5

Aspirant Wagner geeuwde en keek op de klok. Het was vijf over half twee.

Toen keek hij naar de kruiswoordpuzzel. Die was niet opgelost.

Voor het grootste deel niet in ieder geval. Hij had acht hokjes ingevuld. Twee woorden. Hij was van geen van beide zeker dat ze goed waren.

Om de tijd te verdrijven begon hij de lege hokjes te tellen.

Vierennegentig stuks. Je kon niet beweren dat hij al ver was gekomen.

Hij overwoog of hij toch niet even op de brits zou gaan liggen. Je hoefde niet wakker te blijven als je dienst had. Het was genoeg als je ter plaatse was en zo nodig de telefoon kon opnemen. De instructies waren in dat opzicht even eenduidig en helder als alles op het politiebureau.

Het politiebureau van Linzhuisen. Wagner werkte hier nu bijna een jaar en het beviel hem prima. Hij was vijfentwintig jaar oud en kon zich een heel leven bij de politie zeer goed voorstellen. Zeker in een kleinere plaats als deze. Er heerste orde en netheid, de pensioenvoorwaarden waren goed en er was geen criminaliteit van betekenis.

Leuke collega’s ook, zowel Gaardner, zijn chef, als Willumsen, met wie hij regelmatig tenniste.

Linzhuisen was geen zelfstandig politiedistrict, het viel onder Linden, waar ook de politiechef, commissaris Sachs, zetelde. Ze hadden wat meer personeel in Linden, twee brigadiers en drie of vier agenten en surveillanten.

Maar ze deelden de nachtdiensten dus. Het was natuurlijk onnodig dat er zowel in Linden als in Linzhuisen elke nacht een aspirant of brigadier zat te suffen, de beide plaatsen lagen maar twaalf kilometer uit elkaar, en als er uitgerukt moest worden, moesten ze toch hulp inroepen. Collega’s wakker maken die piketdienst hadden, of naar Maardam bellen.

Voor Wagner hield deze regeling in dat hij vier nachten per maand op het bureau zat, en daar had hij niets op tegen.

Integendeel. Die eenzame nachtelijke uren hadden wel iets. Het sprak hem wel aan om hier op het donkere bureau de wacht te houden en de wet te handhaven, terwijl de rest van de wereld van zijn welverdiende slaap genoot. Hij stond paraat om hulp te sturen zodra een getroffen burger zijn aandacht vroeg, ja, was die rol niet het belangrijkste, hoewel misschien niet het meest uitgesproken, motief geweest toen hij vier jaar geleden toelatingsexamen deed voor de politieacademie?

Dat je mocht waken over het leven en de bezittingen van de mensen en dat je hun veiligheid waarborgde.

Soms, wanneer hij zichzelf op dergelijke gedachten betrapte, vroeg aspirant Wagner zich af of hij ze niet moest opschrijven. Misschien waren ze te gebruiken op de opleiding en bij het werven. Waarom niet?

En daarom, vanwege die gevoelens, vond hij het als puntje bij paaltje kwam ook geen goed idee om te gaan liggen slapen. Hoewel, als er niets gebeurde – en er gebeurde nooit iets – zou hij het in de kleine uurtjes toch laten afweten, dat wist hij. Na half drie was het bijna geen doen om wakker te blijven, daar hielp geen kruiswoordpuzzel ter wereld tegen.

Hij kauwde op zijn pen, dronk een slok koffie en probeerde zich te concentreren.

Vier verticaal, zeven letters, de tweede was misschien een a: literaire speurneus in Parijs.

Ik moet af en toe eens een boek lezen, dacht Wagner met een zucht.

Hij keek weer op de klok. Kwart voor twee.

Toen rinkelde de telefoon.

Commissaris Sachs droomde dat hij een dolfijn was.

Een jong mannetje met een atletisch lichaam, dat rondzwom in koel, smaragdgroen zeewater, tussen een hele school vrouwtjes. Ze tuimelden in het rond, gleden vlak langs elkaar heen, voerden fraaie sprongen uit in de zon boven het glinsterende wateroppervlak en maakten diepe duiken naar de bodem van de zee. Ze wreven met hun borsten, ruggen en buiken tegen elkaar in een dartele, wellustige dans.

Hier wil ik altijd blijven, dacht hij. Ik wil altijd een soepel dolfijnenmannetje zijn, te midden van hitsige dolfijnenvrouwtjes.

Het rinkelen van de telefoon sneed als een zaagblad door zijn ruggenmerg en hersenstam. Hij pakte de hoorn zonder zijn ogen open te doen.

‘Sachs.’

‘Commissaris?’

‘Mhm …’

‘U spreekt met Wagner.’

‘Met wie?’

‘Met aspirant Wagner uit Linzhuisen. Ik heb nachtdienst en heb zojuist een …’

‘Hoe laat is het?’

‘Zeven voor twee. Ik kreeg net een telefoontje … Om exact één uur vijfenveertig … over een dode vrouw.’

Sachs deed zijn ogen open en sloot ze weer.

‘Ja?’

‘Het was een man. Die belde dus. En zijn vrouw is dood … Hennan, zo heet hij. Jaan G. Hennan. Ze wonen in Linden, dus ik dacht …’

‘Momentje. Ik neem het andere toestel.’

Sachs kwam overeind en slofte naar zijn werkkamer. Hij nam de telefoon op het bureau op.

‘Ga door.’

‘Ja, ik ga een arts bellen en zo, maar het leek mij het beste om u eerst te waarschuwen.’

‘Prima. Maar wat is er gebeurd? Probeer wat langzamer te praten, alsjeblieft.’

Wagner schraapte zijn keel en haalde diep adem.

‘Ze heet Barbara Hennan. Ze wonen aan de Kammerweg, dat ligt kennelijk een eindje buiten het centrum …’

‘Van Linden dus?’

‘Ja.’

‘Ik weet waar dat is.’

‘Natuurlijk. Ja, deze man, Jaan G. Hennan dus, was kennelijk nogal laat thuisgekomen … rond half twee ongeveer … en toen vond hij zijn vrouw in het zwembad.’

‘Het zwembad?’

‘Ja.’

‘Verdronken?’

‘Nee, integendeel.’

‘Integendeel? Wat nou “integendeel”, verdorie.’

‘Ze lag … ze ligt op de bodem, zei hij …’

‘Maar ze is niet verdronken?’

‘Nee. Er zit kennelijk geen water in het zwembad.’

Sachs staarde recht voor zich uit naar het ingelijste portret van zijn kinderen, dat boven het bureau hing. Het was een tweeling en afgezien van het feit dat ze dezelfde huidskleur en dezelfde ouders hadden, waren ze zo verschillend als twee mensen maar kunnen zijn.

‘Geen water?’

‘Nee, dat beweert hij. Ze ligt op de bodem, hij zegt dat ze waarschijnlijk een dodelijke val heeft gemaakt.’

Sachs dacht na.

‘Goed. Wat heb je hem voor instructies gegeven?’

‘Dat hij thuis moest blijven en op ons moest wachten.’

‘Is er een reden om aan te nemen dat het om een misdrijf gaat?’

‘Nja … nee, maar het leek me toch het beste om …’

‘Uiteraard. Heb je nog meer informatie van hem gekregen? Hoe klonk hij?’

‘Een beetje dronken, geloof ik.’

‘O ja? Hoe dronken?’

‘Ik weet het niet. Moeilijk te zeggen, maar best wel … waarschijnlijk.’

Sachs zuchtte.

‘Dus het kan een geintje zijn? Iemand die een loopje met ons wil nemen? In principe dus?’

‘In principe wel. Maar daar ben ik niet van uitgegaan. We moeten toch op zijn minst …’

‘Natuurlijk. Natuurlijk. Wat was het adres, zei je?’

‘Kammerweg 4. De naam is Hennan, zoals ik al zei.’

Sachs slaagde erin een pen te vinden en schreef het op.

‘We zien elkaar daar over tien minuten’, zei hij. ‘Als jij er eerder bent dan ik, wacht dan op me. En bel de dokter, we wachten met de rest totdat wij de situatie in ogenschouw hebben genomen. Heb je dat begrepen?’

‘Begrepen, commissaris’, verzekerde Wagner hem.

‘Uitstekend. Eropaf!’ zei Sachs en hij hing op.

Hij keerde terug naar de slaapkamer. Toen hij het bedlampje aandeed om zijn kleren te zoeken, draaide Irene, zijn vrouw, zich om in bed en mompelde iets in haar slaap. Hij bleef even naar haar staan kijken.

Ze doet me een beetje denken aan een dolfijn, dacht hij. Tenminste haar gezicht.

Hij pakte zijn kleren bij elkaar, deed het licht uit en sloop naar de keuken.

Aspirant Wagner was nog niet ter plaatse, maar dokter Santander, de schouwarts, al wel. Toen Sachs zich een weg baande door de nogal verwilderde tuin, zag hij hem bij een groepje strandstoelen aan de rand van het bassin staan. Hij was in gesprek met een forse vijftiger.

Hij zag hen uit de verte al heel duidelijk, aangezien het hele zwembad baadde in licht. Rondom brandde een aantal schijnwerpers, die aan de bomen waren vastgemaakt, en toen de commissaris uit het donker naar voren trad, schrok de dokter; hij keek bijna bang. Sachs kreeg even het idee dat hij een filmopname was binnengebanjerd, en die indruk kon hij niet zomaar van zich afzetten, hoewel Santander hem een brede glimlach toewierp zodra hij hem had herkend. Hij stelde hem voor aan de breedgeschouderde man.

‘Welkom’, zei deze en hij stak zijn hand uit. ‘Mijn naam is Hennan. Jaan G. Hennan. Daarbeneden ligt mijn vrouw.’

In de hand waarmee hij wees hield hij een dun, zwart sigaartje tussen wijs- en middelvinger. In de andere had hij een glas. Sachs ging bij de rand van het bad staan.

Op de bodem van het lege en onverwacht diepe bassin, een paar meter van de ene korte kant, lag een vrouw languit op haar buik. Ze was gekleed in een rood badpak, haar armen lagen in een rare hoek en onder haar hoofd had zich een plas bloed gevormd die fel contrasteerde met de witte tegels. Haar haar was ook rood, maar dan iets lichter. Sachs twijfelde er geen seconde aan dat ze dood was, ook al stond hij zeker een meter of vijftien à twintig van haar af.

‘Hoe kom je beneden?’ vroeg hij.

‘Verderop is een trapje.’

Nu was het Santander die wees.

‘Ik heb haar snel even bekeken’, verklaarde hij en hij zette zijn zware, hoornen bril recht. Het lijkt erop dat de heer Hennan gelijk heeft. Ze zal wel gevallen zijn en … ja, waarschijnlijk was ze op slag dood.’

Sachs liet zijn blik tussen de dokter en Hennan heen en weer gaan. Hennan zette zijn glas neer.

‘Hoe laat hebt u haar gevonden?’ vroeg Sachs.

Hennan keek op zijn gouden horloge.

‘Ruim een uur geleden’, verklaarde hij. ‘Ik kwam thuis en zag haar nergens, dus ben ik naar buiten gegaan en … ja …’

Hij zwaaide met zijn handen in een besluiteloos gebaar. Hij draaide zich om en keek even naar het lichaam dat onder in het lege bassin lag. Sachs probeerde oogcontact met Santander te krijgen, maar die had zijn dokterstas gepakt en was tussen zijn instrumenten aan het rommelen.

‘Het is verschrikkelijk’, ging Hennan verder en hij nam een trekje van zijn sigaar. ‘Heel verschrikkelijk.’

Sachs knikte en probeerde zich een oordeel over hem te vormen. Hij was duidelijk dronken, maar tegelijkertijd had hij een zelfbeheersing en een afstandelijkheid die onder deze omstandigheden iets absurds hadden. Alsof het om een zieke hond ging of zoiets, in plaats van om een dode echtgenote. Hij droeg een lichte katoenen broek met daaroverheen een blauw overhemd met korte mouwen. Hij was op blote voeten, hij zou zijn schoenen en sokken wel hebben uitgetrokken voordat hij zijn vrouw ging zoeken, nam Sachs aan.

Gebruind en in goede conditie. Donker, kortgeknipt haar met een beetje grijs erin, dat nog helemaal niet dun leek, hij had zelfs geen inhammen. Een wilskrachtig gezicht met een brede mond en diepliggende ogen.

‘Hoe voelt u zich?’

Hennan leek een paar mogelijke antwoorden tegen elkaar af te wegen voor hij iets zei.

‘Ik weet het niet goed’, zei hij. ‘Ik ben niet helemaal nuchter, helaas.’

Sachs knikte.

‘Maar ik neem aan dat ik een soort shock heb opgelopen.’

‘De reactie komt vaak later’, zei de arts. ‘Dat duurt meestal even.’

‘Ik moet het hier natuurlijk uitgebreid met u over hebben’, deelde Sachs mee. ‘Maar ik stel voor dat we op mijn collega wachten, hij kan elk moment hier zijn.’

‘Waarom moeten we …?’ begon Hennan, maar Sachs viel hem in de rede.

‘Het lijkt natuurlijk een ongeluk. We kunnen echter de mogelijkheid niet uitsluiten dat het om iets anders gaat.’

‘Iets anders?’ vroeg Hennan, maar bijna onmiddellijk scheen hij te begrijpen waar Sachs heen wilde. ‘U bedoelt …?’

‘Exact’, zei Sachs. ‘Je weet nooit. Kijk, daar zullen we onze aspirant hebben.’

Aspirant Wagner dook op uit het duister en gaf iedereen een hand. Het viel Sachs op dat zijn uniform eruitzag alsof het tien minuten geleden van de kleermaker was gekomen.

‘Ik heb Maardam gebeld voor assistentie’, zei Santander. ‘Maar u wilt misschien beneden een kijkje gaan nemen voordat ze hier zijn?’

Sachs dacht even na.

‘Nee’, zei hij. ‘Ik wacht wel. Maar neemt u aspirant Wagner maar mee naar beneden, dan kan ik intussen met meneer Hennan praten.’

Als er aanleiding is om met een misdrijf rekening te houden, dan moet de recherche van Maardam het toch overnemen, dacht hij. En zijn jonge ogen zijn beter dan mijn oude.

De dokter en de aspirant begaven zich naar het trapje aan de overkant van het bad. Sachs gebaarde met zijn hand naar de strandstoelen. Hennan knikte ietwat afwezig en ze gingen zitten. Sachs haalde zijn notitieboekje tevoorschijn.

‘Ik ga een aantal vragen stellen’, zei hij. ‘Het is puur routine. Het is mijn plicht om zo te werk te gaan. Dat moet u niet persoonlijk opvatten.’

‘Ik begrijp het’, zei Hennan en hij stak zijn sigaar aan die was uitgegaan.

‘Uw volledige naam?’

‘Jaan Genser Hennan.’

‘En van uw vrouw?’

‘Barbara Clarissa Hennan.’

‘Haar meisjesnaam?’

‘Delgado.’

‘Leeftijd?’

‘Ze … ze zou in augustus vijfendertig geworden zijn.’

‘Een stukje jonger dan u dus?’

‘Vijftien jaar jonger. Wat heeft dat ermee te maken?’

Sachs haalde zijn schouders op.

‘Vermoedelijk niets. En u woont hier?’

‘Jazeker.’

‘Kinderen?’

‘Nee.’

‘Mooi huis. Hoelang woont u hier al?’

Hennan nam een trekje en frunnikte aan zijn glas zonder het op te tillen.

‘We huren dit huis. Mijn vrouw is … was … Amerikaanse. We hebben jaren in Denver gewoond, maar afgelopen voorjaar zijn we hier komen wonen.’

‘U komt hiervandaan?’

‘Geboren en getogen in Maardam.’

‘Juist ja. Wat voor werk doet u?’

‘Ik heb een importfirma.’

‘Waar?’

‘Hier in Linden. Voorlopig heb ik alleen een klein kantoor bij de Aldemarckt.’

‘Wat importeert u?’

‘Van alles. Als er maar geld in zit. Vooral elektronische producten uit Zuidoost-Azië. Onderdelen voor muziekinstallaties, rekenmachines en dergelijke.’

Sachs knikte en besloot dat dit genoeg achtergrondinformatie was.

‘Vertelt u eens wat er vanavond is gebeurd’, vroeg hij.

Hennan sloeg zijn benen over elkaar en leek te aarzelen.

‘Er valt niet veel te vertellen’, verklaarde hij. ‘Zoals ik al zei, ik kwam thuis en toen vond ik haar daarbeneden …’

‘Hebt u gekeken of ze dood was voordat u de politie belde?’

‘Ja, natuurlijk. Ik heb zelfs haar pols gevoeld, ook al begreep ik dat er geen hoop was. Ze was helemaal koud.’

‘Heeft de dokter gezegd hoelang ze daar gelegen kan hebben?’

Hennan knikte.

‘Een paar uur, beweert hij.’

‘En wat denkt u dat er is gebeurd?’

Hennan fronste verbaasd zijn wenkbrauwen en keek de commissaris een paar seconden aan.

‘Dat is toch duidelijk. Ze is erin gevallen … of gesprongen.’

‘Gesprongen? U denkt toch niet dat ze zelfmoord heeft gepleegd? Waarom denkt u …?’

‘Dat bedoel ik helemaal niet!’ viel Hennan hem verontwaardigd in de rede. ‘Sla niet zo’n onzin uit, man! Mijn vrouw ligt daar dood en ik wil geen kletspraat horen dat ze het met opzet heeft gedaan … dat is uitgesloten. Volkomen uitgesloten, hoort u dat?’

‘Ik hoor het’, verklaarde Sachs. ‘Maar ik vind het een tikkeltje merkwaardig dat ze …’

‘Er zit geen water in het zwembad’, zei Hennan kwaad. ‘Is u dat niet opgevallen?’

Sachs vouwde zijn handen rond zijn rechterknie en wachtte even voor hij verderging.

‘Wat wilt u daarmee zeggen?’ vroeg hij.

‘Dat ze dat vergeten was, natuurlijk.’

‘Wat was ze vergeten?’

‘Dat ik het zwembad vandaag leeg had laten lopen.’

‘O ja?’

‘O ja? Wat bedoelt u daarmee?’

‘U hebt het water weg laten lopen, zegt u. Waarom?’

Hennan snoof en schudde melodramatisch zijn hoofd over zoveel onwetendheid.

‘Omdat dat soms moet. Nu moesten er bepaalde reparaties worden uitgevoerd. Morgen komen de werklieden … Nee, vandaag.’

Hij keek op zijn horloge en Sachs deed hetzelfde.

Tien voor drie.

‘Dus u liet het zwembad leeglopen. Uw vrouw was dat vergeten en sprong erin. Dat is uw kijk op wat er is gebeurd?’

‘Hoe moet ik het verdomme anders zien?’

Sachs wachtte weer een paar seconden, terwijl hij de waarschijnlijkheid van Hennans theorie probeerde te beoordelen.

‘Iemand kan haar ook hebben geduwd’, zei hij toen. ‘U, bijvoorbeeld.’

Hennans gelaatskleur werd een paar tinten donkerder.

‘Gelul’, zei hij. ‘Ik zat de hele middag en avond in Linden.’

‘Op uw kantoor?’

‘Ja, eerst was ik met het zwembad bezig geweest, het duurt een paar uur voordat het leeg is. Ik was om even na elf uur op mijn werk, als ik me goed herinner.’

‘En uw vrouw?’

‘Die ging vanmorgen vroeg naar Aarlach. Ze wilde op zoek gaan naar een paar porseleinen beeldjes … die verzamelen we. Ze dacht dat ze bij Hendermaag misschien iets zou kunnen opduikelen.’

‘Hendermaag?’ vroeg Sachs, die ook geen verstand had van porselein.

‘Ja. Nu begint het me de keel uit te hangen, commissaris. Ik kom thuis en tref mijn vrouw dood aan, en wanneer ik de politie inschakel, word ik verhoord alsof …’

‘Alsof wat?’

‘Alsof ik verdacht word of zo. Ik heb nooit overdreven veel vertrouwen gehad in het gezag, dat geef ik grif toe, maar dit slaat echt …’

‘Ho maar’, viel Sachs hem in de rede. ‘U moet niet zo aangebrand reageren. Ik zei toch al dat dit puur een routinekwestie is. Een paar vragen nog, dan laat ik u verder met rust. Wat hebt u vanavond gedaan?’

Hennan gaf blijk van zijn ongenoegen door even zwijgend door te roken voordat hij antwoord gaf. Sachs keek hem aan en wachtte geduldig.

‘Zoals ik al heb uitgelegd, ging ik na het werk ergens eten. Dat hadden we afgesproken, mijn vrouw wist niet hoe laat ze terug zou zijn uit Aarlach, maar ze zou sowieso geen tijd meer hebben om eten te koken.’

‘Hebt u in de loop van de dag nog contact met haar gehad?’

‘Nee.’

‘En ’s avonds?’

Hennan schudde zijn hoofd.

‘Niet één keer?’

‘Nee. Ik heb ’s middags naar huis gebeld, maar toen kreeg ik geen gehoor.’

‘Hoe laat was dat?’

‘Een uur of vijf, half zes, denk ik.’

‘U weet dus niet hoe laat uw vrouw terugkwam van haar uitstapje naar Aarlach?’

‘Geen idee’, constateerde Hennan en hij dronk zijn glas leeg. ‘Geen flauw benul.’

Sachs besloot van onderwerp te veranderen.

‘Een ongebruikelijk groot zwembad’, zei hij.

Hennan knikte vaag en mompelde iets.

‘Diep ook. En een springtoren erbij heeft toch ook lang niet iedereen?’

‘Dat komt door de man die het hele zootje gebouwd heeft’, zei Hennan.

‘Wat bedoelt u?’

‘De eigenaar van het huis. Zijn vrouw deed aan schoonspringen. Hij heeft haar dit verdomde zwembad met springtoren als huwelijkscadeau gegeven. Mijn vrouw …

Mijn vrouw mocht ook graag duiken. Weet u hoe hoog het is, van boven op de toren tot onder op de bodem?’

Sachs schudde zijn hoofd en voelde een plotselinge rilling langs zijn ruggengraat toen hij een blik op de blinkend witte betonconstructie wierp.

‘Veertien meter! Tien plus vier. Veertien meter, begrijpt u wel? Natuurlijk is ze te pletter geslagen.’

Sachs klapte zijn notitieboekje dicht en rechtte zijn rug.

De man heeft gelijk, dacht hij. Natuurlijk is ze te pletter geslagen.

Er klonken stappen in de donkere tuin, maar de commissaris kon nog één opmerking maken voordat het team uit Maardam tevoorschijn kwam.

‘Raar dat ze het niet zag’, zei hij. ‘Dat er geen water in zat.’

Hennan leek te twijfelen of hij erop in moest gaan of niet.

‘Het zal wel donker geweest zijn’, zei hij. ‘Ik heb de schijnwerpers aangedaan toen ik haar ging zoeken. Ik denk dat ze ook een beetje dronken was.’

‘Waarom denkt u dat?’

‘Omdat die snob dat beweert. Die arts. Maar nu is het verdorie mooi geweest.’

‘Best’, zei Sachs. ‘Bedankt voor uw medewerking.’

Hij stond op om gerechtsarts Meusse een hand te geven. Hij kende de man al vanaf zijn tiende, maar had hem nooit echt begrepen. Daarin was hij overigens niet de enige, had hij gehoord.

‘Goedenavond’, zei hij.

‘Goedemorgen’, zei Meusse. ‘Waar is het lichaam?’

‘Mijn vrouw ligt op de bodem van het zwembad’, zei Hennan, die ook was opgestaan. ‘Is dit een invasie of zo? Ik ga naar bed.’

Meusse nam hem een paar seconden geïnteresseerd op over de rand van zijn bril.

‘Doet u dat’, zei hij vervolgens en hij streek met zijn hand over zijn kale hoofd. ‘Welterusten.’