12

Op woensdagochtend had commissaris Van Veeteren ruzie met zijn vrouw. Het was niet helemaal kristalhelder waar die over ging, vermoedelijk praatten ze langs elkaar heen. In ieder geval had Renate het laatste woord, doordat ze met de vlakke hand op tafel sloeg en zei dat het geen wonder was dat Erich zo was, met zo’n vader.

Van Veeteren had willen antwoorden dat alle goede genen en eigenschappen van zijn moeder de gebreken misschien hadden kunnen compenseren, tenminste tot op zekere hoogte, maar toen was ze de keuken al uit. Terwijl hij het schaakprobleem uit de Allgemejne oploste, dacht hij opnieuw na over de vraag waarom ze niet doorzetten en voorgoed uit elkaar gingen – en over de vraag wat een dergelijke ontwikkeling voor invloed op hun ontaarde zoon zou kunnen hebben.

Het was waar dat je wist wat je had en niet wat je kreeg, maar erger kon het niet worden, concludeerde hij.

De kleine controverse aan het ontbijt had ook een gunstig effect gehad, besefte hij toen hij in de zon op de Wimmerstraat stond. Deze had G. even uit zijn gedachten verdreven en dat was echt weleens goed. Het kwam niet vaak voor dat een onderzoek hem zo bezighield, en wat Hennan betreft, dat was niet eens een onderzoek. De zaak, voorzover het een zaak was, lag nog steeds op het bordje van commissaris Sachs in Linden. De recherche van Maardam was erbij betrokken geraakt in een soort van adviserende functie, maar had de zaak nog niet overgenomen.

Nog niet? dacht hij terwijl hij op de loopbrug over de Wimmergracht bleef staan om een sigaret op te steken. Wat bedoel ik daarmee? Als het alleen een kwestie van tijd is, is er toch geen reden om het uit te stellen?

Al helemaal niet als ik er ’s nachts van wakker lig. Verdomme!

Hij had gisteravond eindelijk privédetective Verlangen te pakken gekregen. Hij had alleen gecheckt of de gegevens van commissaris Sachs klopten en een afspraak gemaakt met Verlangen, die bij hem op het bureau zou komen.

Vanochtend. Over een half uur om precies te zijn, ontdekte hij toen hij langs de Keymerkerk kwam en een blik op de grote bleekgele wijzerplaat wierp.

Dat zou een hoop duidelijkheid moeten opleveren. Verlangen zou zoveel informatie moeten kunnen geven dat hij kon besluiten of hij het onderzoek moest overnemen of niet. Of het de moeite waard was om een vooronderzoek te starten met die eikel van een G. in de hoofdrol, en eindelijk de boel aan het rollen te brengen.

Maar raar was het wel. Heel raar. Zowel de manier waarop Barbara Hennan was overleden als de dubieuze rol van de privéspeurneus. Hij vroeg zich af hoe hij zich zou hebben opgesteld als het niet om G., maar om iemand anders was gegaan.

Hij zou er in ieder geval niet dat irritante gevoel van betrokkenheid bij hebben gehad, concludeerde hij, maar dat privéaspect hoefde toch niet te betekenen dat hij nu ten prooi viel aan foute vooroordelen? Niet per se. Kennis van de persoon was natuurlijk een voordeel in een onderzoek. Als je er maar goed mee omging; er genoeg afstand van kon nemen, zogezegd.

Hij besloot om die noodzakelijke distantie goed in gedachten te houden. Voor boekhandel Kooner hield hij stil, hij tuurde naar de wolkeloze hemel en wurmde zich uit zijn jasje. De zon was al behoorlijk warm en er verschenen steeds grotere scharen toeristen op het Keymerplein. Hij bleef even naar het schouwspel staan kijken. Voor café Kellner was het obligate Zuid-Amerikaanse volksmuziekgroepje bezig zijn instrumenten klaar te zetten, ook al was het nog maar half tien, twee meisjes van een jaar of twaalf kwamen snel het plein over gelopen met een ijsje in hun hand, en op de terrasjes zaten al dames met blauwe kapsels en heren met een buikje een vloeibaar ontbijt tot zich te nemen.

Zomer, dacht hij. Het lijkt erop dat het dit jaar weer zomer wordt. Niet te geloven.

Privédetective Verlangen was tien minuten te laat, maar had desondanks die ochtend geen kans gezien zich te scheren. Vermoedelijk gisteren ook niet, schatte Van Veeteren in en hij vroeg of hij koffie wilde.

Dat wilde hij wel. De commissaris raadde dat hij met alleen een biertje had ontbeten en bestelde ook een paar broodjes ham bij juffrouw Katz beneden op het kantoor.

‘Dank u wel’, zei Verlangen. ‘Ik ben laat opgestaan. Soms doe ik ’s nachts geen oog dicht.’

Het viel de commissaris op dat hij er onverzorgd uitzag. Hij droeg een verwassen katoenen overhemd met korte mouwen waaraan een knoop ontbrak. Een versleten, zwarte spijkerbroek en afgetrapte sandalen. Hij had wallen onder zijn ogen en vettig melkboerenhondenhaar, dat al een hele poos geleden geknipt of helemaal verwijderd had moeten worden.

Kennelijk was het leven van Maarten Verlangen sinds hij het korps vijf jaar geleden had verlaten, niet over rozen gegaan. Dat had Van Veeteren ook niet verwacht, maar hij voelde toch een steek van medelijden met de afgetobde man, die nu schichtig rondkeek en naar een sigaret tastte.

‘Mag ik hier roken?’

‘Ga uw gang’, zei Van Veeteren. ‘De koffie en de broodjes komen zo, dat zei ik al.’

Verlangen stak een sigaret op en inhaleerde diep.

‘Ik heb helemaal niet geslapen’, zei hij. ‘Het is een hele vreemde geschiedenis, dat met die mevrouw Hennan.’

‘Waarom hebt u niet eerder contact met ons opgenomen?’ vroeg Van Veeteren. ‘We zijn bijna een week verder.’

‘Mijn excuses’, zei Verlangen. ‘Maar ik kwam er afgelopen maandag – eergisteren dus – pas achter wat er was gebeurd. U moet niet denken dat ik … dat ik nog problemen met de politie heb na wat er vijf jaar geleden is voorgevallen. Dat was mijn eigen schuld en ik heb mijn lesje geleerd.’

‘Ik ken het verhaal’, zei de commissaris. ‘Soms kom je in een onmogelijke situatie terecht. U hebt de consequenties gedragen, en voor mij is daarmee de kous af.’

Verlangen keek hem een paar seconden met een ietwat onvaste blik aan.

‘Dank u wel’, zei hij weer. ‘Ja, zo gaan die dingen. Ik zou denken dat we hoe dan ook aan dezelfde kant staan wat deze meneer Hennan betreft. Hij is een naar heerschap en niets zou me een groter plezier kunnen doen dan hem opnieuw achter de tralies zetten.’

Van Veeteren knikte.

‘Als ik het goed heb begrepen, hebt u hem de vorige keer te grazen genomen?’

‘Klopt’, zei Verlangen. ‘Samen met een collega van me. Hij heeft tweeënhalf jaar gekregen, terwijl het vermoedelijk het dubbele had moeten zijn.’

‘Dat denk ik ook’, zei Van Veeteren. ‘Maar soms moet je voor weinig al dankbaar zijn.’

‘Dat heb ik ook geleerd’, zei Verlangen met een scheef glimlachje. ‘De afgelopen jaren, bijvoorbeeld. Zullen we nu de omstandigheden even doornemen? Ik heb ook nog een mooi nieuwtje, maar dat vertel ik daarna wel.’

‘Een nieuwtje?’ vroeg Van Veeteren. ‘Over Hennan?’

‘Een bom’, zei Verlangen. ‘Daar moeten een paar mannetjes op gezet worden, hou daar maar vast rekening mee. Maar laten we bij het begin beginnen …’

De commissaris zette de cassetterecorder aan, maar zette die meteen weer uit, aangezien er op de deur werd geklopt en juffrouw Katz binnenkwam met koffie en een schaal met broodjes. Verlangen wachtte tot ze de kamer weer uit was, nam twee happen, spoelde die weg met een slok koffie en stak van wal.

Het duurde een half uur, inclusief de vragen van de commissaris, de preciseringen en de herhalingen, vooral toen Verlangen het had over de donderdagavond in restaurant Colombine. Toen Van Veeteren zei dat hij zo voorlopig genoeg wist, was het tijd voor de genoemde bom.

‘Kent u Trustor, commissaris?’

‘De verzekeringsmaatschappij?’

‘Ja. Daar werk ik ook voor … of werkte, in ieder geval. Gistermiddag werd ik bij de directeur geroepen. Om twee redenen. Enerzijds wilde hij mij eruit schoppen omdat ze niet tevreden waren over mijn resultaten, anderzijds gaf hij mij de kans me te rehabiliteren … om het zo maar te noemen. Kunt u raden om wie het ging?’

De commissaris schudde zijn hoofd. Hoe kan ik dat nou raden? dacht hij.

‘Om Jaan G. Hennan.’

‘Om Hennan?’

‘Jazeker. Dezelfde. Hij heeft namelijk een maand geleden een levensverzekering op zijn vrouw afgesloten. Als blijkt dat ze een natuurlijke dood is gestorven in het zwembad, strijkt hij één komma twee miljoen op.’

‘Wat?’ zei Van Veeteren.

‘Eén miljoen tweehonderdduizend. Wat zegt u me daarvan?’

Van Veeteren staarde Verlangen aan.

‘Eén miljoen…’

‘Tweehonderdduizend, ja. Dat is toch niet normaal. Als iemand ooit een motief heeft gehad om zich van zijn vrouw te ontdoen, dan is het Jaan G. Hennan wel. Langs natuurlijke weg, welteverstaan.’

Van Veeteren merkte dat zijn mond openhing. Hij deed hem dicht en schudde langzaam zijn hoofd.

‘Dat is toch …’ zei hij. ‘En hier hebt u gisteravond over de telefoon niets over gezegd. Waarom in vredesnaam niet?’

‘U zei zelf dat het beter was om elkaar onder vier ogen te spreken. Bovendien had ik zelf ook tijd nodig om na te denken.’

‘Nadenken? Waarover?’

Verlangen keek even beschaamd.

‘Over mijn eigen rol, natuurlijk. Tegenover Trustor. Als ik Hennan eigenhandig oppak, is mijn kostje voorlopig gekocht … als u begrijpt wat ik bedoel. Maar daarna bedacht ik dat we elkaar misschien een handje konden helpen.’

‘Alsjeblieft, zeg’, liet de commissaris zich ontvallen. ‘U klinkt als een verwaande Amerikaanse detective uit de jaren veertig.’

‘Dat is mijn vak’, zei Verlangen. ‘Sorry. Ja, nu weet u in ieder geval alles wat ik weet. Ik vond het leuk om hier weer eens op het bureau te zijn.’

‘Kan ik me voorstellen’, zei Van Veeteren. ‘Het zal waarschijnlijk niet de laatste keer zijn.’

‘Nee’, zei Verlangen. ‘Dat idee had ik al. Maar ik wil dat schorriemorrie dolgraag in de kraag vatten. Eerlijk gezegd … ja, eerlijk gezegd jaagt die man me de stuipen op het lijf.’

Mij ook, dacht Van Veeteren, maar dat zei hij niet.

Na het gesprek met Maarten Verlangen nam de commissaris de lift naar de kelder van het bureau en ging een uur in de sauna zitten. Waarschijnlijk speelde hierbij weer een variant op een stelregel van Borkmann mee.

‘Wanneer je hersenen kraken van de gedachten en de dadendrang, stap dan even uit de trein en kom tot rust’, had Borkmann hem twintig jaar geleden geïnstrueerd. ‘Haastige spoed verdraagt zich uiterst zelden met verstandig nadenken.’

Terwijl hij op de bank zat te piekeren werd hij niet veel wijzer, het werd hem alleen duidelijk dat juist deze regel waarschijnlijk juist in deze zaak heel erg van toepassing was.

Haast was het laatste wat hij hoefde te hebben, besefte hij toen hij goed begon te zweten. Als G. zijn vrouw op de een of andere manier van het leven had beroofd, had hij het gedaan om aan het verzekeringsgeld te komen: één komma twee miljoen gulden. De commissaris had veel zin om eens te onderzoeken hoe het er eigenlijk met het gezonde verstand en de hersenkronkels van Trustor Verzekeringen voor stond.

Maar ze zouden absoluut geen cent uitkeren zolang het politieonderzoek liep, dat was duidelijk. Jaan G. Hennan zou er niets mee opschieten om te vluchten of uit de buurt te blijven. Verzekeringsmaatschappijen stonden er niet om bekend dat ze mensen gingen zoeken om hun alsjeblieft geld te mogen geven.

Van Veeteren schepte zo veel water op de hete stenen dat de stoom nauwelijks te harden was.

G. kon dus alleen maar wachten. Wachten terwijl de molens van de gerechtigheid met de gebruikelijke traagheid doormaalden. Voor de politie en het om was het met andere woorden zaak een vooronderzoek te openen en de tijd te laten verstrijken, G. te laten zweten en piekeren. Normaal gesproken stonden er twee maanden voor, maar als er meer tijd nodig was, zou de officier van justitie vast wel over te halen zijn om er nog een paar maanden bij te doen.

Dat wil zeggen: als ze niets vonden, maar ze zouden er verdorie wel voor zorgen dat ze iets vonden. Hij zou genoeg onomstotelijke bewijzen vinden tegen deze buitengewoon weerzinwekkende man. De moordenaar Jaan G. Hennan!

Er zouden middelen voor vrijgemaakt worden.

Hij goot nog een schep water over de stenen en plotseling kwam het beeld van een dier bij hem op. Een soort mentale – of misschien psychofysische – hybride van een draak en een sfinx, voorzover hij het kon beoordelen. De slechtheid spoot als gloeiende lava uit zijn ogen en zijn bek, en hijzelf, de onverdroten, integere commissaris Van Veeteren, was een … een nobele strijder voor het licht en het goede, een ridder die zijn witte paard de sporen gaf, gewapend met een lans of met het vlammend zwaard der wet …

Hij zag sterretjes en wankelde de sauna uit. Mijn god! dacht hij. Mijn hersenen koken, wat doe ik mezelf aan?

Voordat hij de confrontatie met politiechef Hiller aanging, stelde hij samen met Münster de richtlijnen op. Dat was niet al te ingewikkeld; Münster maakte aantekeningen en kon gaandeweg constateren dat het werk langs zes verschillende lijnen diende voort te schrijden. In eerste instantie.

In de eerste plaats moest Villa Zefier grondig worden doorzocht. Met technisch rechercheurs, een fijne kam en de hele reut. Weliswaar had G. eonen de tijd gehad om alles op te ruimen, maar je mocht natuurlijk geen enkele kans onbenut laten.

In de tweede plaats moesten ze zo nauwkeurig mogelijk in kaart brengen wat Barbara Hennan op die noodlottige donderdag had gedaan. Was ze echt in Aarlach geweest? Zo ja, wat had ze daar dan gedaan? Wanneer was ze in Linden teruggekeerd? Waarom had ze zoveel alcohol gedronken? Et cetera. Hier waren een heleboel vraagtekens, en als je een paar ervan in uitroeptekens kon veranderen, mocht je waarschijnlijk al dankbaar zijn.

In de derde plaats hadden ze informatie nodig over de achtergrond van het echtpaar in de vs. Vooralsnog moesten ze wachten op de gegevens die ze al opgevraagd hadden, en die hopelijk vandaag of morgen zouden komen. Op basis van die informatie moesten ze besluiten of er een reden was om op dit spoor verder te gaan.

In de vierde plaats moest de kennissenkring van Jaan G. Hennan worden onderzocht. Wat had hij gedaan in de tijd na zijn terugkeer? Welke contacten had hij aangeknoopt? Had hij nog vrienden en bekenden over uit de jaren zeventig … en had het echtpaar Hennan echt geen gemeenschappelijke kennissen behalve de Trotta’s, de buren met wie het kennelijk niet erg goed klikte?

In de vijfde plaats – en hier drong Münster op aan – was het van belang contact te blijven houden met privédetective Verlangen. Misschien had hij een detail vergeten in zijn gesprek met de commissaris? Misschien kon hij hun nog met andere dingen behulpzaam zijn? Net zoals hij had opgemerkt, stonden ze helemaal aan dezelfde kant in deze zaak. Verlangen had er puur persoonlijk belang bij om Hennan achter de tralies te krijgen en het zou dom zijn om van die omstandigheid geen gebruik te maken. Op de een of andere manier. Ook al was het nog zo’n aan lager wal geraakte privédetective met wie ze te maken hadden.

De commissaris dacht een paar seconden na over Münsters argumentatie op dit punt. Vervolgens humde hij en was het met hem eens. Het was waar, het kon geen kwaad.

In de zesde en voorlopig laatste plaats was het vanzelfsprekend van het grootste belang om de eigenlijke doodsteek in te zetten. Met de grootst mogelijke precisie.

Het verhoor van Jaan G. Hennan. Hierbij was het van belang om geen misstap te begaan. Tijdens het vorige gesprek had Van Veeteren al een krachtmeting voelen aankomen, en G. wist natuurlijk ook wel wat hem te wachten stond. Daar was hij zich waarschijnlijk evenzeer van bewust als van zijn adem op maandagochtend, dacht de commissaris.

Geen zijden handschoentjes. Geen truttige consideratie. Van Veeteren wist dat Jaan G. Hennan schuldig was, en Hennan wist dat hij het wist.

Duidelijker kon het haast niet worden.

Of moeilijker.

Aangezien er nog geen tijdsdruk was, waren Münster en Van Veeteren het erover eens dat het verstandiger was de eerste belangrijke confrontatie een paar dagen uit te stellen. Ze konden beter eerst de technische recherche op hem afsturen en hem nog even in spanning laten. Tot vrijdagavond, besloot de commissaris. Dat was over twee dagen en als je de keuze had was het altijd een voordeel om op een ongebruikelijk tijdstip toe te slaan.

Eigenlijk zou hij G. het liefst ’s nachts in een geblindeerd busje hebben opgehaald – hij vroeg zich weleens af hoe hij het gevonden zou hebben om commissaris te zijn in de Sovjet-Unie van de jaren dertig – maar die variant bracht hij niet ter sprake, uit consideratie met de tere ziel van rechercheur Münster.

‘Dat was het dan’, constateerde hij en hij nam de aantekeningen mee. ‘Ik denk dat het tijd wordt voor een kort offensief bij de bloemkweker. Ga je mee?’

Münster glimlachte even en sloeg het aanbod af.

‘We zullen de middelen er toch wel voor krijgen?’ vroeg hij.

‘Dat lijkt me geen probleem’, zei de commissaris. ‘Dit is een verdomd ernstige zaak … ik trakteer je op een biertje wanneer we hem hebben opgepakt.’

Dan is het nu ernst, dacht Münster. Dodelijke ernst.