15

Het duurde tot vrijdag voordat het bestelde rapport uit de Verenigde Staten door de fax op het politiebureau van Maardam werd uitgespuwd.

Daar stond tegenover dat het wel een onverwacht dikke fax was: zes dichtbeschreven kantjes van een zekere Chief Lieutenant Horniman van het Denver Police District. Van Veeteren kreeg de papieren vlak na tienen in handen en sloot zich meteen op in zijn kamer om ze grondig te lezen en te overdenken.

Hij wist niet wat hij had verwacht te zullen lezen, maar dit absoluut niet, dacht hij al na een half kantje. Dit nooit.

Het begon met informatie over Barbara Clarissa Hennan, geboren Delgado. Ze kwam uit een klein plaatsje in Iowa, Clarenceburg, met een inwonertal van een kleine duizend zielen. Ze was de jongste van acht kinderen, het gezin was diep gelovig en lid van een obscure gemeente waar Van Veeteren nog nooit van had gehoord, The Sons and Daughters of the Second Holy Grail. Barbara had echter zowel het geloof als haar familie de rug toe gekeerd op het moment dat ze wegliep met een vrachtwagenchauffeur, enkele weken na haar zestiende verjaardag. Daarna scheen ze tien jaar lang te hebben rondgezworven van staat naar staat en van stad naar stad. Begin jaren zeventig had ze zich bij een andere dubieuze sekte aangesloten en was een paar jaar lang min of meer spoorloos verdwenen geweest. Ze zou wel in Californië hebben gezeten, nam Horniman aan. Uiteindelijk, zo rond 1980, was ze in Denver, Colorado beland, waar ze een paar jaar op een schoonheidsinstituut had gewerkt totdat ze Jaan G. Hennan ontmoette.

In de herfst van 1984 waren ze getrouwd en ze hadden tot het voorjaar van 1987, toen ze naar Europa emigreerden, in een voorstad van Denver gewoond. Afgezien van enkele bekeuringen wegens snelheidsovertredingen en een ingetrokken aanklacht wegens het in bezit hebben van cannabis was Barbara Hennan van onbesproken gedrag.

Haar man op zich ook, maar zowel op als tussen de regels door las Van Veeteren dat Chief Lieutenant Horniman sterke twijfels had ten aanzien van diens rechtschapenheid.

Hennan was in de herfst van 1979 naar New York gegaan met een verblijfsvergunning voor drie maanden. Hij had diezelfde winter al een werkvergunning weten te bemachtigen; hij had een paar kortere aanstellingen gehad en was met een serie verschillende zakelijke projecten bezig geweest in New York, New Jersey, Cleveland en Chicago. In 1982 was hij getrouwd met een vrouw die de naam Philomena McNaught droeg en was hij naar Denver verhuisd. In de zomer van 1983 verdween zijn vrouw tijdens een autorit door Bethesda Park in de Rocky Mountains; er waren verdenkingen geweest dat Hennan iets met haar verdwijning te maken had gehad, maar bewijzen ontbraken en hij werd niet in staat van beschuldiging gesteld. In juni 1984 werd Philomena McNaught dood verklaard en Hennan incasseerde 400.000 dollar aan verzekeringsgeld. Zowel de politie van Denver (uit de formulering meende Van Veeteren op te mogen maken dat Chief Lieutenant Horniman persoonlijk bij de zaak betrokken was geweest; zeer betrokken, waarschijnlijk) als detectives van de verzekeringsmaatschappij hadden veel moeite gestoken in het onderzoek naar de omstandigheden rond het lot van mevrouw Hennan, maar ze waren er niet in geslaagd genoeg belastend materiaal boven tafel te halen om Hennan voor het gerecht te slepen. Het huwelijk van Jaan G. Hennan en Barbara Delgado vond plaats een maand nadat de verzekering had uitgekeerd, en ongeveer een jaar later liquideerde Hennan zijn onderneming G. Enterprises, die zich vooral had toegelegd op de invoer van vruchtenconserven uit Zuidoost-Azië. Het echtpaar bleef in Denver wonen tot de verhuizing naar Europa in maart van dit jaar.

Van Veeteren las het rapport twee keer door.

Daarna ging hij voor het open raam staan en stak een sigaret op.

Niet te geloven, dacht hij. Volstrekt niet te geloven.

En nu wil die klootzak het nog eens overdoen.

Na de lunch hadden ook Reinhart en Münster het rapport van Horniman doorgenomen en ze kwamen bijeen in de kamer van de commissaris om te beraadslagen.

‘Eén ding is in ieder geval zeker’, zei Reinhart terwijl hij zijn pijp stopte. ‘Ik heb in mijn hele carrière nog nooit zoiets verdachts gezien. Als Hennan niet schuldig is, zal ik de grond kussen waarop je staat. Ook de grond waarop jij staat, Münster.’

Münster herinnerde zich de nagelknipbelofte van Van Veeteren, maar ging de weddenschap niet aan.

‘Het ligt er immers duimendik bovenop’, zei hij. ‘Ik sta er versteld van dat hij dit durft.’

De commissaris plofte op zijn bureaustoel neer.

‘Dat is nou juist het probleem’, zuchtte hij. ‘Hij durft waarschijnlijk alles, en hij weet verdraaid goed dat de bewijslast bij ons ligt.’

Reinhart knikte.

‘In principe kun je een aardig aantal vrouwen vermoorden’, zei hij. ‘Als je het handig aanpakt. Hoe heette die Engelse koning? Hendrik de …?’

‘De achtste’, zei Van Veeteren.

‘De achtste, ja. Hoewel hij niet op geld van de verzekering uit was, als ik me goed herinner. Hij wilde alleen mannelijke erfgenamen, hij had nooit genetica gehad.’

‘Hij hoefde zich ook niet veel aan te trekken van wetten, verordeningen en rechercheurs’, bracht Münster te berde. ‘Dat lag een beetje anders.’

‘Dus jij denkt dat onze vriend G. zich iets van de wet aantrekt?’ vroeg Van Veeteren zuur. ‘Dat is nieuw voor me.’

‘Hij trekt zich niets van de wet aan’, zei Münster. ‘Maar hij kent hem wel.’

Reinhart stak zijn pijp op.

‘We hoeven in ieder geval geen lijstje van verdachten op te stellen’, constateerde hij. ‘Dat is alvast iets. Nou, hoe gaan we hier nu mee verder? Nemen we die schoft in hechtenis? Dat is toch wel het minste wat we kunnen doen.’

De commissaris diepte een tandenstoker op uit zijn borstzakje en keek somber.

‘Daar ben ik niet zo zeker van’, zei hij. ‘G. weet natuurlijk dat hij vroeg of laat zal worden gearresteerd. Hij is op het hele circus voorbereid, hij heeft het verdomme allemaal al een keer meegemaakt, ginds in het land van melk en honing. Een soort repetitie. We moeten opnieuw contact opnemen met Horniman, misschien is er toch ergens een aanknopingspunt waarmee we verder kunnen …’

‘Vrome hoop’, zei Reinhart. ‘Maar natuurlijk. Ik kan hem wel bellen als je wilt.’

‘Doe dat’, zei Van Veeteren. ‘Het paradoxale is immers dat dit rapport voor ons niet veel verandert. Het is ons alleen nog duidelijker geworden wat voor vlees we in de kuip hebben en negenennegentig van de honderd juryleden zouden overtuigd zijn van zijn schuld. Maar daar schieten we dus niets mee op. In de rechtszaal gaat het om bewijzen en niet om overtuigingen, zoals de heren misschien weten, en het is aan ons om die aan te dragen. Bewijzen.’

‘Beyond a reasonable doubt’, mompelde Reinhart en hij blies een rookwolk uit. ‘Het heeft iets klassieks. Of bedoel ik klinisch?’

‘Het kan me niet schelen wat je bedoelt’, zei de commissaris. ‘Wat wij hoe dan ook moeten doen is aantonen wat hij heeft gedaan om zijn vrouw in het zwembad te laten belanden. En voorzover ik kan zien is er één mogelijkheid die waarschijnlijker is dan alle andere. Zo is het toch?’

‘Een handlanger’, zei Münster.

‘Precies. We moeten die kerel vinden die het vuile werk voor hem heeft opgeknapt … of we moeten het restaurant-alibi doorprikken. Deze Verlangen speelt immers op zijn minst een dubieuze rol.’

‘Misschien kunnen we hem het zwijgen opleggen?’ stelde Reinhart voor.

‘Dat zou misschien kunnen lukken’, zei Van Veeteren met een hoofdknik. ‘Ook al is het wel wat onethisch. Hij is immers belangrijk voor het alibi. Het is toch eigenaardig dat het slachtoffer op deze manier een alibi verschaft aan de dader …’

‘… En dat Verlangen er bovendien alle belang bij heeft dat Hennan wordt aangehouden’, voegde Münster eraan toe. ‘Ja, ik vind het ook eigenaardig.’

‘De goden spelen’, zei Van Veeteren en hij gooide een gebruikte tandenstoker uit het raam. ‘Al denk ik dat we moeilijk zullen kunnen beweren dat Hennan een uur lang is weg geweest uit het restaurant, met of zonder Verlangen. Bedenk wel dat we moeten bewijzen dat hij het heeft gedaan, niet alleen dat hij er de gelegenheid voor had. Bovendien is onze privéspeurneus niet de enige die hem heeft gezien.’

Het was even stil.

‘Er zitten niet veel onbekenden in deze vergelijking’, zei Reinhart met een peinzend gezicht. ‘We hebben als het ware alle kaarten in handen en toch …’

‘Absoluut niet’, viel de commissaris hem geërgerd in de rede. ‘We hebben maar één kaart in handen. Een grote, spottende joker die Jaan G. Hennan heet en die het leuk vindt om een loopje met ons te nemen.’

‘Oké’, gaf Reinhart toe. ‘Dat is misschien wel zo. Wanneer wil je hem gaan verhoren?’

De commissaris trok een lelijk gezicht.

‘Binnenkort.’

‘Dat mag ik hopen’, zei Reinhart. ‘Onderschat je eigen vermogen niet. Misschien stort hij in en bekent.’

‘Zou je denken?’ vroeg Van Veeteren.

‘Nee. Maar zouden we hem toch niet moeten laten bewaken? Als we niet van plan zijn hem meteen op te bergen.’

Van Veeteren stond op om aan te geven dat ze voor het moment genoeg hadden overlegd.

‘Is al geregeld’, zei hij. ‘Ik laat hem al sinds gisterochtend schaduwen.’

‘O?’ zei Münster. ‘Door wie dan?’

‘Door agent Kowalski.’

‘Kowalski!’ barstte Reinhart uit. ‘Waarom in vredesnaam Kowalski? Hij is zo subtiel als … als een hitsige labradorreu.’

‘Daarom juist’, zei Van Veeteren.

Reinhart dacht even na.

‘Oké dan’, zei hij vervolgens.

Gerechtsarts Meusse streek met zijn hand over zijn kruin en zette zijn bril recht.

‘Ben je klaar?’ vroeg Van Veeteren.

‘Zo klaar als maar kan.’

‘En?’

‘Hm. Je wilde vooral één ding weten, als ik je goed heb begrepen?’

‘Klopt’, zei Van Veeteren. ‘Laat horen.’

‘Het is onmogelijk om het met zekerheid te zeggen’, verklaarde Meusse. ‘Maar ook onmogelijk om iets uit te sluiten. Het letsel na zo’n duik is nogal omvangrijk.’

‘Kan ze eerst bewusteloos geslagen zijn?’

‘Dat lijkt me niet uitgesloten. Dat is alles wat ik ervan kan zeggen. Ze is in ieder geval op haar hoofd neergekomen.’

‘Zou het moeilijk zijn om haar met dat resultaat naar beneden te duwen?’

‘Helemaal niet. Zeker niet als ze bewusteloos was.’

‘Ik begrijp het’, zei Van Veeteren. ‘Nog meer?’

‘Wat wil je weten? Hoe dronken ze was? Maaginhoud?’

‘Dat weet ik al.’

‘Misschien één ding’, zei Meusse en hij bladerde in de map die voor hem op het bureau lag. ‘Ze had een kind gebaard.’

‘Een kind?’ zei Van Veeteren.

‘Ja’, zei Meusse. ‘Waarschijnlijk maar één. Misschien de moeite van het vermelden waard.’

‘Ja, ja’, zei Van Veeteren. ‘Misschien wel. Was dat alles?’

Meusse haalde zijn schouders op.

‘Bij lange na niet. Het volledige rapport zit in deze map. Alsjeblieft. Nee, je hoeft me niet te bedanken.’

Ik had hem een biertje moeten aanbieden, besefte de commissaris toen hij het kantoor verliet.

Een kind? dacht hij toen hij weer terug was op zijn kamer. Stond er iets over een kind in het rapport van Horniman?

Hij las het voor de derde keer door en constateerde dat dat niet het geval was.

Had dat er niet in moeten staan? vroeg hij zich af, maar hij kwam niet aan een standpunt toe. Hij ontdekte dat het al na vieren was en dat het de hoogste tijd was om naar de vergaderkamer te gaan voor de briefing.

De briefing na twee dagen werken aan de zaak-Hennan.

De zaak-G.

Hij vond het geen goede naam, maar hij begreep dat hij er zo naar zou verwijzen. Zolang die liep en in de toekomst. De zaak-G.