van het gemis. Terug naar af.

Ze maakten het niet uit. Dat was niet nodig.

Ze besloten alleen dat ze elkaar minder vaak zouden zien. Ze moest nadenken over haar gevoelens. Een week later zag hij haar in een café. Hij zag haar, zij hem niet. Haar ogen waren met iets anders bezig. Ze zat aan een tafeltje bij een jongeman, een andere jongeman. Ze dronken wijn en zaten met hun hoofden heel dicht bij elkaar. Ze praatten en lachten. Zijn hand lag op de hare. Ze rookten allebei, bij hem in de rode kamer van de liefde rookte ze nooit en dronk ze ook bijna geen wijn. De nieuwe man was G.

Ze maakten het niet uit. Dat hoefde niet.

En ze leerde hem een derde ding.

Het vrouwelijke gebrek. Dat volslagen onbegrijpelijke verschijnsel. Dat een mooie, talentvolle, populaire jonge vrouw kan vallen voor een klootzak, die het niet waard is de grond te kussen waarop ze loopt.

En de deur naar de kamer van de liefde ging dicht. Jaren later kwam hij haar toevallig weer tegen, hij raapte pijlsnel al zijn moed bij elkaar en vroeg haar waarom ze eigenlijk de moeite had genomen die open te doen. De deur van de liefde. Of kon ze die voor iedereen opendoen? Net zo makkelijk?

Ze voerden een tamelijk lang gesprek. Ze huilde en zei dat ze er spijt van had. Dat G. haar honds had behandeld. Ze raakte zwanger en toen had hij haar verlaten. Na de abortus geloofde ze ook niet meer in de kamer van de liefde. Ze zei – en hij geloofde haar – dat ze wilde dat ze met hem verder was gegaan en dat ze G. nooit had ontmoet.

Toen was het te laat. Renate was zes maanden zwanger en de dingen waren niet meer wat ze geweest waren.

Zo kon je het wel ongeveer zeggen. Het was niet eens zo bijzonder. Waarschijnlijk een doodgewoon levensmelodrama. Een stukje ervaring dat zo’n beetje iedereen in zijn rugzak heeft, en misschien was juist dat nog wel het treurigste van alles.

Hij keek op zijn horloge. Kwart over twaalf. Erich had niet gebeld, Renate ook niet. Bartók was afgelopen, maar hij nam niet de moeite om op te staan uit zijn fauteuil en iets anders op te zetten. Hij dronk zijn bier op en probeerde Christa Koogel uit zijn hoofd weg te spoelen.

Of haar te verplaatsen naar de plek waar ze thuishoorde. Die van alternatieve levenspaden die hij niet was ingeslagen. Gesloten kamers.

Bleef over G.

Bleef over Jaan G. Hennan.

Als een soort macabere incarnatie van alle mogelijke ellende en oude rommel uit het leven. Als het kwaad zelve, een mens zonder verzachtende omstandigheden.

Ik haat hem, dacht hij opeens. Als ik iemand op de wereld haat, dan is het G. Ik zou hem kunnen verbranden zoals je een kakkerlak verbrandt. Echt.

Hij bleef nog een half uur in het donker zitten. Daarna nam hij een besluit en hij ging naar bed.