7

Op vrijdag werd Verlangen wakker van een vuurwerk.

Het vond plaats in zijn eigen hoofd en was tamelijk eenvormig. Een eindeloze serie witgloeiende ontploffingen. Laat me doodgaan, dacht hij. Lieve Heer, laat me hier en nu doodgaan.

Zijn gebed werd niet verhoord. Hij deed voorzichtig één oog open en probeerde de coördinaten van het hier en nu te preciseren.

‘Hier’ bleek een vreemde kamer te zijn. Waarschijnlijk in een hotel. Hij lag in een bed tussen verkreukelde lakens en hij wist niet waar hij was. Het zag er betrekkelijk opgeruimd uit en er kwam een ruime hoeveelheid ochtendzon door het raam naar binnen.

‘Nu’ was één minuut over negen. Er stond een klokje te piepen op het nachtkastje naast zijn bed. Hij herkende het ding, het was zijn eigen reiswekker, die hij een paar maanden geleden in het warenhuis Merckx had gekocht. Niet dat hij veel reisde, maar hij kon altijd van pas komen. Prijs: 12,50.

Hij dacht even na. Waarschijnlijk zat er op de achterkant een knopje waarmee hij het onding kon uitzetten. Een klein onbereikbaar rotknopje. Hij gaf met zijn rechtervuist een dreun op het klokje, zodat het op de grond viel en zweeg. Door de inspanning werden de explosies in zijn hoofd nog heftiger.

Nee hè, dacht hij. Niet weer. Waar ben ik? Wat voor dag is het?

Drie uur later was hij een stuk verder.

Hij was naar de badkamer geweest, had overgegeven, gepist, en een liter water gedronken.

Hij had drie hoofdpijntabletten ingenomen.

Hij had het bed weer opgezocht en was in slaap gevallen.

Deze keer werd hij niet wakker van de wekker. Er stond een kleine, donkere schoonmaakster in de deuropening, die zich verontschuldigde.

Ze was jong en mooi en dat probeerde hij haar ook te vertellen.

Je hoeft je niet te verontschuldigen, wilde hij zeggen. Je bent jong en dauwfris als een lelie. Hier zie je een eersteklas klootzak. Trek er lering uit.

Maar hij kon alleen maar fluisteren. Zijn tong was zo soepel als kippengaas, en de lucht uit zijn stukgerookte longen, die zijn uitgedroogde stembanden fraai had moeten laten resoneren, was niet veel meer dan een hete zucht van een nagloeiende woestijnbrand.

Doe de deur dicht, dan zie je me niet meer, dacht hij en hij probeerde iets met zijn gezicht te doen. Glimlachen of zo. Het deed pijn.

Nu verontschuldigde ze zich weer. Hij zou vandaag toch uitchecken? vroeg ze. Voor elf uur, dat was hun vaste tijd. Niet alleen in dit hotel, dat was in de hele keten zo en dat stond ook in de informatiebrochure.

Het was nu twaalf uur.

Nu begreep hij het. Bitch, dacht hij en hij voelde de ijzeren band strakker om zijn hoofd klemmen. Jij was ook maar een zinsbegoocheling.

‘Tien minuten’, wist hij rochelend uit te brengen. ‘Geef me tien minuten.’

Ze knikte en verdween. Verlangen haalde diep adem. Zijn bronchiën piepten verontwaardigd. Hij rolde uit bed en kroop naar de badkamer.

Hij nam een eenvoudige brunch in een gelegenheid die Henry’s café heette. Twee koppen zwarte koffie, een bier en een mineraalwater. De nevel in zijn hoofd trok langzaam op en toen hij er ook in slaagde een sigaret te roken, begon hij te begrijpen dat hij deze dag waarschijnlijk ook zou overleven.

Alsof dat ergens goed voor was.

De welkome terugkeer van de nicotine in zijn aderen stelde hem ook in staat om de vorige dag te recapituleren, in ieder geval selecte delen ervan, alsmede de reden van zijn aanwezigheid in dit ellendige gat.

Linden, gadverdamme, dacht hij. Ik heb me nog nergens zo beroerd gevoeld als hier.

Een half uur later verliet hij het café. Hij slaagde erin de Toyota te lokaliseren op de parkeerplaats van het hotel, gooide zijn tas op de achterbank en wandelde over de Aldemarckt naar de Landemaarstraat, naar het kantoor van Hennan. Het was vandaag iets koeler, godzijdank, er kwam bewolking opzetten uit het zuidwesten en als hij de tekenen niet verkeerd duidde, zou het voor de avond gaan regenen.

Hij bleef op zijn gewone plek staan en observeerde de zwijgende rechthoeken van de ramen boven de rij winkels. Hij keek op zijn horloge. Het was kwart voor twee. Je kon niet beweren dat hij zich vandaag met erg veel plichtsbesef of effectiviteit van zijn observatieopdracht had gekweten.

Het schoot hem te binnen dat hij Barbara Hennan iets van een verslag had beloofd, en hij dacht er even over na hoe hij dat zou presenteren.

Wat moest hij in vredesnaam zeggen?

Dat hij goede maatjes was geworden met zijn doelwit? Dat hij samen met hem in dat verdomde restaurant – hoe heette het ook alweer? – de ene whisky na de andere had gedronken en stomdronken in bed beland was, Joost mocht weten hoe laat. Als Joost toen tenminste nog wel wakker was.

Dat was niet bepaald wat je van een serieuze privédetective verwachtte, dat begreep Maarten Verlangen zelf ook wel.

Hij had zijn mond in ieder geval niet voorbijgepraat, dat wist hij zeker. Hij had toch nog genoeg tegenwoordigheid van geest gehad om Hennan niet te vertellen dat diens geliefde echtgenote hem als privésnuffelaar had ingehuurd om uit te zoeken wat hij uitspookte in de uren dat ze hem zelf niet zag. Dat was zo. Dat moest zo zijn.

In dat opzicht zat het dus wel goed. Maar wat moest hij zeggen over de situatie van dit moment?

Dat hij een gat in de dag had geslapen en dat hij een derdegraads kater had die hem helaas een tikkeltje arbeidsongeschikt maakte? Dat hij geen flauw idee had waar het doelwit op dit moment uithing?

Zou Barbara Hennan echt nog van zijn diensten gebruik willen maken na zulke overduidelijke missers? En ervoor betalen? Vast niet.

Wat dus te doen?

De auto! schoot het hem te binnen. Hennans blauwe Saab.

Natuurlijk. Verlangen stak een sigaret op en begon optimistisch door de wijk te sjokken. Als Hennan op kantoor was, moest zijn auto ergens in de buurt geparkeerd staan. Dat was zo zeker als dat tweemaal twee vier was en dat er hoeren op de Zwille waren.

Na een heel eind lopen, kriskras door de binnenstad van Linden, kon Verlangen constateren dat Hennans auto er niet stond. Nergens stond een glad gepolijste blauwe Saab geparkeerd. Er stonden überhaupt maar twee andere Saabs, geen van beide blauw, geen van beide bijzonder glad gepolijst.

Het leek er met andere woorden op dat Hennan vandaag niet op kantoor was. Dat was vrij logisch, in het licht van de whiskyconsumptie van de vorige avond, vond Verlangen toen hij er dieper over nadacht. Nadat hij nog een flesje mineraalwater had gehaald bij de kiosk op het plein, ging hij op een bankje zitten nadenken. Hij had geen telefoonnummer van de firma van Hennan, hij wist niet eens hoe die heette, dus de mogelijkheid om hem op die manier te pakken te krijgen was uitgesloten.

Hij dronk het water in twee teugen op en boerde. Hij bleef even zitten, en toen hij een zachte regendruppel op de rug van zijn hand meende te voelen besloot hij de gok te wagen en zijn opdrachtgever te bellen. Hij kon de koe net zo goed bij de hoorns vatten, bedacht hij.

Als hij tenminste dat gemakkelijk verdiende geld wilde blijven opstrijken, en dat wilde hij.

Ook ditmaal belde hij vanuit de telefooncel voor de slagerij. Hij liet de telefoon tien keer overgaan en trok de conclusie dat er niemand thuis was in Villa Zefier. Of althans dat niemand zin had om op te nemen. Hij stapte uit de cel en stopte zijn handen in zijn zakken. Het was na drieën en zoals het er nu uitzag, leek het nogal zinloos om vandaag nog meer energie aan het doelwit Hennan te besteden. In het bijzonder omdat hij op dit moment maar over een zeer beperkte hoeveelheid energie en geduld beschikte.

Door omstandigheden.

Bovendien regende het nu echt. Het was op zich geen harde bui, maar het regende wel gestaag door. Hij besloot om te gaan eten en naar huis te gaan. Volgens zijn afspraak met Barbara Hennan hoefde hij Jaan G. alleen door de week in de gaten te houden. Het was nu nog maar een paar uur tot vrijdagavond, dus als hij haar nog een keer vanuit Maardam probeerde te bereiken, kon hij daarna aan het weekend beginnen, om op maandagochtend weer fris en vrolijk aan de slag te gaan.

Zo gezegd, zo gedaan. Hij at een middelmatige pizza in Ristorante Goldoni, dronk een groot glas bier en voelde de levensgeesten weer in beweging komen. Om kwart voor vijf kroop hij in zijn trouwe Toyota, startte en zette koers naar Maardam.

Een uur later deed hij nogmaals een poging om te bellen, maar in Villa Zefier nam niemand op, en aangezien niets leek te willen lukken op deze godvergeten vrijdag, ging hij vlak na negen uur naar bed.

Een werkweek in het leven van privédetective Maarten Verlangen was ten einde.

‘Een ongeluk’, constateerde commissaris Sachs en hij frunnikte voorzichtig aan zijn dunne snor. ‘Dat is natuurlijk de meest logische verklaring. Al weet je het nooit.’

‘Helemaal juist’, beaamde Van Veeteren. ‘Zouden we misschien een globale samenvatting kunnen krijgen? We praten straks natuurlijk nog met Hennan, maar het is altijd goed om van tevoren al te weten uit welke hoek de wind waait, zeg maar.’

Sachs kuchte.

‘Ja, nou. Dit soort zaken waarbij iemand een dodelijke val maakt, zijn altijd nogal lastig.’

‘Lastig?’

‘Lastig, ja. Als we aannemen dat A en B op het balkon van een flat staan, of op een klif of iets dergelijks, en een paar seconden later ligt B vijftig meter lager dood op de grond, hoe moet je dan ooit bewijzen dat A hem heeft geduwd?’

Van Veeteren knikte.

‘Of dat hij dat niet heeft gedaan.’

‘Een motief’, zei Van Veeteren. ‘Je gaat na of er een motief is. Als dat er is, verhoor je de persoon in kwestie net zo lang tot hij het opgeeft. Een andere methode is er niet. In ieder geval geen betere.’

‘Maar in dit geval’, kwam Münster tussenbeide, ‘was ze toch alleen thuis?’

‘Voorzover wij weten wel, ja’, zei Sachs. ‘Maar dat is alleen omdat we tot nu toe nog geen informatie hebben gekregen die in een andere richting wijst. Het schijnt dat mevrouw Hennan in haar eentje wat heeft zitten drinken en daarna op het idee is gekomen om een baantje te trekken … of om zichzelf van het leven te beroven door in het lege bassin te springen.’

Van Veeteren dronk zijn koffiemok leeg en haalde een tandenstoker tevoorschijn.

‘Niet erg waarschijnlijk’, zei hij.

‘Wat niet?’ wilde Sachs weten.

‘Dat ze zichzelf van het leven heeft beroofd. Wat had ze aan?’

‘Een badpak … Een rood badpak. Bedoel je dat …?’

‘Ja. In de eerste plaats is het een verrekt onplezierige manier om dood te gaan. En onzeker.’

‘Ik weet niet of …’

‘Er bestaat een zeker risico dat je het overleeft’, verduidelijkte Van Veeteren. ‘En dan houdt dat zeer waarschijnlijk blijvende gevolgen in. Een rolstoel is het minste waar ie rekening mee moet houden.’

‘Ik begrijp het. Zo kun je het natuurlijk ook bekijken.’

‘Maar als we toch aannemen dat ze op deze manier uit het leven wilde stappen, waarom zou ze dan in vredesnaam een badpak aantrekken?’

Het was een paar seconden stil.

‘Omdat het een ongeluk moest lijken’, opperde Münster.

‘Zou kunnen’, zei Van Veeteren. ‘We moeten later maar eens kijken of we een dergelijke stelling kunnen onderbouwen. Maar op dit moment is een kort feitenoverzicht nuttiger, wat ik al zei. De omstandigheden van het echtpaar Hennan en dat soort dingen. Als jullie al wat gegevens hebben verzameld, natuurlijk.’

Sachs knikte en zette een leesbril met een dun montuur op. Hij bladerde een paar keer heen en weer door het notitieboekje dat voor hem op het bureau lag.

‘Veel is het niet’, verklaarde hij verontschuldigend. ‘De Hennans zijn hier in april pas komen wonen. Twee maanden geleden. Ze zijn half maart uit de Verenigde Staten gekomen, ze hebben een paar weken in een hotel in Maardam gelogeerd, terwijl ze een huis zochten … Ja, dat zijn natuurlijk gegevens die ik van Hennan zelf heb gekregen, maar daar hoeven we waarschijnlijk niet aan te twijfelen.’

‘Voorlopig niet’, beaamde Van Veeteren.

‘Hij is in Maardam geboren, maar heeft de laatste tien jaar in verschillende plaatsen in Amerika gewoond. New York. Cleveland. Austin. Denver. Hij heeft een firma die hier in Linden geregistreerd staat onder de naam G. Enterprises. Met een kantoor in de Landemaarstraat hier vlakbij. Een zakenman dus. Hij zegt dat hij dat altijd al is geweest. Zijn vrouw en hij hebben ervoor gekozen om naar Europa te verhuizen omdat de economische omstandigheden hier gunstiger zijn, volgens hem. Ik weet het niet, ik ben niet zo thuis in die dingen …’

‘Dat zij je vergeven’, zei Van Veeteren. ‘We weten immers wel met wat voor soort zaken hij zich bezighield voordat hij de Atlantische Oceaan overstak, maar het is natuurlijk mogelijk dat hij nu eerlijker is. Hoe zit het met zijn vrouw? Ze hebben elkaar in Denver ontmoet en zijn daar getrouwd, klopt dat?’

‘Inderdaad’, bevestigde Sachs. ‘Barbara Clarissa Delgado. Vijftien jaar jonger dan haar echtgenoot. We weten niets van haar, maar we zullen nog inlichtingen inwinnen. Hoe dan ook, ze huurden dat huis aan de Kammerweg. De eigenaar heet Tieleberg. Hij woont ergens in Spanje. Eerlijk gezegd denk ik dat het een van de duurste huizen van heel Linden is. Acht tot tien kamers en een keuken, volledig vrij gelegen op een perceel van een paar duizend vierkante meter … en een zwembad met een springtoren dus. De Kammerweg is helemaal een goudkust. Hij zal zijn schaapjes wel op het droge hebben, die meneer Hennan.’

‘Mhm’, mompelde Van Veeteren chagrijnig en hij brak de tandenstoker doormidden. ‘En wat zegt hij van dat zogenaamde ongeluk?’

‘Dat het een ongeluk was. Dat weet hij zeker. Zijn vrouw had geen enkele reden om zelfmoord te plegen. En wat betreft de mogelijkheid dat iemand haar heeft geduwd … ja, maar wie dan? Ze kende hier bijna niemand. En waarom? Volgens Hennan hadden ze een uitstekend huwelijk. Hij hield van haar, zij van hem … ze waren iets meer dan twee jaar getrouwd, dus … ze begonnen bijna aan kinderen te denken. Ze was per slot van rekening nog maar vierendertig.’

‘En dat drinken van haar dan?’ vroeg Münster. ‘Waarom zat ze zich in haar eentje te bedrinken, als het allemaal koek en ei was?’

Sachs zette zijn bril af en kneep met duim en wijsvinger in zijn neuswortel.

‘Daarover is hij wat vaag’, constateerde hij. ‘Dat vond ik in ieder geval. Waarschijnlijk heeft ze een aantal gin-tonics geconsumeerd en een aantal glazen sherry, maar Hennan beweert dat ze nooit van die grote hoeveelheden dronk. Hij geeft toe dat ze soms wel een paar glaasjes nam, ook als ze alleen was, maar niet zulke enorme hoeveelheden.’

‘Een promillage van 1,74. Dat is nogal wat’, zei Münster.

‘Zeker’, zei Sachs met een hoofdknik. ‘En Hennan liet zich ontvallen dat haar oordeelsvermogen wat minder werd wanneer ze dronken was … wat er toch op wijst dat dit niet de eerste keer was. Hij zegt dat haar lichaam het beter deed dan haar verstand, als ze dronken was. Dat betekent kennelijk dat ze wel op haar benen kon blijven staan, maar dat het met het denken slechter gesteld was.’

‘Hm’, zei Münster. ‘Dat zou kloppen met de veronderstelling dat ze op de toren geklommen is en is gesprongen zonder te kijken of er wel water in het zwembad zat.’

‘Zeker’, zei Van Veeteren. ‘Dat klopt precies. Maar ik denk dat we niet moeten vergeten van wie al deze informatie afkomstig is.’

Münster knikte en Sachs sloeg een bladzij om in zijn boekje.

‘Over Hennan zelf,’ ging hij verder, ‘die zat dus in een restaurant. Colombine. Dat zit achter het stadhuis. Van half acht tot half een ongeveer, beweert hij. We hebben nog niet met het personeel daar gesproken, maar dat zullen we zeer binnenkort doen. Ik krijg later vanmiddag een proces-verbaal van brigadier Behring. Misschien heeft hij een alibi, hij zou er in ieder geval een half uur à drie kwartier over doen om heen en weer te rijden naar de Kammerweg … ja, we moeten maar eens horen wat ze zeggen. Barbara Hennan schijnt ergens tussen half tien en half elf te zijn vermoord, naar wat ik heb begrepen.’

Hij keek Van Veeteren vragend aan.

‘Klopt’, bevestigde Van Veeteren. ‘Ik heb Meusse gebeld en hij denkt een uur of tien. Hij zit er zelden meer dan een half uur naast. Wat was jouw algemene indruk van Hennan? Verzwijgt hij iets?’

Sachs klapte zijn notitieboekje dicht en stopte zijn handen onder zijn oksels. Hij wipte achteruit op zijn stoel en dacht na.

‘Al sla je me dood’, zei hij ten slotte. ‘Hij was dan wel dronken toen ik hem sprak, maar toch … ja, heel erg beheerst op de een of andere manier. Als hij in shock was of zo – dat zou hij toch moeten zijn – dan was dat in ieder geval niet aan hem te merken. Hoewel … ja, ik weet eigenlijk niet wat voor indruk ik van hem heb. Ik ben blij dat jullie je ook een beeld komen vormen. Zoals ik al zei neig ik ertoe te denken dat het een ongeluk was, maar ik durf er geen eed op te doen.’

‘En geen tekenen dat ze iemand op bezoek had gehad? Iemand anders dus?’

‘Niet dat ons is opgevallen. Er stond bijvoorbeeld maar één glas. Maar we hebben het huis nog niet uitgekamd. Daar was … nog geen reden voor.’

Van Veeteren knikte en pakte met beide handen de armleuning van de fauteuil beet.

‘Goed’, zei hij. ‘Dan zullen we eens kijken wat brigadier Münster en ik kunnen bereiken. Als er iets van direct belang naar voren komt, komen we op de terugweg hier nog even langs. En anders bellen we wel.’

‘Jullie zijn altijd welkom’, verzekerde commissaris Sachs hun en hij zwaaide met zijn handen. ‘Een goede jacht, zoals dat heet.’