8

De seconden voordat Van Veeteren oog in oog stond met Jaan G. Hennan schoot hem een oude regel van Borkmann te binnen.

Dat was niet voor het eerst. Commissaris Borkmann was zijn leermeester geweest in zijn vroege jaren in Frigge, en in die tijd had hij nog niet door hoeveel van de rustige opmerkingen van de oude speurder hem zijn hele carrière zouden bijblijven.

Maar dat was wel het geval. Om wat voor onderzoek het ook ging, altijd viel er wel een advies van Borkmann op te vissen uit de put van het geheugen. Als je er maar de tijd voor nam. Soms – zoals nu – hoefde hij niet eens te vissen; in zijn hoofd hoorde hij de zachte stem van zijn mentor zo duidelijk als wat, dwars door het kabaal van twee decennia druk politiewerk heen.

Deze keer – net toen hij en brigadier Münster langzaam de forse gestalte op het terras van Villa Zefier naderden – ging het om de kunst van het zwijgen.

‘Leer te zwijgen!’ had Borkmann hem ingeprent. ‘Voor iemand die iets op zijn kerfstok heeft, is er niets zo onplezierig als stilte.’

En hij was verdergegaan: ‘Als jij er maar in slaagt je mond dicht te houden, kun je door een blik of een opgetrokken wenkbrauw elke bankovervaller of moordenaar zo uit zijn evenwicht brengen dat hij zijn mond voorbijpraat. Van pure zenuwen. Maak van de stilte je bondgenoot, dan ben je de sterkste in elk verhoor!’

Net voordat ze binnen gehoorsafstand kwamen, gaf hij Münster een por met zijn elleboog.

‘Niet te veel praten’, instrueerde hij. ‘Laat mij maar.’

‘Au’, zei Münster. ‘Begrepen.’

Hennan ging gekleed in een wijde, witte broek en een blauwe trui, een soort zeiltrui. Of misschien een golftrui, Münster vond het moeilijk uit te maken wat het was. Hij keek verbeten en licht geïrriteerd. Kortgeknipt, donker haar. Een beetje grijs bij de slapen. Een krachtig gezicht. Toen hij hun een hand gaf, kneep hij stevig, alsof het om een soort territoriumafbakening ging.

vv’, zei hij. ‘Dat is alweer even geleden.’

‘G.’ zei Van Veeteren. ‘Een jaar of wat, ja.’

‘Münster’, zei Münster. ‘Rechercheur.’

Ze gingen aan een hardhouten tafel zitten. Teakhout, waarschijnlijk. Midden op tafel stond een ijsemmer met een paar flesjes bier erin gestoken.

‘Een glas bier?’ stelde Hennan voor. ‘Het is warm.’

‘Waarschijnlijk gaat het straks regenen’, zei Van Veeteren. ‘Maar ja, graag.’

Hennan schonk drie glazen in. Ze namen een slok en zwegen tien seconden.

‘En?’ zei Hennan.

Van Veeteren haalde een pakje West tevoorschijn en stak omstandig een sigaret op. Münster kruiste zijn armen voor zijn borst en wachtte. Hij besefte plotseling dat het een stuk gemakkelijker was om een effectief verhoor af te nemen als je rookte.

‘Een nare zaak’, zei Van Veeteren en hij blies rook uit.

‘Dat kun je wel zeggen’, zei Hennan.

Er verstreken weer vijf seconden.

‘Ik vraag me af hoe de toedracht is geweest’, zei Van Veeteren.

‘Hoe bedoel je?’

Van Veeteren haalde zijn schouders op en keek Hennan enkele ogenblikken aan. Hennan vertrok geen spier.

‘Jij niet?’

‘Wat niet?’

‘Vraag jij je niet af hoe het is gegaan?’

Hennan dronk een slok bier en haalde een dun, zwart sigaartje uit een houten kistje dat op tafel stond. Ook teak, schatte Münster. Of misschien walnoot, het was net even een andere tint.

Hennan stak op en plukte een vastgeplakte kruimel tabak van de punt van zijn tong.

‘Ik begrijp niet wat jullie komen doen’, zei hij. ‘Mijn vrouw is bij een vreselijk ongeluk om het leven gekomen. Ik heb de halve nacht met stompzinnige agenten gesproken, en nu begint dat kennelijk opnieuw.’

Van Veeteren nam een trekje van zijn sigaret en knikte heel langzaam en peinzend.

‘Hoelang heb je gezeten?’ vroeg hij.

De gelaatstrekken van Jaan G. Hennan verstrakten zichtbaar, viel Münster op. Alsof iemand zijn oren naar achteren had getrokken, zodat de huid van zijn gezicht gespannen en dunner werd, op de een of andere manier. Een soort facelift, maar dan naar achteren. Het beeld van een wolf schoot door Münsters hoofd.

‘Sodemieter op’, zei Hennan.

Van Veeteren geeuwde en snoot zijn neus. Hij haalde een geel notitieboekje en een pen uit zijn binnenzak en schreef iets op. Hennan volgde zijn bezigheden met groeiende ergernis.

‘Wat willen jullie, verdomme?’ barstte hij ten slotte uit. ‘Als jullie iets te zeggen hebben, dan voor de draad ermee! Maar als jullie hier alleen maar de idiote stoere smerissen willen uithangen, dan ga ik weg. Ik heb het druk genoeg.’

‘Echt waar?’ vroeg Van Veeteren. ‘Waarmee dan?’

‘Huh?’

‘Waar heb je het druk mee?’

‘Daar …’ Hennan aarzelde even. ‘Daar hebben jullie niets mee te maken.’

Hij stroopte de mouwen van zijn zeil-golftrui op en liet twee stevige, bruine onderarmen zien. Van Veeteren leunde over de tafel heen dichter naar hem toe.

‘Wat ben je zenuwachtig’, zei hij vriendelijk. ‘Is er iets wat je de politie vannacht vergeten bent te vertellen?’

Hennan draaide zijn hoofd en spuugde weer een flintertje tabak in het gras. Hij sloeg zijn benen over elkaar en begon met zijn vingers op de armleuning te trommelen. Er verstreken weer een paar seconden.

‘Jouw wapendrager hier’, zei hij met een gebaar naar Münster. ‘Kan die niet praten of zo?’

‘Ik heb een beetje keelpijn’, legde Münster uit. ‘Praten jullie rustig verder, ik zeg het wel als er iets is.’

Van Veeteren knikte meelevend naar Münster voordat hij zijn aandacht weer op Hennan richtte.

‘G.’ zei hij. ‘Die letter heeft me nooit aangestaan.’

Hennan reageerde niet.

‘Geloof je echt dat je vrouw gestorven is op de manier zoals je de politie vannacht hebt geprobeerd wijs te maken?’

Hennan vertrok geen spier. Maar hij bleef met zijn vingers trommelen. Van Veeteren wachtte. Münster wachtte.

‘Wil je zo vriendelijk zijn om uit te leggen wat je bedoelt?’

Nu kon er een glimlachje af bij de commissaris.

‘Wat ik bedoel? Ik vraag me natuurlijk af of ze blind was. Wat was haar IQ?’

‘Nee, nou moet je …’ begon Hennan te protesteren.

‘Denk je ook niet dat iemand haar heeft geduwd?’

‘Waarom zou ik dat denken?’

‘Omdat geen zinnig mens in een leeg bad duikt.’

‘Dat was een vergissing van Barbara.’

‘Dat wil je ons laten geloven, ja.’

Hennan leek een paar seconden te overleggen. Toen stond hij op en schoof de stoel zo heftig naar achteren dat die op het gras viel.

‘Nu is het genoeg’, verklaarde hij. ‘Ik laat me niet langer treiteren. Ik zeg niets meer zonder dat er een advocaat bij is.’

Van Veeteren maakte zijn sigaret uit. Vervolgens nam hij een slok bier. Daarna keek hij zijn oud-klasgenoot aan met een gezicht dat een en al verbazing uitdrukte.

‘Een advocaat? Waarom zou je in vredesnaam een advocaat nodig hebben? Je verzwijgt toch niets voor ons?’

‘Ik ben niet van plan …’

Van Veeteren hief een waarschuwende wijsvinger en richtte zijn blik op Münster.

‘Denk jij dat de heer Hennan iets verzwijgt?’

Münster dacht even na.

‘Ik zou niet weten wat’, zei hij.

‘Verdwijn!’ zei Hennan. ‘Laat me met rust. Ik heb nog nooit zoiets …’

‘Nog even mijn bier opdrinken’, zei Van Veeteren en hij hield zijn glas omhoog. ‘De smaak is niet denderend, maar het drinkt wel lekker weg. Proost en tot ziens.’

‘Niet slecht’, was het commentaar van Van Veeteren toen ze weer in de auto zaten. ‘De eerste ronde is voor ons, de jury is unaniem.’

‘Dat is waar’, zei Münster. ‘Maar ik zie het nut er niet echt van in.’

‘Nee?’ vroeg Van Veeteren verbaasd. ‘Hoezo niet?’

Münster startte de auto.

‘Is het idee dat Hennan erachter zit of zo? Zijn we niet vergeten dat hij een alibi schijnt te hebben?’

‘Ach, wat!’ barstte Van Veeteren uit. ‘Wat nou alibi? Dat is nog niet bevestigd. Hij kan best een half uur of drie kwartier weg zijn geweest uit dat restaurant. Over dat alibi hebben we het wel nadat we de versie van het personeel hebben gehoord.’

‘Best’, zei Münster. ‘Dan wacht ik wel.’

‘Of hij heeft een helper gehad’, ging Van Veeteren verder. ‘Hij heeft een mannetjesputter ingehuurd die naar de villa is gegaan en haar van de toren heeft geduwd.’

Münster zuchtte.

‘Meent u dat nou serieus, commissaris?’

Opnieuw wierp zijn chef hem een lichtelijk verbaasde blik toe.

‘Münster, ik weet dat de dood van Barbara Hennan op een ongeluk lijkt, en dat valt verdomd goed te verklaren ook.’

‘O?’ zei Münster. ‘Hoe dan?’

‘Omdat G. wil dat het daarop lijkt.’

Münster zweeg.

‘Je denkt toch niet dat ik me vergis?’ vervolgde Van Veeteren en hij draaide het zijraampje een paar centimeter naar beneden. ‘Volgens mij regent het al, wat zei ik je?’

‘Ik zou uw oordeel nooit in twijfel trekken’, verklaarde Münster diplomatiek. ‘We hebben immers ook geen feiten om van uit te gaan, dus voorlopig kunnen we maar raak speculeren.’

‘Speculeren?’

‘Ja.’

Van Veeteren zweeg even.

‘Al lijkt hij een harde noot om te kraken, die Hennan’, zei Münster. ‘Dat ben ik met u eens.’

‘Ook harde noten kun je open krijgen’, zei de commissaris en hij bestudeerde een afgebroken tandenstoker. ‘Wacht maar af.’

‘Ik ben benieuwd’, zei Münster. ‘En die oude inzichten in zijn psyche waar we het over hadden … Hoe was het ook weer? Een weerzinwekkend figuur?’

Maar Van Veeteren wuifde alleen afwerend met zijn hand.

‘Volgende week’, zei hij. ‘Laten we eerst eens rustig weekend houden. Hoe gaat het met Synn en Bartje?’

Soms word ik zo ontzettend moe van die man, dacht Münster.

Zaterdag was voor Maarten Verlangen een dag zonder alcohol. Hij verschoonde zijn bed, draaide drie wassen en zette het vuilnis buiten. ’s Middags jogde hij ruim een kilometer in het Megsje Bois en daarna belde hij een vrouwelijke kennis op.

Carla Besbarwny heette ze, en precies zoals hij had gehoopt en verwacht, vond ze het goed dat hij kwam als hij dat wilde. Ze moest alleen de honden nog even uitlaten, maar na achten was prima. Hij bedankte haar, hing op en slaakte een zucht van verlichting. Toch fijn dat Carla er is, dacht hij.

Hij kende haar iets meer dan drie jaar. Ze hadden elkaar een stuk of vijf, zes keer ontmoet en steeds hadden ze bijna alle tijd doorgebracht in haar royale waterbed. Hij wist dat ze waarschijnlijk nog een paar andere mannen had, die haar ook op soortgelijke voorwaarden kwamen opzoeken, maar dat maakte hem niet uit. Vrouwen zoals Carla kon je niet bezitten. Ze woonde achteraan in de Alexanderlaan in een grote vierkamerflat, waar ze ook drie honden, een paar katten en een onbekend aantal vogeltjes, cavia’s en Japanse dwergmuizen onderdak bood. Hij had er geen idee van hoe ze eigenlijk in haar onderhoud voorzag, en nuchter bekeken was ze waarschijnlijk gek.

Maar dat deed er niet echt toe. Hij ging niet bij haar langs voor het geestelijke contact. En daarvoor liet ze hem ook niet binnen.

Op zaterdagavond belde hij om kwart over acht bij haar aan, en exact zestien uur later verliet hij haar in een gespleten toestand van weeë harmonie en schuldgevoel. Zo voelde hij zich naderhand altijd.

‘Waarom trouw je niet, Carla?’ had hij haar ’s nachts gevraagd. ‘Een vrouw zoals jij?’

‘Is dat een aanzoek?’ had ze willen weten.

‘Nee’, was zijn antwoord. ‘Ik … ben nog niet echt aan trouwen toe.’

‘Daar heb je je antwoord.’

Hij keerde terug naar de eenzaamheid en de schone lakens van de Heerbanerstraat. Hij vroeg zich af of hij zijn dochter zou bellen, maar stelde dat uit tot een later tijdstip. Hij wilde niet te vaak bellen. Hij wilde niet dat het een plicht voor haar zou worden om hem te ontmoeten of met hem te praten. Kwaliteit was beter dan kwantiteit, dacht hij altijd. Een wrange, licht heroïsche gedachte, waarschijnlijk, want je had toch altijd een bepaalde kwantiteit nodig voor er überhaupt van enige kwaliteit sprake kon zijn?

Behalve misschien in het geval van Carla Besbarwny.

Hij stopte die gedachten in de ijskast en probeerde opnieuw het nummer van Villa Zefier. Enkele instructies met betrekking tot de voortgang zouden goed van pas komen, redeneerde hij, en hij moest immers nog verslag uitbrengen van vrijdag.

Als G. opnam, kon hij altijd nog ophangen.

G. nam op.

Voorzover Verlangen kon beoordelen in ieder geval. Hij klonk somber. Verlangen overwoog even om zijn stem te verdraaien en te zeggen dat hij verkeerd had gedraaid, maar zelfs dat leek hem te riskant.

Hij slikte en hing op.

Strikt genomen hoef ik morgen pas weer aan het werk, besloot hij. Gedenk de sabbat dat gij die heiligt, en elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

Hij haalde een biertje uit de koelkast en zette de tv aan.

Toen Van Veeteren zondagavond laat het Stabat mater van Pergolesi opzette, had hij daar het hele weekend naar uitgezien.

Hij had namelijk nog al wat huiselijke plichten gehad. Op zaterdagavond eten met Renates broer en schoonzus, en op zondag ontbijt en lunch met datzelfde dubieuze stel, want ze woonden in Chadow en waren blijven logeren. Op zondagmiddag een ernstige discussie met Renate over hoe het met Erich ging op school (hoe het überhaupt met hem ging, maar zonder de hoofdpersoon, aangezien die met vrienden op stap was), en vervolgens – gedurende twee avonduren – een ellendige vaatwasser die hij al een maand geleden had beloofd te zullen repareren. Toen hij klaar was met de klus stond het er met de vaatwasser een stuk slechter voor dan toen hij begon.

Wat had hij tegen Münster gezegd? Iets over een rustig weekend?

Hij had nog geen blik kunnen werpen op het schaakprobleem in de Allgemejne.

Maar om half twaalf liet hij zich dan toch in zijn leunstoel zakken met de muziek van Pergolesi in zijn oren. Het was donker in de kamer. Renate was naar bed en Erich ook. De plaat duurde achtenvijftig minuten, daar had hij naar gekeken toen hij hem opzette. De cantate Orfeo stond er ook op.

Mooi, dacht hij. Eindelijk een uurtje kwaliteit van leven.

En eindelijk een kans om na te denken over de vraag hoe hij tegenover G. stond.

Was er een betere begeleiding denkbaar voor zijn gedachten dan het dolorosaduet, gezongen door Julia Gonda en Anna Faulkner? Hij haalde driemaal diep adem en ging vijfendertig jaar terug in de tijd. Daar zat ze. De sterkste herinnering aan G.

Zwarter dan zwart.

Het eerste trimester op de Manneringschool aan de Poostienergracht, om precies te zijn. Tijd: vroege puberteit. Hoofdpersonen, G., vv en een ziekelijk Joods ventje met de naam Adam Bronstein.

G. is groot, sterk en gevreesd. Adam Bronstein is intelligent en snel van begrip, draagt een bril en heeft bloedarmoede, vv is besluiteloos, hij durft het gevecht met G. niet aan, hij durft niet tussenbeide te komen om zijn terreur tegen de zwakkere te stoppen. Adam Bronstein is niet de enige die van hem te lijden heeft, maar hij is wel het voornaamste slachtoffer.

Het gebeurt na een gymnastiekles. Wanneer de leraar, de mateloos impopulaire meneer Schwaager, weg is – en wanneer de meeste jongens zich enigszins hebben opgefrist en verkleed en de naar zweet ruikende gymzaal in het oude vrijstaande houten gebouw tussen de school en het kanaal hebben verlaten – moet Adam Bronstein van G. overdwars op de lange grijze mat gaan liggen, die wordt gebruikt om koprollen en andere nuttige oefeningen op te leren. De magere jongen doet wat hem wordt gezegd en G. rolt hem in de mat. Het wordt een grote, compacte rol van ruim een meter breed en ruim een meter in doorsnee. Een leren riem eromheen zorgt ervoor dat hij niet weer uitrolt. Met behulp van zijn aanzienlijke kracht en een van de achtergebleven jongens (Claus Fendermann, die in zijn latere leven een vooraanstaand pianist zal worden) zet G. de rol op zijn kant. Met Adam Bronsteins hoofd naar beneden en zijn armen stijf langs zijn lichaam. Zijn aandoenlijke, blauwgrijze sokken, waar het elastiek uit is, steken er een paar decimeter boven uit. De jongen zit muurvast, als in een ijzersterke bankschroef, in het donker, terwijl het bloed langzaam naar zijn hoofd stroomt en het ademen steeds moeilijker wordt, en zo laten ze hem achter. G., Claus Fendermann, vv en nog een paar. Ze pakken hun spullen bij elkaar en haasten zich naar hun leslokaal. G. gaat als laatste weg en doet de deur dicht.

Het volgende uur wordt er geen les gegeven in de gymzaal, dus Adam Bronstein blijft bijna een uur in de rol zitten. Een schoonmaakster vindt hem. Hij leeft nog, maar zijn toestand is kritiek. Hij ligt twee maanden in het ziekenhuis. Hij komt niet meer terug in de klas.

In januari wordt bekend dat hij zich heeft opgehangen.

Het komt niet vaak voor dat dertienjarigen zich ophangen. In die tijd tenminste niet.

‘Hij had net zo goed meteen in die mat kunnen doodgaan’, vindt G. ‘Die kleine kankerjood.’

Stabat mater.

Toen het ‘quis est homo’ begon, merkte Van Veeteren dat hij zat te zweten in zijn stoel. Koud zweet. Adam Bronstein was maar één herinnering aan G. Er waren er meer. Maar dit was misschien wel genoeg voor nu.

Hij probeerde zijn gedachten op de confrontatie van afgelopen vrijdag te richten.

Wat had die eigenlijk voorgesteld?

Waarom had hij die absurde stoere aanpak gekozen voor het gesprek in Villa Zefier? Stilte en glimmend staal. Waarom? Het leed geen twijfel dat hij Borkmanns zwijgregel te ver had doorgevoerd.

En waarom was hij zo overtuigd geweest van Hennans schuld toen hij het er later in de auto met Münster over had? Münster was sceptisch, en terecht.

Dacht hij echt dat G. zich van zijn vrouw had ontdaan? Haar had vermoord? Met de hand op zijn hart?

Was het niet eerder zo dat hij plotseling de behoefte had gevoeld – en even plotseling kans had gezien – om het G. betaald te zetten? Om vijfendertig jaar nadien dingen recht te zetten en hem te straffen? Voor eens en voor altijd.

Was dat het gewoon?

Hij kon zijn persoonlijke wraakmotief moeilijk uitvlakken, maar misschien was het goed dat hij eraan toegegeven had. Al meteen in het begin. Motieven die je niet erkende, waren moeilijker te hanteren dan motieven die je aan het oppervlak liet komen, dat wist hij. Daar had zelfs Borkmann een keer op gewezen. Hoewel hij toen waarschijnlijk meer op de motieven van de misdadiger doelde dan op die van de politieman die de zaak onderzocht.

Maar als hij nu – tenminste in theorie – de diepe afschuw die hij voor Jaan G. Hennan voelde even opzijzette, die niet mee liet spelen, hoe zat het dan met de omstandigheden rond de dood van zijn vrouw?

Waren er eigenlijk wel redenen om van een misdrijf uit te gaan?

En zo ja, waren er dan objectieve redenen om verdenkingen te koesteren jegens G.?

Van Veeteren sloot zijn ogen en probeerde te ontspannen. Dat waren zinloze vragen. Ze kwamen te vroeg. Van de klassieke oude puzzelstukjes ‘motief’, ‘methode’ en ‘gelegenheid’ was alleen de middelste min of meer belicht geraakt. Als iemand Barbara Hennan had vermoord, dan bestond er weinig twijfel over de methode. De modus operandi. Een duw in de rug, of zoveel geweld als nodig was om haar uit haar evenwicht te brengen, zodat ze van de rand van de springtoren viel.

Een andere vraag was natuurlijk hoe ze daar was gekomen. Brute kracht was daarvoor niet genoeg. Eerder list en bedrog.

Of misschien een klap op haar hoofd, zodat ze buiten westen raakte? Het was wel zwaar om haar de trappen op te slepen, maar waarschijnlijk niet onmogelijk. Hij zou Meusse vragen of je kon zien of een bepaalde verwonding iets eerder, en op een andere manier, was ontstaan dan de verwondingen die het gevolg waren van de wrede landing op de bodem van het bassin.

Meer kon je over de methode waarschijnlijk niet zeggen, dacht Van Veeteren. Hij overwoog even of hij in de keuken een biertje zou gaan halen, maar deed het niet.

Gelegenheid dan? Ja, het was ook niet bepaald moeilijk om daarover te speculeren.

Iedereen die zich op donderdagavond rond tien uur in de buurt van Villa Zefier had opgehouden, had natuurlijk de kans gehad – puur hypothetisch in ieder geval – om de moord op de genoemde manier te begaan. Het probleem was dat de interessantste figuur in dit verband, Jaan G. Hennan, een alibi scheen te hebben voor het betreffende tijdstip.

Schéén te hebben, dus. Ze moesten nog zien of dat alibi echt standhield. Dat zouden Sachs en zijn mannen inmiddels wel hebben onderzocht.

Dan had je ook de hele kwestie van het motief nog. Wie had een reden gehad om Barbara Hennan om het leven te brengen? En in het bijzonder: welk motief zou G. zelf kunnen hebben?

Als er een vraag was waar hij de komende dagen nog eens iets beter naar moest kijken, dan was het deze, besloot Van Veeteren.

Als er maar een fractie van een kans is dat hij hierachter zit, dacht de commissaris terwijl hij zijn kaken op elkaar klemde, dat G. iets te maken heeft met de dood van zijn vrouw, nou, dan sluit ik hem daarvoor op. Omwille van Adam Bronstein en omwille van alle andere stakkers die hij in zijn leven heeft getreiterd.

Dat was niet meer dan zijn plicht. Een zwaarwegende plicht.

Wat doe ik? dacht hij geschrokken. Ik zit te hopen dat een ongeluk verandert in een moord. Enkel en alleen om mijn persoonlijke wraakinstinct te bevredigen. Over objectief politiewerk gesproken! Over beweegredenen gesproken!

Hij luisterde de hele plaat van Pergolesi af, zowel het Stabat mater als Orfeo. Het was kwart voor een toen hij naast zijn vrouw in het tweepersoonsbed kroop. Stil en voorzichtig, om haar niet wakker te maken.

Ik hou niet meer van haar, dacht hij plotseling. Al een hele poos niet meer, waarom gaan we nog door met dit conventionele toneelstuk?

Voor wie?

Het was stom van hem dat hij zichzelf juist die vraag stelde vlak voordat hij wilde gaan slapen, en een uur later lag hij nog steeds wakker.