13

Nadat hij de situatie uit de doeken had gedaan – en nadat hem door de politiechef alle beschikbare middelen waren toegezegd – trok Van Veeteren zich met een kop koffie en een pakje sigaretten terug in zijn kamer.

Nadat hij zijn schoenen had uitgetrokken en zijn voeten op het bureau had gelegd, drong het opeens tot hem door dat ze vergeten waren om Trustor Verzekeringen op Münsters actiepuntenlijstje te zetten. Om onnodige hiaten te vermijden, pakte hij de hoorn op en vroeg directeur Kooperdijk te spreken.

Die was in vergadering, werd hem meegedeeld, maar hij zou terugbellen zodra die afgelopen was. Over een minuut of tien.

Onder het wachten rookte Van Veeteren twee sigaretten en dronk zijn koffie op, maar twintig minuten later had hij de directeur daadwerkelijk aan de lijn.

De commissaris vertelde van zijn gesprek met Verlangen en vroeg in discreet gekozen bewoordingen of je zomaar allerlei idiote verzekeringen mocht afsluiten.

Zeker wel, verklaarde Kooperdijk uit de hoogte. Het was allemaal een kwestie van inleg en gecalculeerde risico’s. Een zaak tussen verzekeraar en cliënt, twee vrije spelers op een vrije markt.

Van Veeteren liet zich wat nauwkeuriger informeren over de voorwaarden van Barbara Hennans levensverzekering, en het werd hem algauw duidelijk dat het precies klopte wat Verlangen had verteld. Het hele bedrag – één komma twee miljoen – verviel aan de begunstigde – Jaan G. Hennan – op het moment dat Trustor zwart op wit kreeg dat de doodsoorzaak niet in een van de categorieën doodslag, moord of zelfmoord viel.

Was het gebruikelijk dat ze juist die voorwaarden hanteerden? wilde de commissaris weten.

Het kwam voor, informeerde Kooperdijk hem. Ze hadden het recht om iedere willekeurige voorwaarde op te nemen in de polis. Dat was enkel en alleen een zaak tussen verzekeraar en verzekerde, zoals hij al had gezegd. In principe zou je een verzekering kunnen afsluiten die alleen uitkeerde in geval van moord of doodslag. Maar dat was wel ongewoon, gaf hij toe, dat kon alleen in principe. Hij was zelf nog nooit zo’n formulering tegengekomen, terwijl hij toch al meer dan dertig jaar in deze branche zat.

Eenendertig en een half om precies te zijn.

Van Veeteren zei dat hij weer contact zou opnemen. Hij bedankte en hing op.

Ik moet nakijken bij welke maatschappij ik verzekerd ben, dacht hij. Als het Trustor is, ga ik morgen over naar een andere.

Daarna keek hij op zijn horloge en besefte dat hij geen tijd meer had om te lunchen voor de vergadering van twee uur.

Hij vond een broodje dat na het bezoek van Verlangen tussen de rommel op zijn bureau was blijven liggen. Hij ging nog een kop koffie halen en bedacht dat het beter was dan niets.

Op twee na kwamen ze allemaal naar de vergadering. Inspecteur Nielsen was bezig met een geval van brandstichting in Sellsbach waarbij iemand was omgekomen, en brigadier DeBries was vrij.

Maar verder was iedereen present in de vergaderkamer. Inspecteur Heinemann. De rechercheurs Reinhart en Rooth en de kersverse agent Jung. En Münster natuurlijk. Zes gekwalificeerde misdaadbestrijders, inclusief Van Veeteren zelf. Dat was niet slecht, later konden ze verder kijken hoeveel voetvolk ze tot hun beschikking kregen. Hij ging ervan uit dat er een aantal dagen lang een flink aantal mensen nodig zou zijn, daarna werd dat hopelijk minder. Inspecteur Le Houde, die leiding gaf aan het technische team, was al op de hoogte gebracht van de situatie. Morgen zouden ze het huis van Hennan in Linden uitkammen.

Van Veeteren schraapte zijn keel en heette iedereen welkom. Hij verzocht hun de oren te spitsen en tien minuten lang beide hersenhelften in te schakelen. Daarna zouden ze koffiedrinken en de taken verdelen.

Waren er nu al vragen?

Nee, die waren er niet.

Hij nam de zaak in chronologische volgorde door. Niet zoals hij er kennis van had genomen, maar vanaf de aankomst van het echtpaar Hennan in Linden tot en met het bezoek van Verlangen aan het politiebureau die ochtend.

Toen hij klaar was, zei Reinhart dat hij in geen tijden zoiets akeligs had gehoord. Rooth was van mening dat hij in twee keer die tijd niet zoiets zonneklaars had gehoord, en de verlegen Heinemann gaf te kennen dat hij het nogal een eigenaardig verhaal vond.

‘Wat doen we als Hennan gewoon glashard ontkent?’ vroeg agent Jung.

‘Dat zal hij zeker doen’, zei de commissaris. ‘Het maakt niet uit hoeveel aanwijzingen we vinden of hoeveel er in zijn richting wijst. Hij zal nooit bekennen. Alles lijkt net zo zonneklaar als Rooth zegt, het probleem zal alleen zijn om dat in een rechtszaak hard te maken.’

‘Dat begrijp ik best’, zei Rooth. ‘Zou het vragenuurtje niet samenvallen met koffie?’

Van Veeteren pakte de hoorn op en belde juffrouw Katz.

De discussie, de koffie en het verdelen van de taken nam een uur in beslag. In die tijd merkte Van Veeteren tot zijn verbazing dat hij langzaam zijn concentratie begon te verliezen. De vragen over de trip van Barbara Hennan naar Aarlach, over Hennans bedrijf, over de kennissenkring van het echtpaar en hoe je die moest achterhalen – het ontsnapte allemaal op een eigenaardige manier langzaam aan zijn aandacht. Zijn bewustzijn werd traag maar schijnbaar onafwendbaar omsloten door een wolk van loomheid.

Te veel koffie en nicotine, dacht hij. Morgen neem ik een sinaasappel.

Münster en Reinhart zorgden er vooral voor dat er geen details verwaarloosd werden. De werkbelasting binnen de afdeling was al relatief hoog, vooral Rooth en Jung hadden het de afgelopen dagen druk gehad met een overval in Löhr en er waren natuurlijk bepaalde dingen die voorrang moesten krijgen. Reinhart had bijvoorbeeld nog zo veel vakantiedagen staan dat hij in die tijd twee keer de aarde rond zou kunnen reizen, beweerde hij.

‘Met het vliegtuig?’ vroeg Rooth.

‘Op de fiets’, verklaarde Reinhart.

Wat de commissaris vooral afleidde, en wat zijn trage gedachten in beslag nam, was het verhoor dat hij eerdaags met Hennan zelf zou hebben. Daar was geen twijfel over mogelijk. Toen de vergadering afgelopen was, trok hij zich opnieuw terug in zijn kamer om de voorwaarden voor die belangrijke ontmoeting onder de loep te nemen.

Als er één aspect van het politiewerk was dat hij het best beheerste van iedereen, dan was het de verhoortechniek. Dat vonden al zijn collega’s, dat wist hij, en alleen valse bescheidenheid had hem dat kunnen laten ontkennen.

Hij wist hoe je met mensen om moest gaan die iets op hun geweten hadden, zo simpel was het. Hij kon – in elf van de tien gevallen, had iemand beweerd – al na een paar vragen en antwoorden, weifelende blikken of overdreven uitingen van zelfverzekerdheid bepalen of hij met een schuldige of een onschuldige van doen had. Hij had geen idee waar hij dat talent vandaan haalde, maar het liet hem nooit in de steek en het kon honderden werkuren besparen in een onderzoek.

Want wanneer je eenmaal het antwoord had op de vraag ‘wie?’ dan hoefden er opeens veel minder middelen te worden ingezet. Het werd een ander spel. Man tegen man meestal. Oog in oog aan een wankele triplex tafel. We weten dat jij de dader bent. Kijk me aan. Je ziet dat ik dat zie, toch? Je ziet dat ik het weet. We zijn het helemaal eens, ik zie dat je weet dat ik het weet. Ga je nu meteen bekennen, of moeten we nog een dansje maken? Oké, ik heb alle tijd van de wereld Nee, je mag niet roken. Nog twee uurtjes dan? Daarna word je weer een nachtje in de cel opgesloten en morgenvroeg ben ik er weer … Nee, de koffie is helaas op.

Kalm aan, met veel pauzes. Daar zat een zekere schoonheid in. Een soort wrede esthetiek die deed denken aan stierenvechten of aan de vergeefse strijd van het ten dode opgeschreven dier. Hij probeerde meestal niet te analyseren wat hij daar mooi aan vond.

En nu ging het dus om G.

Hij vroeg zich opnieuw af hoe het zat met antipathie en distantie. Hoe zou het feit dat hij zo’n hartgrondige hekel had aan de verdachte en een diepe weerzin jegens hem koesterde de verhoren – hij twijfelde er geen seconde aan dat het er meer dan één zou worden – beïnvloeden? Het feit dat hij hem ronduit als een vijand beschouwde?

Moeilijk te zeggen. Je had het persoonlijke vlak en het professionele; zou het samenvallen ervan misschien een voordeel zijn als puntje bij paaltje kwam? Een bokser of een duellist moest zijn tegenstander toch gemakkelijker kunnen overwinnen als hij hem echt haatte? Of was dat niet waar?

Het was een manke en verwarrende vergelijking en hij besloot om niet op dezelfde voet voort te gaan. Hij kon beter proberen zichzelf in toom te houden en wat concretere vragen te stellen.

Was Jaan G. Hennan werkelijk schuldig aan de dood van zijn vrouw? Was er enige twijfel?

Beyond a reasonable doubt was het richtsnoer.

Hij pakte pen en papier en noteerde weer de oude stokpaardjes.

Motief?

Methode?

Gelegenheid?

Het was natuurlijk een schoolvoorbeeld. Motieven bij de vleet, wel 1,2 miljoen. Met de methode was het al even simpel gesteld: een duw in de rug en een val van veertien meter op een wit betegelde betonnen vloer; of misschien eerst een klap op het hoofd en daarna de diepte in met het slachtoffer.

Met de gelegenheid was het slechter gesteld. Aangezien het menselijkerwijs onmogelijk was om op twee plaatsen tegelijk te zijn, kon Jaan G. Hennan het niet zelf hebben gedaan als hij in restaurant Colombine in het centrum van Linden zat toen het gebeurde.

En het was de taak van de officier om uitsluitsel te geven – overtuigende feiten – op alle drie de punten. Niet op maar een ervan. Niet op maar twee.

Ergo? dacht commissaris Van Veeteren en hij zat te dubben of hij een sigaret of een tandenstoker zou pakken.

Betekent dit dat ik aan zijn schuld twijfel?

Hij koos de tandenstoker en begon erop te kauwen.

Helemaal niet. Hij is zo schuldig als Kaïn.

Ergo?

Hij dacht vijf seconden na.

Ergo waren er twee mogelijkheden.

Een: G. was op de bewuste avond weg geweest uit restaurant Colombine. Toch wel. Ondanks de wakende, maar vermoedelijk licht beschonken blik van Verlangen.

Twee: er was een handlanger.

Het was de tiende keer in de laatste vierentwintig uur dat hij tot die conclusie kwam.

Uitstekend, dacht hij. De analyse maakt stormachtige vorderingen.

Hij zag dat het al half vijf was en besloot naar huis te gaan. Aangezien het woensdag was, had hij ten minste een partijtje schaak met Mahler in het clublokaal in het vooruitzicht.

Terwijl hij in de lift stond op weg naar beneden, vroeg hij zich af of G. misschien schaakte.

Hopelijk niet, dacht hij en tegelijkertijd vroeg hij zich af waarom hij dat hoopte.

Het werden drie partijen. Een gewonnen, een verloren, een remise. Spaans, Russisch, Nimzo-Indisch. Die remise had ook winst moeten zijn, maar aan het eind verspeelde hij de pion voorsprong die hij had gehad. Het was half twaalf toen hij uit het clublokaal in de Slachterssteeg kwam en merkte dat de zomerwarmte van die ochtend er nog hing.

Het was geen avond om in een twijfelachtig echtelijk bed te gaan liggen, bedacht hij, terwijl hij naar huis wandelde over de Alexanderlaan en de Wimmergracht. Absoluut niet. Dus wat dan? Wat kon hij verder nog eens doen?

Toen hij twintig meter van huis en haard verwijderd langs zijn geparkeerde auto liep, wist hij het. Hij tastte in zijn jaszak naar de sleutels en ontdekte dat hij die bij zich had.

Waarom niet? dacht hij en hij maakte het portier open. Een uurtje meer of minder maakt toch niet uit?

Toen hij vijfentwintig minuten later op de Kammerweg parkeerde, stond Villa Zefier er even stil en ontoegankelijk bij als een lijkenhuis. Hij zette de motor uit en keek naar het donkere groen achter de metershoge bakstenen muur. Hij zag geen licht branden. Was G. thuis? Waarschijnlijk niet. Dan moest er ergens een lamp aan zijn. Binnen of buiten, en zo dicht waren de bosjes en de takken nou ook weer niet. Een streepje licht zou er altijd doorheen moeten dringen. Maar aan de andere kant, misschien lag hij te slapen. Het was na twaalven en het was immers niet onmogelijk dat G. ook nog een paar goede gewoonten had. Hoe onwaarschijnlijk ook. Van Veeteren draaide het zijraampje naar beneden, maar ook nu kon hij geen contouren ontwaren, niet van de springtoren en ook niet van het huis zelf.

Ideaal, dacht hij. De ideale plaats om je van je vrouw te ontdoen.

Hij stapte uit en stak een sigaret op. Hij overwoog even of hij over de muur zou klimmen om het hart van het duister van dichtbij te bekijken, maar zag ervan af. Melodramatische nachtelijke insluipingen waren niets voor hem en een ontmoeting met een slaapdronken moordenaar diende geen enkel zinnig doel. In plaats daarvan liep hij de straat door naar Villa Vigali. Hij constateerde dat het er daar even doods uitzag. Een straatlantaarn wierp een vuilgeel schijnsel een paar meter de tuin in, dat was alles. Hij liet de sigaret op het trottoir vallen en trapte de gloeiende peuk uit. Waar ben ik mee bezig? dacht hij. Welke machten probeer ik te bezweren?

Hij schudde zijn hoofd en liep terug naar zijn auto. Hij voelde opeens dat hij trek had.

Hoe kan ik verdorie nu opeens aan eten denken? vroeg hij zich af. Het moet betekenen dat mijn conditie ernstig tekortschiet.

Om de signalen van zijn lichaam toch niet helemaal te negeren reed hij terug naar het centrum van Linden, waar hij een hamburgerbar vond die open was. Met een grote mate van zelfoverwinning ging hij naar binnen en bestelde iets wat een dubbele hawaïburger speciaal werd genoemd. Hij ging op een bankje buiten op het plein zitten en at de helft van de burger op. De rest liet hij aan de duiven. Twee vrouwen met een even duidelijke als dubieuze handel en wandel draaiden om hem heen, maar ze deden geen van beiden een serieuze poging hem mee te tronen. Met plotselinge schaamte herinnerde hij zich zijn enige bezoek aan een hoer. Hij was negentien en had samen met een vriend in Hamburg een huis van lichte zeden opgezocht. In een kamer gevuld met de geur van zoet parfum en gefrituurde vis had hij de meest gênante twintig minuten van zijn leven doorgemaakt. Zijn vriend had de smaak te pakken gekregen en hun vriendschap was even snel verdwenen als water uit de gootsteen wanneer je de stop eruit trekt.

Het was tien voor een toen hij weer in zijn veelgebruikte Ford kroop en tijdens de rit terug naar Maardam leverde de vermoeidheid een gelijke strijd met zijn misselijkheid.

Jakkes, dacht hij. Voor mij geen hawaïburger meer. Nooit meer.