10

‘Oké, oké’, zei Münster. ‘Natuurlijk weet ik dat. Ik weet dat de politie van Linden al bij u langs is geweest om hierover te praten, maar ik ben dus van de Maardamse recherche. Onze commissaris is nogal precies en hij stond erop dat wij ook een gesprek met u zouden hebben. U hebt er toch hopelijk niets op tegen dat wij ons werk zo goed mogelijk doen?’

Amelia Trotta keek hem kritisch aan. Ze had een bezorgde uitdrukking op haar grote, gladde gezicht, ook al viel daarin geen rimpel te bespeuren. Haar geblondeerde, schouderlange haar zat onberispelijk. Münster moest denken aan een vergeten, kuise filmster uit zijn vroegste jeugd. Hij nam aan dat dat ook ongeveer het effect was dat mevrouw Trotta beoogde. Of ooit had beoogd. Nu was ze rond de vijfenveertig: fors, in het lichtblauw gekleed en licht geïrriteerd.

‘Waar is dat goed voor?’ vroeg ze. ‘Ik heb immers niets te vertellen.’

Ze maakte een besluiteloos gebaar dat van alles kon betekenen. Münster maakte van de gelegenheid gebruik om langs haar heen de woonkamer binnen te stappen.

‘Hij is nogal koppig, mijn chef’, zei hij verontschuldigend en hij ging in een cretonnen fauteuil zitten. ‘En hij staat bekend om zijn grondige aanpak.’

Ze knikte vaag en ging op het puntje van cretonnen fauteuil nummer twee zitten. Ze trok een paar plooien van haar jurk recht en zuchtte.

‘Een paar minuten dan’, gaf ze toe. ‘Ik heb meer te doen.’

Münster haalde een pen en een blocnote uit zijn aktetas.

‘Fijn’, zei hij. ‘Ik zal proberen het kort te houden. Barbara Hennan, dus. Hoe goed kende u haar?’

‘Helemaal niet’, antwoordde Amelia Trotta.

‘Helemaal niet?’

‘Niet of nauwelijks. Zoals ik ook al aan de rechercheurs heb verteld die hier gisteren waren. We wonen hier nu vijftien jaar, het echtpaar Hennan is hier in april dit jaar komen wonen. We zijn bij elkaar wezen eten, dat is alles. Zoals het goede buren betaamt.’

‘Natuurlijk’, zei Münster. ‘En dat waren ze?’

‘Pardon?’

‘Goede buren.’

Ze haalde haar schouders op.

‘Dat neem ik aan.’

‘Dat neemt u aan?’

‘Ja. We hadden geen klachten. Ze waren alleen niet echt ons soort mensen.’

‘Aha’, zei Münster neutraal en hij keek gauw even om zich heen in het ruime, goed schoongemaakte vertrek. Een bankstel en een tv-toestel. Twee grote, bleke olieverfschilderijen, ton sur ton met de stof van de bank en de gordijnen. En een wandmeubel van massief eiken dat van alles bevatte behalve boeken.

Ons soort mensen? dacht hij. Ja, ja.

‘Wat denkt u van het ongeluk?’

Mevrouw Trotta probeerde opnieuw een rimpel te trekken.

‘Ik denk natuurlijk niets’, zei ze. ‘Wat moet je denken?’

‘Weet u of mevrouw Hennan misschien neerslachtig was?’

‘Geen idee. Waarom vraagt u dat?’

‘De mogelijkheid bestaat natuurlijk dat ze het ongeluk zelf heeft veroorzaakt … om het zo maar uit te drukken.’

‘Dat ze zelfmoord heeft gepleegd?’

‘We kunnen het niet uitsluiten. Het is een eigenaardige manier van doodgaan, vindt u niet?’

Amelia Trotta dacht een paar seconden over haar antwoord na.

‘De mensen gaan op eigenaardige manieren dood tegenwoordig.’

Tegenwoordig? dacht Münster. Ja, misschien was dat zo. Hij herinnerde zich dat hij onlangs had gelezen over een prostituee in Oosterdam die gestikt was in een condoom.

‘Vond u haar sympathiek?’ vroeg hij.

Ze reageerde met een nieuw schouderophalen.

‘Niet zo?’ interpreteerde hij.

‘Ik zei toch al dat we hen niet kenden. Hem niet en haar ook niet.’

‘Maar u had geen zin om het contact verder uit te bouwen … meer dan nodig was voor de goede verstandhouding dus?’

Ze aarzelde even.

‘Nee’, zei ze. ‘Daar hadden we geen behoefte aan.’

‘Uw man ook niet?’

‘Nee.’

Münster wachtte.

‘Ze hadden … iets goedkoops.’

‘Iets goedkoops? Hoe bedoelt u dat?’

‘Dat begrijpt u best.’

‘Nee’, zei Münster naïef. ‘Kunt u dat toelichten?’

Ze zuchtte en schoof verder naar achteren in de fauteuil.

‘Ik weet het niet’, zei ze. ‘Zoiets voel je gewoon. Zij had bijvoorbeeld een tatoeage.’

‘Een tatoeage?’ vroeg Münster.

‘Hier’, zei Amelia Trotta en ze wees naar een plek op de mouw van haar jurk, hoog op haar linkerbovenarm. ‘Een vogel of zoiets. Je kunt zeggen wat je wilt, maar mooi is het niet.’

Münster knikte en maakte een notitie.

‘Wanneer hebt u haar voor het laatst gezien?’

‘Afgelopen zaterdag.’

‘Afgelopen zaterdag?’ zei Münster verbaasd. ‘Maar toen was ze al dood.’

‘Dat weet ik wel. Maar ik ben in het mortuarium geweest om haar te identificeren. Kennelijk moet dat ook door een buitenstaander worden gedaan.’

‘In bepaalde gevallen wel, ja’, zei Münster. ‘Maar laten we ons concentreren op toen ze nog leefde. Wanneer hebt u haar voor het ongeluk voor het laatst gezien?’

‘De ochtend van de dag waarop ze overleed’, zei mevrouw Trotta zonder aarzeling. ‘Vlak na achten. Ze reed weg naar de stad. We hebben elkaar alleen gegroet. Ik was Ray aan het uitlaten.’

‘Ray?’

‘Onze hond. Een dwergspits.’

‘Aha’, zei Münster. ‘En daarna hebt u haar niet meer gezien?’

‘Nee. In het mortuarium pas weer.’

‘En hoe zat het met meneer Hennan?’

‘Wat?’ vroeg Amelia Trotta onnozel.

‘Hebt u hem die donderdag nog gezien?’

‘Nee. Zoals u misschien is opgevallen, kunnen we niet bij elkaar naar binnen kijken.’

‘Ja, dat was me al opgevallen’, zei Münster. ‘Ze hadden dus twee auto’s?’

‘Natuurlijk’, zei Amelia Trotta, alsof een kleiner aantal voertuigen ondenkbaar zou zijn geweest aan de Kammerweg. Een Saab en een klein Japans autootje. Zij gebruikte de kleine meestal.’

‘Juist’, zei Münster. ‘Natuurlijk. Was u die donderdagavond thuis?’

‘We waren op een feestje bij vrienden, maar om tien uur waren we weer thuis. De meisjes hebben hun nachtrust nodig.’

‘Ja, natuurlijk’, zei Münster instemmend. ‘Is u nog iets bijzonders opgevallen bij Villa Zefier toen u thuiskwam?’

‘Nee.’

‘Of later die avond?’

‘Niets. Je kunt niets zien, dat zei ik al.’

‘Zag u of er iemand thuis was? Of er licht brandde of zo?’

‘Ik heb toch al gezegd dat we geen inkijk hebben over en weer. We kunnen hiervandaan niet zien of ze het licht aanhebben of niet.’

Haar ergernis was weer opgelaaid. Münster keek in zijn blocnote en dacht een paar seconden na.

‘Jaan G. Hennan’, zei hij vervolgens. ‘Zou u mij uw persoonlijke mening over hem kunnen geven?’

‘Waarom?’

‘Omdat ik dat vraag.’

Ze nam dit gewichtige argument even in overweging terwijl ze naar haar vingernagels keek. Het waren er tien en ze waren lichtbeige gelakt.

‘Hij is niet ons type.’

‘Dat heb ik begrepen. Kunt u dat nader toelichten?’

‘Helemaal niet ons type. Aanmatigend en … ja, onbetrouwbaar. Hij maakt geen prettige indruk.’

‘Vrijpostig?’ vroeg Münster.

‘Dat misschien niet direct. Maar onze dochters mogen hem niet. Zij hebben meestal wel kijk op dat soort dingen. Hebt u kinderen?’

‘Ja’, zei Münster. ‘Een zoontje. Weet u iets over Hennans achtergrond?’

‘Alleen dat hij tien jaar in Amerika heeft gewoond. Hij zit in zaken.’

‘Hoe was het huwelijk van de heer en mevrouw Hennan? Als u daar iets aan is opgevallen dus …’

Ze schraapte een vlek van haar pinknagel voordat ze antwoordde.

‘Zij was van hetzelfde laken een pak als hij’, constateerde ze vervolgens. ‘Ze pasten op de een of andere manier goed bij elkaar. Hij was natuurlijk ouder.’

‘Maar geen ruzies, voorzover u weet?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Dat geloof ik niet. Maar het zou me niet verbazen. Bedoelt u dat hij … dat hij iets met haar dood te maken zou kunnen hebben?’

Ze probeerde de vraag op dezelfde neutraal afwijzende toon te stellen die ze gedurende het hele gesprek had gebruikt, maar Münster kon de onderdrukte spanning in haar stem horen.

‘We sluiten de mogelijkheid niet uit’, zei hij. ‘Mijn chef houdt er niet van om mogelijkheden uit te sluiten.’

‘Nee?’ zei Amelia Trotta en ze vergat even haar mond dicht te doen.

‘Maar niets dramatisch dus?’ vroeg Münster. ‘Geen ruzies of zoiets waar u toevallig getuige van was?’

Het was duidelijk te merken dat mevrouw Trotta graag had willen bijdragen met een kleine burenruzie. Ze zweeg even en groef in haar geheugen, maar algauw nam haar zuivere geweten het commando over.

‘Nee’, zei ze. ‘Helemaal niets. Maar … maar het is een heel eind naar hun huis, dat zei ik al.’

Münster knikte.

‘Dronken ze?’ vroeg hij. ‘Overmatig, bedoel ik.’

Ook op dat punt kon Amelia Trotta geen dramatische informatie verstrekken. In plaats daarvan keek ze zuchtend op haar horloge.

‘Ik geloof wel …’ begon ze, maar ze raakte de draad kwijt, opnieuw overvallen door het plotselinge vermoeden. ‘U bedoelt toch niet?’ vroeg ze. ‘U gelooft toch niet serieus dat …?’

Het lukte haar niet de vraag goed te formuleren, maar de bedoeling bleef boven de tafel in de keurige woonkamer hangen. Als een ketchupvlek op een wit linnen tafelkleed, dacht Münster en hij maakte aanstalten om de idylle te verlaten.

‘We hebben nu nog geen vastomlijnde theorieën’, legde hij uit terwijl hij opstond. ‘Maar het nalopen van verschillende mogelijkheden is een deel van het werk van de recherche. Ik wil misschien later ook nog een babbeltje maken met uw man, denkt u dat hij daar bezwaar tegen zou hebben?’

‘Ik zal het tegen hem zeggen’, antwoordde mevrouw Trotta behulpzaam. ‘Maar hij is nogal vaak van huis, dus het is wel zaak dat goed af te spreken. Hij is piloot.’

‘Dat weet ik’, zei Münster. ‘Wat voor werk doet u zelf?’

‘Ik ben dermatoloog’, zei Amelia Trotta en ze maakte zich lang. ‘Maar zolang de meisjes nog op school zitten, blijf ik thuis. Ze hebben me nodig.’

Dat betwijfel ik, dacht Münster en hij probeerde zich te herinneren wat een dermatoloog ook alweer was. Een huidspecialist, dacht hij. Maar het kon ook iemand zijn die zich met zoetwatervissen of mijten bezighield.

Hij besloot het bij gelegenheid op te zoeken. Vervolgens bedankte hij mevrouw Trotta voor haar behulpzaamheid en verliet Villa Vigali. Terwijl hij door de tuin liep, constateerde hij dat het klopte wat ze over inkijk had gezegd. Hij ving nog geen glimp van de lichtblauwe gevel van Villa Zefier op. Hij zag alleen een smal streepje van de witgekalkte springtoren door een kier in het dichte gebladerte.

Net als in deze zaak, dacht hij terwijl hij in de auto kroop. We zien niet zoveel, als puntje bij paaltje komt.

Van Veeteren staarde naar een afgebroken tandenstoker in zijn linkerhand.

Eigenlijk had hij naar de hoorn van de telefoon in zijn rechterhand willen staren, maar zijn fysionomie was (in bepaalde opzichten tenminste) volstrekt normaal, en dat lukte dus niet. Als hij de stem van commissaris Sachs wilde blijven horen, en dat wilde hij. Onder de huidige omstandigheden.

‘Wat zeg je nou verdorie?’ bulderde hij. ‘Een privéspeurder?’

‘Verlangen’, zei Sachs. ‘Hij heet Maarten Verlangen. Heeft vroeger nog bij jullie gewerkt, beweert hij.’

‘Het zal me een rotzorg zijn of hij bij ons heeft gewerkt of niet’, zei Van Veeteren. ‘Maar hij zegt dus dat hij opdracht had om Jaan G. Hennan te schaduwen?’

‘Precies’, gaf Sachs toe. ‘Van mevrouw Hennan … die dood is, dus. Vorige week woensdag, donderdag en vrijdag … Hoewel er op vrijdag weinig van terecht is gekomen. Joost mag weten wat dit betekent, het merkwaardigste is nog wel dat hij Hennan de hele donderdagavond in de gaten heeft gehouden. In dat restaurant, Colombine. Ja, ik weet echt niet hoe we dit moeten duiden …’

‘Duiden!’ snoof Van Veeteren. ‘Hier valt niets te duiden. Waar is hij?’

‘Wie?’

‘Die privéspeurder natuurlijk. Waar zit hij nu?’

‘Uh …’ zei commissaris Sachs.

‘Wat zeg je?’ zei commissaris Van Veeteren. ‘Praat eens wat harder!’

‘Hij … is weg. Maar ik …’

‘Heb je hem laten gaan? Nee, toch zeker?!’

‘Ik heb zijn naam en telefoonnummer natuurlijk. Ik heb gezegd dat we nog contact zouden opnemen.’

Van Veeteren brak zijn tandenstoker in kleine stukjes en stak in zijn duim.

‘Au’, kreunde hij. ‘Wat zei hij nog meer? Hij moet toch iets hebben …’

‘Niet zo veel’, viel Sachs hem in de rede. ‘Hij had geen idee waarom hij Hennan moest observeren. Hij heeft kennelijk vooral in de auto zitten posten voor zijn kantoor … Behalve donderdagavond dus.’

‘En die opdracht had hij van Barbara Hennan?’

‘Ja.’

‘Waarom?’

‘Dat wist hij niet. Dat zei ik toch al?’

‘Ik ben niet doof. Wat dacht hij waarom het was?’

‘Geen idee.’

‘Geen idee?’

‘Nee, dat zei hij.’

‘Verdomme. Nou, kom maar op met dat telefoonnummer, laten we dit eens even goed uitzoeken.’

‘Natuurlijk, hier komt het’, zei commissaris Sachs en hij las de nummers van Maarten Verlangen op, zowel zijn thuisnummer als dat van zijn kantoor.

‘Dank je wel’, zei Van Veeteren. ‘Hang maar op, ik heb geen tijd meer voor je.’

Hij begon met het thuisnummer.

Geen gehoor.

Daarna het nummer van het kantoor.

Geen gehoor. Alleen een antwoordapparaat dat hem informeerde dat detectivebureau Verlangen op dit moment onbemand was, dat men een breed scala aan opdrachten aannam tegen redelijke prijzen en dat er een bericht ingesproken kon worden.

Terwijl hij op de piep wachtte, dacht Van Veeteren goed na over de formulering.

‘Maarten Verlangen,’ gromde hij vervolgens in de hoorn, ‘als je leven je lief is, zorg dan dat je zo snel mogelijk contact opneemt met commissaris Van Veeteren van de Maardamse recherche.’

Hij noemde twee keer tergend langzaam zijn nummer en smeet de hoorn erop.

Daarna bleef hij even zitten. Hij vloekte inwendig en keek naar zijn pijnlijke duim, totdat de werkelijkheid achter de onthulling van commissaris Sachs langzaam maar onverbiddelijk zijn verontwaardiging wegnam.

Het bericht op zich. Dat de dode vrouw, het lijk in het badpak op de bodem van het zwembad in Linden, een paar dagen voor haar dood een particulier detective had ingehuurd.

Een privéspeurder, die in de gaten moest houden wat haar man uitspookte. De vermaledijde Jaan G. Hennan.

Van Veeteren tastte naar een sigaret en stak die op. Wat heeft dit in vredesnaam te betekenen? vroeg hij zich af. Ze moet … ze moet iets hebben vermoed. Zou het dat niet betekenen? Bel nou eens, verrekte snuffelaar!

Hij keek kwaad naar de zwijgende telefoon. Hij besefte dat er nog maar een minuut verstreken was sinds hij zijn barse bericht had ingesproken, en dat je nauwelijks kon verwachten dat Verlangen met zo’n voorbeeldige timing op zijn kantoor zou verschijnen. Hij inhaleerde diep en keek op zijn horloge.

Half drie. De hoogste tijd om zich naar zijn badmintonwedstrijd met Münster te begeven, met andere woorden. Hij maakte de sigaret uit, kwam overeind en haalde zijn racket en zijn tas uit de kast.

Pas maar op, Münster, dacht hij. Vandaag zul je geen makkelijke aan me hebben.

In de lift naar beneden besefte hij dat hij wist wie Maarten Verlangen was. En waarom hij het korps had verlaten.