17

Behalve Reinhart en Münster was ook brigadier Rooth ter plaatse in de krappe ruimte achter de spiegelkamer waar het verhoor met Jaan G. Hennan zou beginnen. Rooths zogenaamde date had zich ziek gemeld, vertelde hij, en dit was vast even leuk als een slechte detective op tv.

Hennan was vlak voor half elf van huis gehaald door de agenten Kowalski en Klempje. Hij was glimlachend en hoogst vrijwillig meegegaan en had daarna het twijfelachtige voorrecht genoten om drie kwartier op een stoel in de kale verhoorkamer te zitten, voordat Van Veeteren door een van de twee deuren naar binnen stapte en tegenover hem plaatsnam.

‘Dat werd tijd’, zei Hennan, echter zonder een vleug van irritatie in zijn stem.

Van Veeteren reageerde niet. Hij frunnikte even aan de cassetterecorder en stak een sigaret op. Daarna wees hij Hennan op zijn rechten en vroeg of hij een advocaat wilde hebben.

Hennan leunde achterover, glimlachte breed en verklaarde dat hij evenveel behoefte had aan een advocaat als aan aambeien. De commissaris knikte en startte de band. Hij noemde plaats, tijdstip en zaak, en vroeg Hennan om zijn volledige naam te geven, zijn geboorteplaats en geboortedatum. Dat deed Hennan, nog steeds glimlachend.

‘Goed dan’, zei de commissaris en hij hing zijn jasje over de rugleuning van de stoel. ‘Je zit hier dus omdat je verdacht wordt van de moord op je vrouw, Barbara Clarissa Hennan. Je bent nog niet in hechtenis genomen, maar dat is een kwestie van tijd.’

‘De moord?’ vroeg Hennan. ‘In hechtenis genomen?’

‘Dat heb je goed gehoord’, zei Van Veeteren. ‘Wil je meteen bekennen of moeten we het nog even rekken?’

‘Wat een flauwekul’, zei Hennan.

‘Ik heb het antwoord niet gehoord’, zei Van Veeteren.

‘wat een flauwekul’, herhaalde Hennan.

‘Nu heb ik het verstaan’, zei Van Veeteren. ‘Moet ik dat zo opvatten dat het je verbaast dat we je verdenken?’

Hennan leunde met zijn kin op de knokkels van zijn rechterhand en dacht drie seconden na.

‘Ja én nee’, constateerde hij. ‘Ik ben vertrouwd met de algemene incompetentie van de politie en daar verbaas ik me niet meer over, maar in dit geval overtreffen jullie jezelf toch.’

‘Verklaar je nader’, verzocht de commissaris.

‘Nee, dank je’, zei Hennan. ‘Als er iets verklaard moet worden, doe je dat zelf maar. Persoonlijk zou ik het liefst naar huis en naar bed gaan.’

‘Dat zit er niet in’, zei de commissaris. ‘Hoelang ben je met Philomena McNaught getrouwd geweest?’

Hennans antwoord kwam zonder zichtbare verrassing.

‘Krap een jaar.’

‘Ze is overleden tijdens een autorit in Bethesda Park, klopt dat?’

‘Daar weet ik niets van. Ze is verdwenen en later dood verklaard.’

‘Als ik je nou vertel dat haar lichaam is gevonden, verbaast dat je dan?’

Hennan weifelde even. Vervolgens glimlachte hij weer.

‘Nee’, zei hij. ‘Vroeg of laat moest ze wel worden gevonden. Hoe is het gegaan?’

‘Wat bedoel je?’

‘Ik vraag me natuurlijk af waar ze is gevonden. En onder welke omstandigheden. Aangezien ze hoogstwaarschijnlijk een groot roofdier is tegengekomen, verrast het me wel enigszins dat er sprake zou zijn van een heel lichaam, dat geef ik toe. Alsjeblieft zeg, je denkt toch niet dat ik het niet doorheb wanneer een smeris zit te liegen? Daarvoor loop ik echt lang genoeg mee.’

Van Veeteren bleef even zwijgend zitten kijken naar een punt op de muur vlak boven het hoofd van Hennan. Hij vertrok geen spier.

‘Ben je zo onnozel,’ zei hij toen, ‘zo godvergeten onnozel dat je denkt dat je twee keer dezelfde stunt kunt uithalen? We weten dat je twee vrouwen van het leven hebt beroofd, en de volgende vijfentwintig jaar van je leven breng jij in de gevangenis door. Ik stel voor dat je meteen een advocaat regelt, aangezien je niet schijnt te begrijpen in wat voor situatie je je bevindt.’

‘Wat een onzin’, zei Hennan. ‘Ik heb geen advocaat nodig. Maar ik moet wel naar de wc.’

‘Vijf minuten’, zei Van Veeteren en hij schakelde de cassetterecorder uit.

‘Ik moet je op één punt teleurstellen’, verklaarde de commissaris toen Hennan weer terug was.

‘Echt? Wat naar nou.’

‘Ook als je niet opgepakt was, zou je geen cent van de verzekering hebben gekregen.’

‘Is dat zo?’ zei Hennan en hij trok zijn mondhoek op. ‘Ja, ik zal wel naar je insinuaties moeten luisteren, nu we hier toch zitten. Ga maar door, ik ben een en al oor.’

‘Fijn. We zullen bewijzen dat er geen sprake was van een ongeluk, ja, ik heb het nu dus over de moord op je tweede vrouw, en daarmee treedt de clausule van de polis in werking.’

Hennan haalde zijn schouders op.

‘Jullie kunnen natuurlijk proberen van alles en nog wat te bewijzen. Daartoe hebben jullie het volste recht en ik zal jullie niet tegenhouden. Het zou me echter verbazen als jullie daarin slaagden.’

‘Ze was bewusteloos toen ze in het bad werd geduwd’, zei Van Veeteren en hij stak weer een sigaret op. ‘Jij kiest er dus voor de sukkel uit te blijven hangen, ik moet zeggen dat ik wat meer tegenwerk had verwacht.’

‘Tegenwerk?’ vroeg Hennan met theatrale verbazing. ‘Wat is dat nou weer voor geleuter, commissaris?’

‘Je begint me te vervelen’, zei Van Veeteren geeuwend. ‘Je hebt je kleine zusje vijf jaar lang verkracht, toch?’

‘Wat?’ vroeg Hennan.

‘Ik vroeg of je je zus, Elizabeth Hennan, vijf jaar lang hebt verkracht. Of heeft het langer geduurd? Waarom ben je ermee gestopt? Vind je vijftienjarigen te oud?’

Het duurde even voordat Hennan zijn gelaatstrekken weer op orde had. Daarna kwam de glimlach echter weer terug, zij het in afgeslankte vorm.

‘Ik moet misschien toch maar een advocaat nemen’, zei hij. ‘Het lijkt wel of je helemaal de weg kwijt bent.’

‘Dan moet je daar tijdens de rechtszaak maar op antwoorden’, stelde de commissaris voor. ‘Hebben jullie nog contact … ja, ik bedoel zoals normale broers en zussen?’

Hennan gaf geen antwoord.

‘Kun je mij de namen van een paar kennissen van je geven?’ vroeg Van Veeteren.

‘Waarom zou ik?’

‘Je zou de een of ander nodig kunnen hebben die in jouw voordeel spreekt, bijvoorbeeld. Kun je een paar mensen noemen die over jouw goede karakter kunnen vertellen?’

‘Nee’, zei Hennan. ‘Die moet je zelf maar zien te vinden.’

‘Maarten Verlangen misschien?’ opperde de commissaris.

‘Verlangen? Wie is dat nou weer … o ja, die ex-smeris? Wat heb ik met hem te maken?’

‘Je hebt hem ontmoet op de avond dat je vrouw overleed.’

Hennan dacht na.

‘Ja, dat klopt. We hebben een paar borrels gedronken. Een trieste, verlopen figuur.’

‘Waar ken je hem van?’

Hennan lachte.

‘Dat weet je verdomd goed. We hadden een paar jaar geleden een appeltje met elkaar te schillen. Hij heeft me ingerekend, ik was onschuldig en heb door zijn toedoen een poosje gezeten. Maar dat is nu vergeten. Ik ben niet haatdragend.’

‘Weet je wat hij tegenwoordig doet?’

‘Geen idee’, zei Hennan. ‘Nu wil ik een sigaretje roken.’

‘Ga je gang’, zei Van Veeteren. ‘Verlangen werkt als privédetective.’

Hennan keek verbaasd.

‘Privéspeurder? Daar heeft hij niets van gezegd. Ja, het zal wel een lastige arbeidsmarkt zijn voor ontslagen smerissen, neem ik aan.’

Van Veeteren liet enkele seconden verstrijken.

‘Maar je weet toch wel dat je vrouw hem ook kende?’

‘Mijn vrouw?’

‘Ja, zij kende Verlangen ook.’

Hennan slaagde er bijna in zijn verbazing te verbergen door een sigaret op te steken.

‘Bullshit’, zei hij. ‘Waarom zou Barbara iemand als Verlangen kennen?’

‘Als ze nog leefde, had ze het je uit kunnen leggen. Maar Verlangen zal het natuurlijk tijdens de rechtszaak wel vertellen.’

Heel even, een fractie van een seconde maar, kreeg Van Veeteren het idee dat Hennan zich verried. Misschien was het verbeelding, maar een heel kort ogenblik was het net alsof hij recht bij hem naar binnen kon kijken, en als hij ooit aan zijn schuld getwijfeld zou hebben, dan was deze naakte blik genoeg geweest. Jaan G. Hennan had de dood van Barbara Clarissa Delgado op zijn geweten, én die van Philomena McNaught. Hij dacht snel na hoe je die totale ontmaskering, die totale schuld in zo’n paar ogen, zou kunnen beschrijven – aan een jury bijvoorbeeld – maar het enige wat hij voor zich zag was de diepe afgrond die inzicht en handeling scheidt. Dat was niet voor het eerst.

Hij werd teruggebracht naar de werkelijkheid doordat Hennan kuchte.

‘Staat het de politie tegenwoordig vrij om allerhande leugens op te dissen tijdens een verhoor?’ vroeg hij.

Van Veeteren snoof.

‘G.’ zei hij. ‘Het is één ding om met een moordenaar te moeten spreken. Maar als het dan ook nog eens een ontzettende sukkel van een moordenaar is, wordt het vervelend. We nemen een half uur pauze.’

Hennan schudde zijn hoofd en maakte aanstalten om op te staan.

‘Nee, nee’, zei de commissaris. ‘Jij blijft hier. Er is een vloer als je even wilt gaan liggen.’

‘Ik ben tegen wil en dank onder de indruk’, gaf Reinhart in de pauze toe. ‘Maar toch denk ik dat we onze methoden niet aan de grote klok moeten hangen.’

‘Wat vonden jullie van zijn reactie op Verlangen?’ vroeg de commissaris. ‘Toen was hij wat onzeker, dat drong pas later tot me door.’

‘Onzeker?’ vroeg Münster. ‘Hoezo onzeker?’

De commissaris schudde zijn hoofd en stopte een tandenstoker in zijn mondhoek.

‘Ik had het idee dat hij deed alsof hij verbaasd was. Half en half … en ik weet niet welke helft echt was.’

‘Die Verlangen’, zuchtte Rooth. ‘We hebben er geen idee van wat hij al dan niet in dat restaurant heeft gezegd. Hij had hem waarschijnlijk behoorlijk om, Hennan kan van alles uit hem losgekregen hebben.’

‘Dat is helemaal waar’, zei de commissaris. ‘Op die vraag hebben we nog geen antwoord. Maar waarom is ze in vredesnaam naar een privédetective gegaan? Die vraag is belangrijker. Voelde ze zich op de een of andere manier bedreigd en was dat reden genoeg? Ik denk van niet, we zouden daar meer over te weten moeten zien te komen.’

‘Als Verlangen zelf die vraag niet kan beantwoorden, hoe zouden wij dat dan kunnen?’ vroeg Rooth. ‘Degene die het antwoord weet, is immers dood.’

‘Dat weet ik’, zei Van Veeteren.

‘Hoe ga je de volgende ronde aanpakken?’ vroeg Reinhart.

‘Ik ga honderdtachtig graden draaien’, zei de commissaris. ‘Haal me over een kwartier maar op, ik ga even met mijn voeten op het bureau zitten. En hou in de gaten hoe hij zich daarbinnen gedraagt.’

Münster keek op zijn horloge. Het was vijf over half een.

‘Ik wil dat je je nu concentreert’, verklaarde Van Veeteren. ‘Daarom heb je koffie gekregen.’

‘Ik ben diep onder de indruk’, zei Hennan.

Tijdens de hele onderbreking had hij onderuitgezakt op zijn stoel gezeten met zijn armen gekruist over de borst en zijn ogen dicht. De glimlach was nu van zijn gezicht verdwenen, maar verder zag hij er beheerst uit.

‘Eerst een paar punten voor het protocol. Twaalf jaar geleden ben je gestraft wegens drugsmisdrijven en je hebt tweeënhalf jaar in de gevangenis gezeten. Klopt dat?’

‘Ik heb al …’

‘Ja of nee.’

‘Ja’, antwoordde Hennan schouderophalend.

‘Een kleine tien jaar geleden ben je naar de vs geëmigreerd?’

‘Ja.’

‘Meteen toen je vrijkwam?’

‘Zo’n beetje.’

‘In 1983 ben je getrouwd met een zekere Philomena McNaught?’

‘Ja.’

‘Het jaar daarop is ze verdwenen en heb je vierhonderdduizend dollar van de verzekering geïncasseerd. Klopt dat?’

‘Dat klopt’, zei Hennan.

‘Wist je toenmalige vrouw dat je zo’n hoge levensverzekering voor haar had afgesloten?’

‘Uiteraard.’

‘In 1984 ben je met Barbara Delgado getrouwd?’

‘Ja.’

‘Dit jaar zijn jullie naar Europa verhuisd en heb je meteen een hoge levensverzekering voor haar afgesloten. Voor één komma twee miljoen. Klopt dat?’

‘Ja.’

‘Wist ze dat je die verzekering had afgesloten?’

‘Natuurlijk.’

‘Maar ze was er zelf niet bij?’

‘Ze had het toen ergens anders druk mee.’

‘Waarmee?’

‘Dat weet ik niet meer.’

‘Dat noteer ik. Een maand nadat je de eerste premie hebt betaald, wordt je vrouw dood aangetroffen op de bodem van het zwembad bij het huis dat jullie huren aan de Kammerweg in Linden?’

‘Jazeker. Wat heeft dit te …?’

‘Ik stel de vragen. Zoals ik al heb verklaard, zullen we in staat zijn aan te tonen dat je vrouw geen natuurlijke dood is gestorven en zal de verzekering niet uitkeren. Nu moet je een van twee mogelijke opstellingen kiezen.’

‘O ja?’ vroeg Hennan. ‘Waar heb je het in godsnaam over?’

‘Je zult diezelfde keuze tijdens de rechtszaak weer moeten maken, des te beter als je nu vast oefent.’

Hennan reageerde niet, maar zijn linkerwenkbrauw trilde.

‘Of je werkt mee om de dader te pakken te krijgen’, verklaarde de commissaris. ‘Dat zouden negenennegentig van de honderd echtgenoten doen. Of je ligt dwars. Dat is maar voor één uitleg vatbaar: je zit zelf achter de dood van je vrouw. Een op de honderd dus. Begrijp je wel?’

‘Ja, ja’, zei Hennan droog.

‘Hoe ga jij je opstellen?’

‘Ik zou nooit van zijn leven een politieonderzoek willen belemmeren, commissaris’, verklaarde Hennan met stroop in zijn stem. ‘Ik begrijp niet hoe je dat maar in de verte kunt denken.’

‘Uitstekend’, zei Van Veeteren. ‘Ik wil de namen van jullie naaste kennissen.’

‘We hebben geen kennissen.’

‘Wie zijn er op bezoek geweest in Villa Zefier sinds jullie daar zijn komen wonen?’

‘De Trotta’s’, zei Hennan. ‘Verder niemand.’

‘Niemand?’

‘Niet dat ik me herinner.’

‘Leugens’, zei Van Veeteren.

‘Misschien een bezorger’, verbeterde Hennan zichzelf. ‘De verhuizers natuurlijk, ik kan wel enkele firmanamen zien te achterhalen … onze hulp in de huishouding …’

‘Met welke zogenaamde vrienden van vroeger heb je contact gehad sinds je terugkeer?’

‘Met niemand.’

‘Denk na.’

Hennan glimlachte, maar antwoordde niet.

‘Jongen, toch’, zei de commissaris. ‘Ik denk niet dat de jury zo zal begrijpen welke opstelling je hebt gekozen. Maar één ding begrijpen ze wel, daar kun je zeker van zijn.’

‘Wat dan?’

‘Dat jij zelf je vrouw naar beneden hebt gegooid die avond.’

‘Ik denk dat daar een probleem zit’, zei Hennan.

‘O ja? Wat dan?’

‘Voorzover ik weet, heb ik een alibi.’

‘Wat?’ barstte Van Veeteren uit. ‘Denk je dat je een alibi hebt? Wie heeft jou dat wijsgemaakt?’

Hennan aarzelde even.

‘Ik heb een alibi, omdat ik toevallig in restaurant Colom…’

‘Stop!’ viel de commissaris hem in de rede. ‘Dat is niet meer van belang. Je schijnt te zijn vergeten dat we weten hoe de moord feitelijk is gepleegd.’

‘Wat?’ vroeg Hennan. ‘Wat zijn dat voor idiote … nee, nu heb ik genoeg van deze flauwekul.’

‘Ga jij het vertellen of moet ik het doen?’ vroeg de commissaris.

‘Wat vertellen?’

‘Hoe het is gegaan.’

Hennan keek hem een paar seconden duister aan. Toen sloeg hij zijn armen weer over elkaar en hij deed zijn ogen dicht.

‘Wil je alsjeblieft het licht uitdoen als je weggaat. Ik heb hier niets meer aan toe te voegen.’

Van Veeteren bleef een minuut zitten. Toen duwde hij op de stopknop van de cassetterecorder en haalde het bandje eruit. Hij stond op en bleef nog even naar Hennan staan kijken alvorens het vertrek te verlaten. Het licht liet hij aan.

‘Achtenveertig uur’, zei hij tegen de anderen toen hij de deur achter zich had gesloten. ‘We hebben achtenveertig uur de tijd. Zorg dat we hem achter de tralies krijgen. Ik slaap op mijn kamer en morgenochtend neem ik de strijd weer op.’

‘Hij zal het wel gauw opgeven’, zei Reinhart. ‘Je hebt hem aan het eind mooi in het nauw gedreven.’

De commissaris keek hem door samengeknepen oogleden aan.

‘Het doet me plezier dat je zo’n optimist bent’, zei hij. ‘Welterusten, mijne heren.’