18

Hij werd wakker van de telefoon. Even wist hij niet waar hij was, maar toen voelde hij de pijn in zijn onderrug en besefte hij dat hij op de bank in zijn kantoor had geslapen.

Hij keek op zijn horloge. Het was kwart voor acht. Met enige moeite begaf hij zich naar zijn bureau en nam op. Het was Reinhart.

‘Lees je het Neuwe Blatt?’ vroeg hij.

‘Nee’, zei Van Veeteren. ‘Jij wel?’

‘Sporadisch’, zei Reinhart. ‘Maar vandaag wel. Tijdens het hardlopen zag ik toevallig de kop.’

‘Hardlopen?’ vroeg Van Veeteren.

‘Ik was aan het joggen. Dat doe ik altijd op zaterdagochtend. Ik kan het je aanraden.’

‘Wat, joggen?’ vroeg de commissaris.

‘Dat ook’, zei Reinhart. ‘Maar nu raad ik je aan het Neuwe Blatt van vandaag te lezen. Er staat iets in over Hennan.’

‘Hè? Waarom staat er …?’

‘Een hele pagina. Een zekere Grouwer heeft het geschreven. Verdomd informatief, we hebben een lek.’

‘Een lek?’ vroeg de commissaris en hij probeerde zijn rug te rechten. ‘Waar heb je het over? Werk je tegenwoordig bij de veiligheidsdienst?’

‘Koop dat krantje en lees het zelf’, spoorde Reinhart hem aan. ‘Blijf je op het bureau?’

‘Dat denk ik wel’, zei de commissaris.

‘Ik kom over een uur. Ik moet eerst nog even douchen. Dan hebben we het erover.’

Vervolgens hing hij op. De commissaris bleef met de hoorn in zijn hand staan en staarde een poosje voor zich uit. Vervolgens draaide hij het nummer van de wachtcommandant en zei dat hij een exemplaar van het Neuwe Blatt op zijn kamer bezorgd wilde hebben.

Daarna deed hij hetzelfde als Reinhart. Hij ging douchen.

Reinhart had niet gelogen, dat kon hij meteen constateren. Bovenaan op de voorpagina stond een vette kop die luidde: ‘Koelbloedige moord in Linden?’

In ieder geval met een vraagteken, dacht de commissaris gelouterd. Dat was tenminste iets. Al in het inleidende stukje werden de namen van zowel Barbara als Jaan G. Hennan genoemd. Van Veeteren bladerde door naar pagina 5, die in zijn geheel aan de zaak was gewijd.

Het ongeluk aan de Kammerweg in Linden waarvan we vorige week gewag maakten, zou weleens een doortrapte moordgeschiedenis kunnen blijken te zijn

stond er onder een grote foto van Villa Zefier waarop je de magische springtoren vaag door de takken kon zien. Ze hadden gewoon een fotograaf gestuurd, die vanaf de overkant van de straat een foto had genomen, constateerde Van Veeteren. Hij zette zich schrap tegen het ondermaatse taalgebruik en las verder.

Het was wat Reinhart al had gezegd: verdomd informatief. De macabere bassinscène werd nauwkeurig, tot in de details, verteld, en verder werd er vrij veel aandacht besteed aan de verzekeringskwestie. Jaan G. Hennan, werd gezegd, had zonder enige scrupules een torenhoge levensverzekering voor zijn jonge Amerikaanse vrouw afgesloten, slechts enkele weken voordat ze dood bij haar huis werd aangetroffen. Directeur Kooperdijk van Trustor Verzekeringen sprak sterke twijfels uit omtrent Hennans oprechtheid en hoopte dat de politie hem spoedig voor het gerecht zou kunnen brengen. Dat het om bedrog en erger ging, zag de journalist als een vaststaand feit.

In het slot van het artikel werd gemeld dat Hennan een crimineel verleden had en dat hij bijna tien jaar in de vs had gewoond, waar hij zich met onduidelijke zaken had beziggehouden. Als klap op de vuurpijl onderstreepte Grouwer hoe belangrijk het was dat de Maardamse recherche, die de zaak nu in behandeling had, geen blad voor de mond nam en de burgers behoorlijk informeerde over deze zaak.

Had de politie iets te verbergen?, luidde de retorische vraag. Waarom was er nog geen aanhouding verricht? Wanneer werd de eerste persconferentie eigenlijk gehouden? Er liep een moordenaar vrij rond.

Er stond niet expliciet dat de moordenaar Jaan G. Hennan heette, maar een kind van zeven dat ook tussen de regels door kon lezen, haalde dat er zo uit.

Onder het doornemen van het artikel dronk Van Veeteren twee koppen koffie. Hij probeerde ook een boterham met kaas, paprikaringen en een treurig blad sla te eten, maar dat lukte niet.

Dus, dacht hij. Daar krijgen we het journaille al op ons dak. Daar zijn we mooi klaar mee.

Als een onmiddellijke bevestiging van die veronderstelling ging op dat moment de telefoon. Het was een lichtelijk geïrriteerde meneer Aronsen, redacteur van de Telegraaf, die zich afvroeg wat, hoe en waarom. Van Veeteren legde uit dat hij net een belangrijk verhoor wilde gaan afnemen en verwees naar een persbericht dat voor twaalf uur zou uitgaan.

‘Hebben jullie hem opgepakt?’ vroeg Aronsen.

‘Natuurlijk’, antwoordde de commissaris neutraal. ‘Hij zit bij ons in de kelder.’

Hij beëindigde het gesprek en belde de centrale. Hij verordonneerde dat er de eerste uren geen telefoontjes van de pers doorverbonden mochten worden en ging zijn tanden poetsen.

Toen hij terugkwam, was Reinhart gearriveerd.

‘Fraaie geschiedenis, hè?’ zei hij met een grimas.

‘Heel fraai’, zei de commissaris. ‘Ik heb een persbericht beloofd voor half twaalf. Voel jij je genoeg in vorm om dat in elkaar te draaien?’

‘Met alle soorten van genoegen’, betuigde Reinhart. ‘Geef me zeven minuten en een kop zwarte koffie. Waar heeft die vent in vredesnaam de informatie vandaan?’

De commissaris schudde zijn hoofd.

‘Geen idee. Hoeveel mensen weten ervan?’

Reinhart telde het na.

‘Zes, denk ik. Plus nog een paar half geïnformeerde agenten, natuurlijk. Maar ik kan me moeilijk voorstellen dat een van ons …’

‘Shit!’ viel Van Veeteren hem in de rede. ‘Verlangen natuurlijk! Die privéspeurneus heeft zijn mond voorbijgepraat. Kun je hem bellen om dat te checken als je klaar bent met het verhaaltje voor de pers?’

‘Dat zal ik zo doen’, zei Reinhart. ‘Je hebt waarschijnlijk gelijk. Het zou me niet verbazen als hij het is. Ik denk dat de situatie er wel anders door wordt.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Als er een moordenaar vrij rondloopt en de mensen weten hoe hij heet, zullen er wel stemmen opgaan dat we iets moeten doen.’

‘Meen je dat nou?’ zuchtte Van Veeteren. ‘Ja, daar zou je best eens gelijk in kunnen hebben. Laten we dan het om meteen maar bellen … voordat zij ons bellen … dat staat beter.’

‘Denk je dat ze daar het Neuwe Blatt lezen?’ vroeg Reinhart.

‘Misschien zijn het echte hardlopers’, zei de commissaris.

Reinhart liet even een scheef glimlachje zien.

‘Oké. Bel ze maar. Wanneer ga je zelf de strijd met de moordenaar weer aan?’

Van Veeteren deed een paar vage pogingen om zijn rug te strekken.

‘Pijn?’

‘De bank.’

‘Eigen schuld. Nou?’

‘Ik weet het niet goed’, zei Van Veeteren. ‘Ik had nu verder willen gaan, maar ik denk dat ik het een paar uur uitstel. Wil je erbij zijn?’

‘Erbij zitten, bedoel je, of achter het raam?’

‘Erbij zitten’, zei Van Veeteren. ‘Het zou interessant kunnen zijn om hem aan enig kruisvuur bloot te stellen.’

‘Absoluut’, zei Reinhart. ‘Ik ben van de partij.’

Daarna verliet hij de kamer en Van Veeteren draaide het nummer van het om.

Toen Reinhart een persbericht had opgesteld en verzonden – een weinig informatief, ambtelijk stukje van vijfenvijftig woorden, dat niet meer dan een derde onthulde van wat al in de krant had gestaan plus de aankondiging dat er maandag een persconferentie gegeven zou worden – belde hij het Neuwe Blatt en kreeg het thuisnummer van Bertram Grouwer.

Het klonk alsof Grouwer nog niet echt uitgeslapen was, maar hij had toch genoeg tegenwoordigheid van geest om zijn bron te beschermen. Zoals dat heette. Toen Reinhart vroeg of hij misschien Maarten Verlangen heette, hing Grouwer op.

Kladschrijver, dacht Reinhart, die een enigszins gespannen relatie onderhield met de pers. Je acteert ook niet al te best.

Verlangen klonk eerst niet veel energieker dan Grouwer; dat veranderde toen hem duidelijk werd waar het over ging.

Nee, hij had vandaag nog geen krant gelezen. En, ja, hij wist nog dat hij donderdagavond met zijn goede vriend Grouwer had zitten praten. Ze waren uit geweest en hadden hun gemeenschappelijke verjaardag gevierd, zou je kunnen zeggen, en hij had een paar glaasjes genomen.

‘Hoe laat kunt u hier zijn?’ vroeg Reinhart. ‘Over tien minuten? We moeten met u praten.’

Hij wist niet of dat echt nodig was, maar hij was waarachtig niet van plan om een eikel die informatie had gelekt eindeloos lang in bed te laten liggen op een mooie zaterdag in het voorjaar. Geen denken aan.

Verlangen beloofde berouwvol dat hij zich onmiddellijk in beweging zou zetten en binnen een uur op het bureau zou zijn.

Ziezo, dacht Reinhart. Hij hing op en stopte een pijp. Als ik Heinemann kan vinden, mag hij je de godganse dag verhoren! De officier van justitie heette Silwerstein. Van Veeteren had verscheidene keren met hem te maken gehad en wist dat hij er een hekel aan had om op een vrije zaterdag aan het werk te moeten. Hij speelde liever golf. Die voorkeur uitte hij ook zodra hij de deur binnen was gekomen. Van Veeteren legde uit dat hij zich nooit met dat soort bezigheden onledig hield, maar dat hij het ook zo veel mogelijk vermeed om in het weekend te werken.

Maar nu was het dus niet anders. Hij beloofde dat hij het kort zou houden. Daarna serveerde hij Silwerstein een kop koffie en bracht in tien minuten verslag uit van de zaak. Hij besloot met de vraag of de officier misschien bij de schare trouwe lezers van het Neuwe Blatt hoorde.

Beslist niet, verklaarde Silwerstein stellig. Waarom wilde de commissaris dat in vredesnaam weten?

Van Veeteren overhandigde hem de krant en terwijl de officier las, gingen zijn wenkbrauwen omhoog en zakte zijn onderkaak naar beneden.

‘Ik begrijp het’, zei hij toen hij klaar was. ‘Het algemene rechtsgevoel eist, enzovoort … Waarom hebben jullie dit aan de pers doorgegeven?’

‘Er is een lapsus opgetreden’, zei de commissaris. ‘De gegevens zijn niet van ons afkomstig.’

De officier zette zijn bril af.

‘Van wie dan?’

Van Veeteren brak een tandenstoker af en keek uit het raam. Silwerstein zuchtte diep en vroeg niet verder.

‘Ja, ja. En hoe ziet het eruit qua bewijzen? Zijn die steekhoudend?’

‘Dat valt in de huidige situatie moeilijk te beoordelen’, zei Van Veeteren. ‘Maar we hebben hem tot nu toe pas één keer behoorlijk verhoord.’

‘En hij ontkent?’

‘Ja. En dat zal hij blijven doen.’

‘Weet je dat zeker?’

‘Wedden om een golfbaan?’

Silwerstein zweeg.

‘Ik denk niet dat we een schikking of compromis kunnen verwachten. Daar is het de zaak niet voor.’

‘Het lijkt nogal voor de hand te liggen dat hij het heeft gedaan. Toch?’

‘Daar bestaat weinig twijfel over’, bevestigde Van Veeteren. ‘Ik zou er natuurlijk de voorkeur aan hebben gegeven iets langer in stilte te kunnen werken, maar met dit krantenartikel …’

‘Ik begrijp het’, viel officier Silwerstein hem in de rede. ‘En hij zit nu bij jullie?’

‘Sinds gisteravond.’

‘Wat wil je dan? Meteen een bevel tot inhechtenisneming?’

‘Wat vind je zelf?’ zei de commissaris de bal terugkaatsend, en hij vouwde de krant op.

Silwerstein dacht even na en keek op zijn horloge.

‘Dat doe ik liever niet overhaast’, zei hij. ‘Maar jullie willen hem houden, neem ik aan?’

‘Zijn naam heeft in de krant gestaan’, zei de commissaris. ‘Het zou een hoop herrie geven als hij weer vrij rondliep.’

‘Hm ja’, zei de officier en hij krabde aan zijn neus. ‘Ik moet me er eerst verder in verdiepen. Als jullie achtenveertig uur extra krijgen, dan zien we dinsdagavond verder … tegen die tijd moeten jullie toch genoeg feiten verzameld hebben?’

‘We doen wat we kunnen’, beloofde de commissaris.

Bij nader inzien vond inspecteur Reinhart het beter om het gesprek met Maarten Verlangen zelf te voeren. Afgezien van het inquisitieaspect waren er een of twee dingen die hij graag nader met hem wilde bespreken. En Heinemann kon vast wel een vrije zaterdag gebruiken.

Verlangen stapte Reinharts kamer binnen als een berouwvolle zondaar. Hij zag er afgemat en onverzorgd uit en er hing een aura van oude dronkenschap om hem heen.

‘Het spijt me …’ begon hij. ‘Het was niet de bedoeling om …’

‘Het spijt je?’ zei Reinhart. ‘Je hebt ons werk zo gesaboteerd dat de gevolgen niet te overzien zijn. Als Jaan G. Hennan vrijuit gaat, dan zal hij jou op zijn blote knieën danken.’

‘Wat?’ zei Verlangen.

‘Als Hennan vrijuit gaat, dan zal hij …’

‘Ja, dat hoorde ik wel’, zei Verlangen. ‘Maar dat kan toch niet, ik heb alleen feiten verteld en …’

‘Ga zitten’, zei Reinhart. ‘Je stinkt naar drank.’

Verlangen ging zitten.

‘Het is een beetje laat geworden gisteren. Ik …’

‘Gisteren ook weer? Toen heb je het verhaal natuurlijk aan een andere persmuskiet verteld?’

Verlangen schudde zijn hoofd en keek naar de vloer.

Arme stakker, dacht Reinhart plotseling. Het is een wrak.

‘Kop op’, zei hij. ‘Los van die blunder met de krant wil ik het met je over een paar dingen hebben. Heb je een kater? Wil je koffie?’

‘Heb ik al gehad’, verklaarde Verlangen. ‘Het spijt me heel erg, dat zei ik al, waar wil je het over hebben? Als het maar niet te lang duurt, ik heb zo een afspraak met mijn dochter.’

‘We moeten maar eens zien hoe het loopt’, zei Reinhart.

‘Bedankt’, zei Verlangen.

‘Barbara Hennan, dus. Over haar wil ik het met je hebben.’

‘O? Waarom?’

‘Omdat we uit moeten zoeken waarom ze je überhaupt heeft opgezocht. Ze moet daar toch een reden voor hebben gehad, en de enige reden die ik kan verzinnen is dat ze vermoedde dat er iets broeide … dat ze haar man ervan verdacht dat hij haar op de een of andere manier iets wilde aandoen. Wat zeg je daarvan?’

Verlangen fronste zijn voorhoofd.

‘Ik weet het niet’, zei hij. ‘Ik heb natuurlijk ook zo gedacht, maar ze heeft nooit gezegd waar het allemaal om te doen was … waarom ik hem moest observeren, dus.’

‘Dat weten we’, zei Reinhart. ‘Maar als we uitgaan van de theorie dat ze ergens bang voor was, en je kijkt terug met de kennis die je nu hebt … ja, kan het dan achteraf gezien kloppen? Was er iets in haar gedrag dat daarop wees?’

Verlangen diepte een verfrommeld pakje sigaretten op uit zijn zak.

‘Dat ze bang was? Nee, dat zou ik niet willen beweren. Maar ze droeg wel aldoor een heel zakelijk masker. Beheerst, zal ik maar zeggen. Ik vond … ja, ik vond haar vooral onbegrijpelijk.’

‘Onbegrijpelijk?’

‘Ja.’

‘Wat dacht je dan? Je moet toch een bepaald idee hebben gehad?’

Verlangen stak een sigaret op.

‘Nee, eigenlijk niet’, zei hij. ‘Alleen ging ik er in zekere zin van uit dat het het oude liedje was. Ontrouw dus.’

‘Dat je moest nagaan of Hennan een andere vrouw ontmoette?’

‘Ja. Hoewel …’

‘Ja?’

‘Hoewel haar gedrag dat in geen enkel opzicht ondersteunde … het was gewoon een gissing, aangezien het daar bijna altijd om gaat.’

‘Ik snap het’, zei Reinhart. ‘En Hennan heeft geen andere vrouw ontmoet terwijl jij hem observeerde?’

‘Nee.’

‘Hoelang heb je hem in de gaten gehouden?’

Verlangen haalde zijn schouders op.

‘Twee dagen maar. Woensdag en donderdag. Het was ontzettend saai … behalve donderdagavond, natuurlijk.’

‘Wat deed hij?’

‘Wat hij deed? Hij ging naar zijn kantoor in de Landemaarstraat … zat daar, lunchte, keerde terug naar zijn kantoor en reed naar huis.’

‘Was dat alles?’

‘Ja.’

‘Sprak hij met iemand?’

‘Niet dat ik heb gezien. Er kan iemand bij hem op kantoor op bezoek gekomen zijn, maar dat denk ik niet.’

‘En tijdens de lunch dan?’

‘Dat was maar één keer. Op woensdag … toen zat hij ook alleen.’

‘Geweldig’, zei Reinhart ontevreden. ‘En in dat restaurant donderdagavond was het net zo?’

‘Precies hetzelfde’, bevestigde Verlangen. ‘Voorzover ik weet heeft hij toen alleen met mij gepraat.’

‘Voorzover je weet?’

‘Hij heeft alleen met mij gepraat’, verbeterde Verlangen.

Reinhart zuchtte diep.

‘Verdomme’, zei hij. ‘Heb jij nog ideeën? Heb je nog iets bedacht sinds de vorige keer dat we elkaar zagen?’

Verlangen rookte en dacht na.

‘Hij heeft het gedaan’, zei hij. ‘Ik weet zeker dat Hennan haar heeft omgelegd, maar ik weet niet hoe. Hij moet hulp hebben gehad, dat kan niet anders … ik zie in ieder geval geen andere oplossing.’

Reinhart draaide zijn stoel een kwartslag en keek naar het plafond. Hij dacht even na en draaide terug.

‘Nee’, zei hij. ‘Wij ook niet. Als je ons ook nog even vertelt waar we zijn handlanger kunnen vinden, is die krantenblunder je vergeven.’

Verlangen schoof heen en weer op zijn stoel en keek op zijn horloge.

‘Was dat alles?’ vroeg hij voorzichtig.

‘Voor dit moment wel’, zei Reinhart. ‘je had met je dochter afgesproken zei je?’

‘Ja.’

‘Hoe oud is ze?’

‘Zeventien.’

‘Mag ik je een tip geven?’ zei Reinhart.

‘Wat? Jawel.’

‘Ga je eerst thuis een beetje opfrissen. Geen enkele zeventienjarige wil gezien worden met iemand die eruitziet alsof hij op een bankje in het park heeft geslapen.’

Verlangen beloofde dat hij dat advies zou opvolgen en droop af. Reinhart schudde zijn hoofd en zette het raam open.

Tien seconden later belde de commissaris.

‘Ben je zover?’ vroeg hij. ‘Ik vind dat we het maar weer eens met Hennan moeten proberen.’

‘Ik ben zover’, zei Reinhart. ‘Ik ben er over een minuut.’