11

Toen Verlangen het politiebureau van Linden verliet, had hij drie min of meer onverenigbare gevoelens.

In de eerste plaats was het fijn om dit akelige Hennan-verhaal kwijt te zijn. Het was bijna op de kop af een week geleden dat de mooie Amerikaanse bij hem op kantoor was verschenen; nu was ze dood en was het aan de politie om uit te zoeken wat er eigenlijk was gebeurd. Niet aan Maarten Baudewijn Verlangen.

In de tweede plaats voelde hij zich leeg van binnen. Alsof hij iets had opgegeven; onduidelijk wat, maar hij ontkwam niet aan het idee dat hij zijn opdracht op de een of andere manier had verzaakt. Als een particulier detective enige morele functie had in de maatschappij, dan was het wel dat hij kon ingrijpen en dingen recht kon zetten wanneer de politie dat niet kon. Zo motiveerde hij zijn bestaan in ieder geval altijd op momenten waarop hij zijn ruggengraat moest rechten.

Zijn theoretische ruggengraat. Het leven was niet altijd even mooi, en Maarten Verlangen begreep hoe belangrijk het was om zijn beweegredenen bij te stellen om overeind te blijven in alle ellende. Op dat punt was hij niet beter of slechter dan zogenaamde gewone brave burgers.

Maar in het geval van Barbara Hennan was hij tekortgeschoten, daar kon je nauwelijks omheen. Ze was bij hem gekomen met een vaag verzoek om hulp. Hij had geen moer uitgevreten, nu was ze dood en hij had het probleem bij de politie neergelegd. Wat je er ook van kon vinden, niet dat hij zich er op een nette manier van had afgemaakt.

Shit, dacht hij. Ik ben een eersteklas klootzak.

Het derde gevoel was van het triviale, alledaagse soort. Hij had dorst. Hij had verschrikkelijk veel zin in een groot glas bier, en voordat hij de auto pakte en terugreed naar Maardam, glipte hij Henry’s café in en zorgde ervoor dat in ieder geval zijn vochtbalans werd hersteld.

Dat is tenminste iets, dacht hij. Eén ding tegelijk.

Directeur Kooperdijk van Trustor Verzekeringen deed denken aan een kleine stier.

Hij leek ook sprekend – als twee druppels water bijna – op Verlangens ex-schoonvader, en als Verlangen hem in de staalblauwe ogen probeerde te kijken, was dat altijd met een gevoel van onbehagen. De man straalde zoveel energie uit, af en toe moest er wat stoom van de ketel in de vorm van agressiviteit en beledigingen. Een soort veiligheidsklep, dacht Verlangen altijd. Anders kookte hij nog over. Met Martha’s krachtpatser van een vader was het precies hetzelfde. Als hij één ding niet miste na de scheiding, dan waren het wel de confrontaties – en de weinig subtiele toespelingen op tekortkomingen en nalatigheden – tijdens het verplichte zondagse diner één keer per maand in de grote villa in Loewingen.

Dat was hij er dan toch maar mee opgeschoten.

Maar de blik die directeur Kooperdijk over het bureau in het luxe kantoor aan het Keymerplein op hem afvuurde, riep dus altijd herinneringen op.

Nu ook weer. Het was half drie ’s middags. Verlangen was een kwartier te laat gekomen, hij weet het aan het parkeerprobleem in het centrum, aangezien het ontactisch geweest zou zijn om toe te geven dat Henry’s bier de oorzaak was.

‘Ga zitten’, zei Kooperdijk. ‘We hebben een probleem.’

Verlangen ging op de lage stoel recht voor het bureau zitten. De stoel van Kooperdijk was minstens vijftien centimeter hoger, en dat was natuurlijk geen toeval.

‘Een probleem?’ vroeg Verlangen en hij stopte stiekem twee keelpastilles in zijn mond. ‘Wat voor probleem?’

‘Beter gezegd twee problemen’, zei Kooperdijk.

‘Nee, toch?’ zei Verlangen.

‘Het eerste betreft jouw diensten.’

‘Mijn diensten?’

‘Jouw zogenaamde diensten voor ons, ja. We hebben de afspraak nog eens heroverwogen. Het laat allemaal nogal te wensen over.’

‘Ik dacht dat het naar tevredenheid was geweest’, zei Verlangen.

‘Daar valt over te twisten.’

‘Ik volg het niet helemaal’, gaf Verlangen toe. Ter zake, mannetje, dacht hij.

‘Ik snap wel dat jij doorgaans tevreden bent’, ging Kooperdijk verder en hij vouwde zijn handen voor zich op het bureau. ‘Maar wij niet altijd.’

‘Bijvoorbeeld?’ vroeg Verlangen.

‘De zaak-Westergaade’, zei Kooperdijk. ‘Niet zo geslaagd. Het geval van dat advocatenkantoor. Helemaal niet geslaagd.’

Verlangen dacht na.

‘Je kunt niet verlangen dat ik problemen aan het licht breng die er niet zijn’, zei hij.

‘Nee?’ vroeg Kooperdijk met een uitgestreken gezicht. ‘Daar kun je ook heel verschillend over denken. Dan is er nog jouw persoonlijke handel en wandel.’

‘Wablief?’ zei Verlangen en hij maakte zich zo lang mogelijk, zodat hij ten minste op het bureau kon kijken. ‘Mijn persoonlijke …?’

Kooperdijk leunde op zijn ellebogen naar voren.

‘Mevrouw Donck, een van onze schade-experts, heeft jou twee weken geleden in Oldener Maas gezien. Je was niet op je best.’

Verlangen zweeg.

‘Zo dronken als een tor, zei ze. Je schijnt haar vriendin in de bar lastig te hebben gevallen.’

Daarom zitten vrouwen toch in bars? dacht Verlangen en hij liet zich weer achteroverzakken in de stoel. Die willen toch lastiggevallen worden?

‘Dat moet een misverstand zijn geweest’, zei hij.

‘Vast en zeker’, zei Kooperdijk instemmend. ‘De vraag is alleen wie wat verkeerd had begrepen.’

Verlangen deed even zijn ogen dicht en overwoog een moment om gewoon op te staan en weg te gaan. Hij wilde plotseling dat hij op een Grieks eiland was. Maar niet op Kreta, de Minotaurus hoefde voor hem niet.

‘Ik begrijp het’, zei hij. ‘Het zal niet meer gebeuren.’

‘Vermoedelijk niet’, zei Kooperdijk. ‘Hoe dan ook, we weten op dit moment niet of we nog wel langer gebruik willen maken van jouw diensten. Heb je op dat punt nog iets toe te voegen?’

‘Helemaal niets’, zei Verlangen.

‘Tenzij we verbetering zien. Dan wordt het natuurlijk wat anders.’

‘Dat hoop ik’, zei Verlangen.

‘Zoals ik zei, we hebben dus nog een probleempje.’

‘Ja, ik weet nog dat u dat zei.’

‘Of beter gezegd een groot probleem.’

‘O ja?’

‘Als je wat meer gedrevenheid zou kunnen tonen in deze zaak, zou dat je positie natuurlijk ingrijpend veranderen.’

Verlangen kuchte. Aangezien je niet mocht roken op de kamer van Kooperdijk, stopte hij nog twee keelpastilles in zijn mond.

‘Laat horen’, stelde hij optimistisch voor. ‘Een groot probleem?’

Directeur Kooperdijk opende een rode map en haalde er een blaadje uit. Hij zette omstandig een leesbril op die zijn stierenfysionomie enigszins verzachtte.

‘Hrrm’, zei hij. ‘Het gaat om een levensverzekering. Nogal kostbaar voor ons als we onze kaarten niet goed spelen.’

Verlangen wachtte.

‘Eén komma twee miljoen, om precies te zijn.’

‘Eén komma …?’

‘Twee, ja. Veel geld. Veel te veel. En er zit een adder onder het gras, om een twijfelachtige bron te citeren. Een dikke, vette adder, waarschijnlijk.’

‘O?’ vroeg Verlangen. ‘Ja, als dat zo is, ben ik natuurlijk bereid om te doen wat ik kan. Hoe staat het ervoor?’

Kooperdijk zette zijn bril af.

‘Het ziet er niet goed uit’, zei hij. ‘Absoluut niet. Een maand geleden hebben we iemand een levensverzekering verstrekt. De eerste premie is keurig betaald, en nu ziet het ernaar uit dat de verzekerde ons is ontvallen.’

‘Overleden?’ vroeg Verlangen.

‘Overleden’, constateerde Kooperdijk en hij snoot zijn neus in een bonte zakdoek die hij uit zijn broekzak had gevist. ‘De pijp aan Maarten gegeven. Het hoekje om, naar gene zijde. Hoe je het maar wilt noemen.’

‘Ik volg het’, bevestigde Verlangen.

‘Trustor heeft altijd een hoge moraal gehad’, constateerde Kooperdijk en hij keek naar de rij diploma’s aan de muur tegenover hem. ‘Wij hebben verzekeringen verstrekt waar andere maatschappijen weifelden. Een hoge risicofactor en een navenante premie. We staan al minstens dertig jaar lang hoog aangeschreven …’

Als hij begint te zemelen over de hond van de operazangeres, steek ik een sigaret op en ben ik weg, dacht Verlangen.

‘… dat hoef ik jou natuurlijk niet te vertellen. Er zijn echter grenzen, en er zijn klanten die er niet voor terugdeinzen misbruik te maken van onze ruimhartige policy. Deze zaak is er zonder twijfel een voorbeeld van. De verzekerde heet Barbara Hennan, misschien heb je haar naam wel in de krant zien staan?’

Verlangens hart bleef stilstaan.

‘Barb…?’ wist hij uit te brengen.

‘Barbara Hennan, ja. Ze is vorige week overleden. De verzekering keert uit aan haar man, een zekere Jaan G. Hennan. Tenzij we dat weten te voorkomen. Eén komma twee miljoen, zoals ik al zei.’

Verlangen slikte zijn keelpastilles door en zijn hart kwam weer op gang.

‘Wat is er met jou?’ vroeg Kooperdijk.

‘Wat er is?’ zei Verlangen. ‘Niets … alleen een beetje duizelig.’

‘Duizelig terwijl je zit?’ vroeg Kooperdijk. ‘Hoe oud ben je?’

Verlangen probeerde weer rechtop op de stoel te gaan zitten.

‘Ik heb een griepje gehad’, legde hij uit. ‘Stelt niets voor. He… Hennan, zei u?’

Ik droom, dacht hij, maar hij durfde niet in zijn arm te knijpen onder de waakzame stierenogen van Kooperdijk.

‘Hennan, ja. Het riekt al van verre naar bedrog, dat kan een ezel begrijpen. Over ezels gesproken, de politie is ingeschakeld, maar die schijnt te neigen naar een ongeluk.’

‘O ja?’ zei Verlangen. ‘En wat zijn de voorwaarden? De polisvoorwaarden bedoel ik.’

‘Een natuurlijke dood. Daar wordt een ongeluk helaas ook toe gerekend. Als iemand haar een handje heeft geholpen, of wanneer ze het zelf heeft gedaan, dan hoeven we niet uit te keren. Doodslag, moord, zelfmoord … maakt niet uit. Dat moeten we ervan zien te maken.’

Ervan zien te maken, dacht Verlangen. Hij is niet wijs.

‘Zijn de premissen je duidelijk?’ vroeg Kooperdijk en hij keek hem aan.

Verlangen antwoordde niet. Ik heb meer premissen gezien dan jij denkt, mannetje, dacht hij. Maar ik begrijp ze niet. Begreep ik ze maar.

‘Ga maar naar Krotowsky, dan licht hij je in detail in over deze zaak’, zei Kooperdijk. ‘Zorg nu dat je ons deze kleine dienst bewijst, dan vergeten we al het oude zeer. Ik hoef vast niet te zeggen dat kosten noch moeite gespaard hoeven te worden?’

Verlangen hees zich moeizaam uit de stoel en voelde zich even echt duizelig.

‘Kan ik nu meteen naar Krotowsky of …?’

‘Nu meteen’, bevestigde directeur Kooperdijk.

Brigadier Münster won alle vier de sets van de badmintonwedstrijd tegen Van Veeteren. Zoals te doen gebruikelijk. In het begin had het er heel even om gespannen, maar van 5-5 ging hij via 9-6 en 12-8 naar een geruststellende 15-11. De overige sets won hij op zijn sloffen: 15-6, 15-8 en 15-4.

‘Ik heb een spiertje verrekt in mijn onderrug’, was het commentaar van de commissaris op weg naar de douche. ‘Daardoor kon ik niet voluit gaan, de volgende week veeg ik de baan met je aan.’

‘Wie dan leeft, wie dan zorgt’, zei Münster.

‘Die Hennangeschiedenis spookt ook steeds door mijn hoofd’, ging Van Veeteren verder. ‘Ik snap het niet goed. Als ik een pientere brigadier was, zou ik eens laten zien wat ik waard was.’

‘Begrepen’, zei Münster.

In de auto op weg naar de sporthal was hij al op de hoogte gesteld van het nieuwe element in de zaak. Het probleem van de snuffelaar, zoals de commissaris het noemde. Hij had ook verteld dat hij wist wie Maarten Verlangen was – een van die politiemensen, kennelijk, die op de lange duur het onderscheid tussen goed en kwaad niet konden maken – en dat hij het korps met de staart tussen de benen had verlaten om een onzekere toekomst tegemoet te gaan. Kennelijk. Vijf of zes jaar geleden. Als de commissaris het zich goed herinnerde.

Münster kon het alleen maar met hem eens zijn. Het was echt een vreemde geschiedenis. Nadat hij Van Veeteren bij het Randerspark had afgezet en in de file stond op weg naar zijn huis in een buitenwijk, dacht hij daar nog eens over na.

Want als Barbara Hennan echt een privédetective in de arm had genomen om haar man te schaduwen, dan moest er meer achter zitten. Maar wat? vroeg Münster zich af. Wat? Misschien had ze vermoed dat er iets broeide. Dat moest toch haast wel? Misschien was ze bang dat haar man het op de een of andere manier op haar had voorzien. Hoe dan ook, Verlangen moest er meer over weten.

En de commissaris zat te piekeren. Münster had geleerd dat je Van Veeterens vermoedens en intuïtieve ingevingen serieus moest nemen. Drie jaar geleden – toen hij nog maar pas bij de recherche was – had hij zijn best moeten doen om zich niet te ergeren aan de rare gedragingen en bizarre ideeën van de commissaris, maar in de loop der tijd was de twijfel veranderd in respect.

Respect en een zekere schoorvoetende bewondering.

Omdat hij het bijna nooit mis had. In het ene onderzoek na het andere leek het wel of Van Veeteren er altijd in slaagde om – met de precisie van een slaapwandelaar – aan het juiste touwtje te trekken. Om precies de juiste persoon te kiezen voor een nieuw verhoor, of om opdracht te geven nauwkeurig in kaart te brengen wat meneer X, mevrouw Y of mejuffrouw Z vorige week woensdagavond had gedaan.

In die wirwar van informatie en desinformatie die zich in elke nieuwe zaak altijd binnen de kortste keren opstapelde.

Intuïtie zoals dat heette. Die omstreden eigenschap, die niettemin goud waard was, bezat Van Veeteren in hoge mate, daar kon hij niet omheen.

En evenmin, redeneerde Münster verder terwijl hij de hoofdweg verliet en klem kwam te zitten tussen een bus en een visauto – waar hij niet omheen kon – viel te ontkennen dat Van Veeteren ook in dit geval een punt had.

Als Van Veeteren dacht dat die merkwaardige G. achter de dood van zijn vrouw zat, ja, dan zou dat wel zo zijn. Op de een of andere manier.

Maar hoe? Hoe had hij het dan gedaan? Een goeie vraag. Was hij zolang als nodig was weg geweest uit dat restaurant? Kon dat wat de tijd betreft? Of had hij een handlanger gehad?

Dat laatste leek het waarschijnlijkst. Een huurmoordenaar? Dat was ongewoon, heel ongewoon, als je je tenminste niet in kringen van de zogenaamde georganiseerde misdaad bewoog, en daar hoorde het echtpaar Hennan toch niet thuis? Of wel?

En hoe moesten ze hem te pakken krijgen?

Dat waren een heleboel vraagtekens, besefte brigadier Münster toen hij op straat voor zijn rijtjeshuis parkeerde.

Een heleboel vragen die waarschijnlijk nog niet beantwoord konden worden. Niet voordat ze wisten wat Verlangen, de privédetective en ex-diender te melden had. En misschien ook wat de informatie over Hennan, die de commissaris in de vs had opgevraagd, zou blijken in te houden.

Je kon beter niet te vroeg beginnen met speculeren, dat was een goede oude stelregel. Je kon de tijd beter aan vrouw en kind besteden.

Dat was een nog betere stelregel. Zeker wanneer je een vrouw had die Synn heette en de aantrekkelijkste vrouw op aarde was. En een zoon die Bart heette, die je over precies een halve minuut lachend tegemoet zou komen lopen en zich in je armen zou storten om hoog opgetild te worden en dan alles bij elkaar te gillen.

Mijn god, dacht brigadier Münster. Ik ben de gelukkigste politieman van de hele stad, hoe komt het toch dat ik dat soms bijna vergeet?

Na middernacht, toen ze uitgevreeën waren, vertelde hij het verhaal aan Synn en vroeg wat zij ervan vond. Ze bleef even met haar hoofd op zijn arm liggen en ademde recht in zijn oor voordat ze antwoord gaf.

‘Ik zou nooit in het donker van een springtoren duiken’, fluisterde ze ten slotte. ‘Nooit van z’n leven.’

‘Dat dacht ik nou ook’, zei Münster. ‘Laten we dan nu maar gaan slapen.’