6

Toen commissaris Van Veeteren samen met Bismarck naar buiten liep, was het even over half zeven ’s ochtends, en de zon was nog niet boven het rijtje vuilbruine flats aan de overkant van de Wimmergracht uit gekomen.

Toch was het al goed uit te houden buiten. De temperatuur lag vast rond de twintig graden, en als je bedacht dat hij in een stad woonde waar drie van de vijf ochtenden een gemene wind stond en waar het om de dag regende, dan was er nu geen reden tot klagen.

In ieder geval niet over het weer.

Eventueel over het tijdstip. Zijn vrouw Renate had hem gewekt door hem een por met haar elleboog te geven en te beweren dat Bismarck jankte en naar buiten wilde. Zonder na te denken stond hij op, kleedde zich aan, maakte de riem van de grote newfoundlander vast en ging op pad. Hij werd waarschijnlijk pas wakker toen hij bij de kruising Wimmerstraat-Boolsweg kwam, waar een piepende tram schuin door de bocht ging en een litteken kerfde in zijn trommelvliezen.

Zo klaarwakker als een pasgeborene.

Bismarck sukkelde met haar neus boven het asfalt voor hem uit. Het doel stond vast. Het Randerspark. Vijf minuten ernaartoe, tien minuten rondstruinen en behoeften verrichten in de bosjes, vijf minuten terug. Van Veeteren had dit stuk eerder gelopen, en soms vroeg hij zich af of de oude, trouwe hond eigenlijk wel zo veel zin had in deze verplichte ochtendwandeling.

Misschien deed ze het om het de mensen bij wie ze woonde naar de zin te maken; die hadden elke ochtend beweging nodig, om de beurt, dat was wat eigenaardig, maar Bismarck stond altijd klaar, weer of geen weer. Het was een huiveringwekkende gedachte, maar zo’n soort hond was ze, en hoe kwam je er ooit achter?

Aanvankelijk was het helemaal niet de bedoeling geweest dat Van Veeteren zich met deze ochtendlijke exercities zou bezighouden. Bismarck was de hond van zijn dochter Jess, die haar acht jaar geleden had gekregen. Na elf maanden hardnekkig onderhandelen.

Ze was toen dertien. Nu was ze eenentwintig en ze studeerde een jaar aan de Sorbonne in Parijs. Ze woonde in een soort internaat in een piepklein kamertje, waar je geen newfoundlander of ander huisdier kon hebben. Zelfs een Frans vriendje was al moeilijk.

Dus Bismarck moest in Maardam blijven.

Er was ook nog een zoon in huis. Hij heette Erich, was vijftien jaar oud en hield er niet van om ’s ochtends honden uit te laten. Dat moest hij toch af en toe nadat zijn grote zus naar Parijs was verhuisd, maar vanochtend was hij niet thuis.

Joost mag weten waar hij zit, dacht Van Veeteren opeens.

Hij had de vorige avond om elf uur gebeld en aan zijn moeder verteld dat hij bij een vriend in Löhr zou blijven slapen. Een jongen uit zijn klas, of misschien een parallelklas, en ze zouden door de vader van die vriend meteen naar school gebracht worden.

Hoe heette die vriend? wilde Van Veeteren weten toen zijn vrouw had opgehangen en de situatie had uitgelegd.

Dat wist ze niet meer. Iets met een M, ze dacht niet dat ze zijn naam eerder had gehoord.

Heeft hij een schone onderbroek en een tandenborstel bij zich? had Van Veeteren ook willen weten, maar hij had niet de moeite genomen zijn vrouw daar verder over door te zagen.

Bismarck sloeg af naar de ingang van het park en schonk geen aandacht aan een goed gewatergolfde poedel, die na gedane arbeid op de terugweg was met zijn vrouwtje.

Ik moet een dezer dagen nodig eens met Erich praten, dacht Van Veeteren en hij vond het pakje West in zijn jaszak. Het wordt tijd.

Hij stak een sigaret op en besefte dat hij diezelfde gedachte al een jaar lang had. Met regelmatige tussenpozen.

Hij ontbeet samen met zijn vrouw. Ze zeiden allebei niets, ook al zaten ze ruim een half uur met de kranten aan de keukentafel.

Misschien moest hij een dezer dagen ook eens met Renate praten, besefte hij toen hij de voordeur achter zich had dichtgeslagen. Dat werd ook tijd.

Of hadden ze alle woorden al opgebruikt?

Dat was een lastige vraag. Ze waren vijftien jaar getrouwd geweest, hadden twee jaar gescheiden geleefd zonder dat ze erin geslaagd waren uit elkaar te gaan, en daarna waren ze nog eens zeven jaar getrouwd geweest.

Vierentwintig jaar, dacht hij. Dat is zo’n beetje mijn halve leven.

Hij was ook vierentwintig jaar bij de politie. Alsof die feiten op de een of andere manier met elkaar te maken hadden. Twee halve levens die samen één geheel vormen? drong het tot hem door.

Ach, welnee! Als je een halve eend hebt en een halve adelaar, dan heb je heus nog geen complete vogel.

Hij besefte dat dat een idiote vergelijking was, en tijdens de wandeling naar het bureau probeerde hij na te gaan hoe vaak hij het afgelopen jaar de liefde had bedreven met zijn vrouw.

Hij kwam op drie keer uit.

Als hij het positief bekeek. Die laatste keer – in april – viel eigenlijk niet in de categorie liefde.

Eigenlijk ook niet in een andere categorie.

Zo gaan die dingen, dacht hij en het scheelde een haar of hij was in de kots gestapt die iemand op het trottoir had gedeponeerd. Het had weliswaar erger gekund, maar ook stukken beter, verdorie.

Op weg naar zijn kamer op de vierde verdieping liep hij brigadier Münster tegen het lijf.

‘De zaak-Kaunis’, riep hij in herinnering. ‘Hoe staat het daarmee?’

‘Die ligt stil’, verklaarde Münster. ‘De verhoren die we volgende week wilden afnemen, dat lukt allemaal niet.’

‘Waarom niet?’

‘Eén getuige zit in Japan en een ander wordt vanochtend geopereerd.’

‘Hij overleeft het toch wel?’

‘De arts dacht van wel. Het gaat om spataderen.’

‘Juist ja’, zei de commissaris. ‘Verder nog iets?’

‘Ja, ik ben bang van wel’, zei Münster. ‘Hiller zal u er waarschijnlijk over inlichten. Er is iets voorgevallen in Linden, als ik het goed begrepen heb.’

‘In Linden?’

‘Ja. Als we niets belangrijkers hebben, en dat hebben we nu misschien niet …’

‘We zullen zien’, zei Van Veeteren. ‘Je zit op je kamer als ik je nodig heb?’

‘Onder een stapel papier’, zei Münster met een zucht en hij liep verder de gang door.

Van Veeteren stapte zijn werkkamer binnen en het viel hem op dat het ongeveer zo rook als in een vrijgezellenhotel. Niet dat hij ooit in een dergelijk etablissement had gewoond, maar hij had er voor zijn werk wel een paar bezocht.

Hij zette het raam wijd open, stak een sigaret op en inhaleerde diep. Weer een ochtend van mijn leven, dacht hij en hij besefte dat hij het allerliefst nog een uurtje naar bed zou gaan.

Stond er in het handboek dat het verboden was een bed op je kamer te hebben?

‘Ja, hrrm, wat betreft dat voorval in Linden’, zei Hiller en hij goot water in een pot met gele gerbera’s. ‘We zullen er wel even een kijkje moeten gaan nemen.’

‘Waar gaat het om?’ vroeg Van Veeteren en hij keek om zich heen naar de planten van de politiechef. Er stonden er naar schatting een stuk of dertig: voor het grote panoramaraam, op het bureau, op een klein hoektafeltje en op de boekenplanken. Het lijkt wel een obsessie, dacht hij en hij vroeg zich af waar dat op wees. Rozen kweken was een surrogaat voor passie, dat had hij ergens gelezen, maar Hiller teelde heel wat meer variëteiten in zijn werkkamer op de vijfde verdieping van het bureau. Van Veeterens botanische kennis was beperkt, maar hij dacht toch dat hij een aspidistra, een hortensia en een yuccapalm kon identificeren.

En de gerbera’s dus. De politiechef zette de gieter neer.

‘Een dode vrouw’, zei hij. ‘Op de bodem van een zwembad.’

‘Verdronken?’

‘Nee, beslist niet verdronken.’

‘Nee?’

‘Er zat geen water in het bad. Dan is het moeilijk om te verdrinken. Om niet te zeggen onmogelijk.’

Een heel klein scheef glimlachje gaf aan dat Hiller een grapje had gemaakt. Van Veeteren ging in de bezoekersstoel zitten.

‘Moord? Doodslag?’

‘Waarschijnlijk niet. Vermoedelijk was het een ongeluk en is ze er gewoon in gevallen. Of ze is bij vergissing gesprongen. Maar dat is wat onduidelijk en Sachs heeft om hulp gevraagd. Hij kan het niet helemaal bolwerken na dat infarct … dat weet je misschien nog wel? Hij schijnt dat zelf ook te beseffen, maar hij heeft immers nog maar een jaar te gaan tot aan zijn pensioen.’

Van Veeteren zuchtte. Hij had drie of vier keer met commissaris Sachs samengewerkt. Hij had geen vastomlijnd oordeel over hem, niet negatief en niet positief, maar hij wist dat hij een paar maanden geleden een lichte hersenbloeding had gehad die zijn oordeelsvermogen wellicht een weinig had aangetast. Zoiets had hij tenminste gehoord, maar of het echt zo was of dat Sachs onzeker was geworden nadat hij slechts door een vaatwand van één micrometer dun gescheiden was geweest van de dood, ja, dat was natuurlijk moeilijk te beoordelen.

‘Wanneer is het gebeurd?’ vroeg hij.

‘Vannacht’, zei de politiechef en hij frunnikte aan zijn onberispelijk gestrikte stropdas. ‘Je kunt natuurlijk iemand sturen, maar als je het niet heel druk hebt, stel ik voor dat je zelf gaat. Met het oog op Sachs, dus. Hoewel er niets is wat op vuil spel wijst, bedenk dat wel. Als je het slim aanpakt, ben je er in een paar uurtjes wel mee klaar.’

‘Ik ga zelf wel’, zei Van Veeteren en hij stond op. ‘Een eindje rijden kan wel prettig zijn.’

‘Hmpff’, zei Hiller.

‘Jaan G. Hennan!’ barstte Van Veeteren uit toen Münster hen uit het labyrint van de parkeergarage onder het bureau loodste. ‘Ik weet niet wat ik zie.’

‘Hoezo niet?’ vroeg Münster. ‘Wie is Hennan?’

Maar Van Veeteren gaf geen antwoord. Hij had een procesverbaal van de zaak gekregen, geschreven door een zekere Wagner. Het besloeg drie kantjes en bevatte ook een korte verklaring van dokter Meusse, de gerechtsarts. Die blaadjes hield hij nu in zijn handen en hij probeerde zich in te lezen. Münster wierp een blik op zijn chef en besefte dat hij zich beter op het rijden kon concentreren.

‘Hennan …’ mompelde de commissaris en hij las verder.

Uit het proces-verbaal van Wagner bleek dat de dode vrouw Barbara Hennan heette en dat de politie door middel van een telefoontje van de echtgenoot van de overledene (binnengekomen om 01.42 uur) naar de plaats des onheils (Kammerweg 4 in Linden) was geroepen.

Een zekere Jaan G. Hennan dus. De politie was om 02.08 uur ter plaatse, had geconstateerd dat de vrouw op de bodem van een leeg bassin lag en inderdaad dood was. Hennan was meteen verhoord, en tijdens dat verhoor was gebleken dat hij om 01.15 uur was thuisgekomen en dat hij zijn vrouw overal vergeefs gezocht had, totdat hij haar in het voornoemde bassin aantrof. Zowel een van de plaatselijke artsen, dokter Santander, als gerechtsarts Meusse van het gerechtelijk geneeskundig laboratorium in Maardam had de dode onderzocht, en hun conclusies waren eensluidend: Barbara Hennan was overleden aan omvangrijk letsel aan hoofd, ruggengraat, nek en romp. Niets wees erop dat ze dat letsel op een andere manier had opgelopen dan bij een val in het drooggelegde bassin. Of eventueel een sprong of een duw. De lijkschouwing was nog niet afgerond, dus er zou nog aanvullende informatie komen.

Het tijdstip van overlijden lag waarschijnlijk tussen 21.00 en 23.00 uur. Hennan had verklaard dat hij zich toen in restaurant Colombine in Linden had bevonden. Hij had zijn vrouw ’s ochtends om acht uur voor het laatst in leven gezien, toen zij met de auto van huis vertrok, op weg naar Aarlach. Wanneer ze van dat tochtje was teruggekeerd, was niet bekend. En ook niet hoe ze in het bassin was beland. Alle informatie die tot nu toe was ingewonnen kwam van de eerdergenoemde Jaan G. Hennan.

In Meusses korte verklaring werd alleen vermeld dat alle fracturen en verwondingen consistent waren met het vermoeden dat de dode vrouw in het zwembad was gevallen (of gesprongen, of een handje geholpen), en dat er een alcoholpromillage van 1,74 was gemeten in haar bloed.

‘Dronken’, mompelde de commissaris toen hij klaar was met lezen. ‘Een dronken vrouw die in een leeg zwembad duikelt. Vertel mij maar eens waarom de Maardamse recherche voor zo’n zaak uitrukt.’

‘Wat was er nou met die Hennan?’ probeerde Münster. ‘U wist niet wat u zag, zei u dat niet?’

Van Veeteren vouwde de papieren op en stopte ze in zijn aktetas.

‘G.’, zei hij. ‘Zo noemden we hem.’

‘G.?’

‘Ja. Ik heb bij hem op school gezeten. Zes jaar lang in dezelfde klas.’

‘O? Jaan G. Hennan. Waarom … uh … Waarom kreeg hij maar één letter, zeg maar?’

‘Omdat er twee waren’, zei Van Veeteren, hij trok aan een hendel en zette de rugleuning van de passagiersstoel zo ver naar achteren dat hij bijna lag. ‘Twee met dezelfde naam. Jaan Hennan. De leraren moesten hen natuurlijk uit elkaar houden en er stond kennelijk Jaan G. Hennan op een klassenlijst of in een almanak. Ik geloof dat we hem ongeveer een week Jaan G. hebben genoemd, en daarna werd het alleen G. Hij vond het zelf wel best, hij had de simpelste handtekening van de school.’

‘G.?’ herhaalde Münster. ‘Ja, het heeft wel iets.’

De commissaris knikte vaag. Hij viste een tandenstoker op uit zijn borstzakje en bekeek die zorgvuldig voordat hij hem tussen zijn ondertanden stak.

‘Wat was het voor iemand?’

‘Hoezo? Wat bedoel je?’

‘Nou, in die tijd dus. Die G.?’

‘Waarom vraag je dat?’

‘Omdat u ergens op zinspeelde.’

Van Veeteren draaide zijn hoofd opzij en keek een poosje uit het zijraampje voor hij antwoord gaf. Hij trommelde met zijn vingertoppen tegen elkaar.

‘Münster’, zei hij ten slotte. ‘Laat dit voorlopig even onder ons blijven, maar zo’n onsympathieke klootzak als Jaan G. Hennan ben ik geloof ik mijn hele leven nooit meer tegengekomen.’

‘Wat?’ zei Münster.

‘Je hebt me wel gehoord.’

‘Ja. Het is me wat. Ik bedoel, wat betekent het onder deze omstandigheden? Het kan toch niet helemaal onbelangrijk zijn? Als …’

‘Hoe is het thuis?’ viel Van Veeteren hem in de rede. ‘Nog altijd even idyllisch?’

Thuis? dacht Münster, en hij ging harder rijden. Typisch. Heb ik a gezegd, mag ik per se geen b zeggen.

‘Zoals je zaait, zul je oogsten’, antwoordde hij en tot zijn grote verrassing kwam er een geluid uit de commissaris dat aan een lach deed denken.

Kort en vluchtig, maar toch.

‘Bravo, Münster’, zei hij. ‘Ik zal je te zijner tijd wat meer over G. vertellen, dat beloof ik. Maar ik wil je de mogelijkheid niet ontnemen om eerst een onvervalste eigen eerste indruk op te doen. Snap je wel?’

Münster haalde zijn schouders op.

‘Dat snap ik’, bevestigde hij. ‘En dat hij de grootste rotzak van de hele wereld is, dat ben ik natuurlijk alweer vergeten.’

‘Natuurlijk’, zei de commissaris. ‘Geen vooroordelen, dat is het credo van ons korps. Hoe dan ook, we gaan eerst bij politiechef Sachs langs. Probeer er niet aan te denken dat hij een hersenbloeding heeft gehad.’

‘Dat is waar ook’, zei Münster. ‘Interessante klus, dit. Dat moet ik wel zeggen.’

‘Ontegenzeggelijk’, beaamde Van Veeteren.