4

Het restaurant heette Colombine en na twee slokken bier leek het op alle restaurants waar ook ter wereld.

Het was eindelijk avond geworden. De oude Maasleitnerklok die boven de whiskyflessen in de bar hing, gaf vijf over half acht aan. Op deze absoluut wolkeloze donderdag was Hennan om de een of andere onzinnige reden tot zeven uur op kantoor gebleven. Verlangen had zich vanaf vier uur dood zitten vervelen.

Maar hij was het gewend. Verveling was de afgelopen vier jaar zijn trouwe metgezel geweest. Soms had hij het gevoel dat de tijd zelf, en niets anders, schuurde als een muf kledingstuk dat hij graag uit wilde trekken, zodra hij daar de kans voor kreeg. Hij wilde zijn roes uitslapen, wakker worden onder heel andere omstandigheden en zich eindelijk in een nieuwe tijd hullen.

Een tijd waarin de seconden en de minuten ergens naar smaakten.

Maar de volgende ochtend bracht nooit een nieuwe tijd. Alleen weer dezelfde ongewassen kledingstukken die aan zijn huid plakten, dag in dag uit, jaar in jaar uit. Het was niet anders, en op de weinige avonden waarop hij nuchter naar bed durfde te gaan, deed hij toch nooit een oog dicht.

Hij dronk zijn glas leeg en wierp een blik op Hennan. Ze zaten maar twee tafeltjes van elkaar af, maar aan een ervan zat een nogal uitgelaten gezelschap: vier dikke, besnorde mannen van een jaar of dertig, die af en toe in bulderende lachsalvo’s uitbarstten, achteroverwipten op hun stoel en met de vuist op tafel sloegen. Op grond van hun vette dialect concludeerde Verlangen dat ze uit het zuiden kwamen. Uit Groenstadt waarschijnlijk, of Balderslacht of zoiets.

Het was verder ook tamelijk druk in het lokaal, dus hij had een zekere mate van concentratie nodig om zijn doelwit in de gaten te houden. Toch wel. Aan de andere kant leek Hennan duidelijk de bedoeling te hebben om te eten en een poosje te blijven zitten. Hij had zijn jasje over de rugleuning van de stoel gehangen. Hij zat in het menu te bladeren, terwijl hij van een doorzichtig drankje, vermoedelijk een gin-tonic, nipte en scheen totaal geen haast te hebben. Misschien wachtte hij op gezelschap, de plaats tegenover hem aan zijn tafeltje voor twee was leeg. Misschien een vrouw, dacht Verlangen, dat was toch altijd nog de waarschijnlijkste variant. Die ontknoping had hij vanaf het begin zien aankomen.

Gewoon afwachten maar, dus. Verlangen besloot ook wat te gaan eten. Hij kreeg een ober te pakken, bestelde nog een biertje en vroeg om de kaart. Zoals het er nu uitzag, moest hij vrezen dat hij hier nog wel even zou zitten.

Twee uur later zat Jaan G. Hennan nog steeds alleen aan zijn tafeltje. Verlangen was twee keer vlak langs hem gelopen, op weg naar het toilet, en hij kon constateren dat het doelwit een flinke maaltijd had besteld. Ten minste drie gangen en twee soorten wijn, en op dit moment zat hij aan een dun, zwart sigaartje te lurken, terwijl hij uit het raam keek en enigszins verstrooid een cognacglas ronddraaide in zijn hand. Voorzover Verlangen kon zien, had hij de hele avond met niemand behalve de ober een woord gewisseld. Hij was één keer naar het toilet geweest en wat er in vredesnaam in zijn hoofd omging, of waarom hij hier zat in plaats van thuis bij zijn mooie vrouw, dat waren vragen waar hij niet over kon oordelen.

Het leek er toch niet op dat hij op iemand zat te wachten of had zitten wachten. Hij had wel af en toe op zijn horloge gekeken, maar verder waren er geen tekenen die erop duidden dat er iemand niet was komen opdagen: geen telefoontjes in de vestibule, geen extra lang wachten met bestellen, geen verontschuldigingen aan de ober. Nada.

En geen krant of boek om zich onledig mee te houden. Dat had Verlangen weliswaar ook niet, maar hij was hier voor zijn werk. Een paar minuten lang speelde hij met het idee om naar Hennan toe te lopen en bier in zijn nek te gieten. Of dat door iemand anders te laten doen. Er waren genoeg aangeschoten jongeren in het lokaal, het zou vast niet onmogelijk zijn om een van hen om te kopen.

Gewoon om de boel een beetje op te schudden dus. Verlangen vond het nu echt té saai worden. Hij had iets gegeten wat kalf moest voorstellen, maar dan was het wel het oudste kalf ter wereld geweest.

Hij had er vier of vijf biertjes bij gedronken, en uiteindelijk was hij gezwicht en had hij met Jaan G. Hennan meegedaan. Koffie met cognac.

Hij stak een nieuwe sigaret op, ook al lag de vorige nog in de asbak te smeulen.

Hij keek op zijn horloge. Tien voor tien.

Gatver, dacht hij en hij stuurde automatisch weer een gast weg die vroeg of de plaats tegenover hem vrij was. Drink die cognac op en betaal! Ga verdomme eindelijk eens weg!

Toen hij opkeek na deze vrome bede, zag hij dat Hennan naar zijn tafeltje toe kwam lopen.

Wat krijgen we nou? dacht hij nog.

‘Mag ik hier komen zitten?’

‘Ga uw gang.’

‘Hennan. Jaan G. Hennan.’

‘Verlangen.’

Hennan trok de stoel naar achteren en ging zitten.

‘Verlangen?’

‘Ja.’

‘Toch niet Maarten Verlangen?’

‘Jawel.’

‘Dat dacht ik al.’

‘Wat bedoelt u?’

‘Je. Ik stel voor dat we “je” tegen elkaar zeggen.’

‘Prima. Maar ik weet niet goed …’

‘Wat niet?’

‘Wie u … wie je bent.’

Hennan legde zijn sigaar in de asbak en leunde voorover met zijn ellebogen op de tafel.

‘Stel je niet aan, Maarten Verlangen. Ik weet verdraaid goed wie jij bent en jij weet even goed wie ik ben. Wat doe je hier?’

Verlangen dronk een slok cognac en dacht snel na.

‘Dat is nogal een rare vraag.’

‘Vind je? Nou, maar je mag er best op antwoorden, hoor.’

‘Wat ik hier doe?’

‘Ja.’

‘Ik heb hier gegeten, natuurlijk.’

‘Werkelijk? En is dat de enige reden?’

Verlangen voelde een plotselinge woede opkomen.

‘Zou je niet liever vertellen wat je wilt, verdomme? Ik heb geen flauw idee wie je bent of waar je op uit bent. Als je geen goed excuus hebt, kun je beter ophoepelen voordat ik het personeel vraag je eruit te gooien.’

Hennan zweeg en nam hem door licht toegeknepen ogen op. Geen zweem van een glimlach. Iets zei Verlangen dat die er wel had moeten zijn. Hij merkte dat hij instinctief zijn vuisten balde en zijn stoel een paar centimeter naar achteren schoof.

Om snel overeind te kunnen komen en zich te verdedigen.

Stom, dacht hij toen hij besefte dat zijn fantasie met hem op de loop ging. Hij kan hierbinnen toch niet gaan vechten. Dat zou je reinste …

‘Een smeris. Je bent dus nog steeds een smeris?’

Verlangen aarzelde een tiende van een seconde. Toen schudde hij zijn hoofd.

‘En jijzelf?’

‘Wat?’

‘Jijzelf. Wat doe jij? Hoe heette je ook alweer, zei je?’

Hennan gaf geen antwoord. Hij krulde alleen zijn lippen in een verachtelijke grimas. Verlangen wendde zijn ogen af. Hij leunde achterover en keek naar het plafond. Het was een paar seconden stil.

‘En waarom ben je geen smeris meer? Ben je ontslagen?’

Verlangen haalde zijn schouders op.

‘Ik ben gestopt.’

‘Vrijwillig?’

‘Uiteraard. Zeg nu verdomme wat je wilt, of ga terug naar je eigen tafeltje. Ik heb geen zin om hier te worden …’

Hij zweeg en zocht naar het juiste woord.

‘Om wat te worden?’

‘Lastiggevallen.’

Hij balde zijn vuisten en maakte zich weer klaar om zich te verdedigen.

‘Jij bent ook gauw op je teentjes getrapt’, zei Hennan en plotseling verscheen er een glimlach op zijn gezicht. ‘En toch zou ik juist degene moeten zijn die genoeg heeft van jou. Niet andersom.’

Verlangen stak een sigaret op.

‘Genoeg hebben van mij? Waarom?’

‘Jaan G. Hennan. Jij beweert dus dat je het niet meer weet?’

Verlangen schudde zijn hoofd. Iets te heftig, merkte hij, want het vertrek begon te draaien. Verdomme, dacht hij. Ik heb veel te veel op.

‘Geen flauw idee.’

Hennan leunde met zijn kin op zijn hand en leek na te denken.

‘Zullen we even aan de bar gaan zitten? Dit moeten we uitzoeken. Drink een borrel van me.’

Verlangen aarzelde heel even. Toen knikte hij voorzichtig, en hij stond op.

‘Je krijgt tien minuten’, zei hij. ‘En geen seconde langer.’

Tijdens de eerste whisky legde Hennan uit hoe het kwam dat hij Verlangen herkende en dat hij zijn naam nog wist.

Tijdens de tweede herinnerde Verlangen zich het twaalf jaar oude onderzoek en zei dat het hem ontschoten was. Maar nu Hennan het zei, wist hij het weer.

Tijdens de derde nam Hennan opnieuw het initiatief en deed verslag van hoe het was om tweeënhalf jaar onschuldig in de gevangenis te zitten.

Onschuldig? dacht Verlangen en hij voelde weer een zekere ergernis. Je was schuldiger dan Crippen, eikel!

Maar hij ging de strijd niet aan. Hij constateerde alleen dat hij zich de precieze omstandigheden van de zaak niet meer herinnerde, hij had er zoveel gehad door de jaren heen. Hij merkte dat hij ook problemen begon te krijgen met articuleren en vaardigde snel een voorschrift uit waaraan hij zwoer zich de rest van de avond hier aan de bar te zullen houden: wat er ook gebeurt, laat Hennan niet merken waarom je hier bent. Onder geen beding. Wees trouw aan je opdrachtgever.

Hennan bleef maar doormeieren over van alles en nog wat, maar de vierde whisky had een desastreus effect op Verlangens gehoorcentrum. Hij was gewoon niet meer ontvankelijk voor gecombineerde geluidsindrukken, maar deed wel zijn best om in de pauzes op de juiste manier te mompelen en te hummen. Toen hij weer op zijn horloge keek, was het vijf voor half een. Hennan scheen ook genoeg gehad te hebben.

‘Ik moet weer eens op huis aan’, zei hij.

Verlangen dacht er hetzelfde over en liet zich van de barkruk glijden.

‘Ik woon hier vlakbij’, legde hij uit.

‘Ik moet een taxi nemen’, zei Hennan.

De barman, een reusachtige jongeman met rood krullend haar, mengde zich in hun gesprek en vertelde dat er altijd wagens vlak om de hoek stonden. Vijftig meter maar, de kant van de Kleinmarckt op, dat was gemakkelijker dan een taxi bellen.

Ze liepen samen door de zoele lenteavond. Verlangen had wat problemen met zijn evenwicht, maar Hennan sloeg een arm om zijn schouder en hield hem overeind. Toen ze bij de geel met zwarte auto’s waren, nam hij zonder verdere plichtplegingen afscheid, kroop op de achterbank van een ervan, zwaaide en grijnsde nog een keer breed door het raam.

Verlangen stak zijn hand op en zag de auto wegrijden. Plotseling voelde hij een hevige steek van onbehagen, die hij niet goed kon thuisbrengen. Hennans optreden was over het algemeen vreedzaam geweest, en de reden dat zijn vrouw hem wilde laten schaduwen was geheimzinniger dan ooit.

Maar Verlangen was familiair geworden met zijn doelwit. Heel familiair. Hij had met hem mee zitten kletsen en hij had veel te veel whisky gedronken … boven op het bier en de cognac. Hij had geen idee wat hij wel of niet had gezegd.

Op weg naar zijn hotel vergiste hij zich een paar keer in de weg. Hij belandde op het kerkhof en maakte van de gelegenheid gebruik door in de beschutting van een soort lijkenhuis en een paar vuilnisbakken te plassen.

Langzamerhand slaagde hij er echter in de weg naar hotel Belveder weer te vinden, en toen hij op zijn kamer kwam, was het kwart over een geweest. Van dat tijdstip was Verlangen zich op dat moment zelf niet bewust, maar met behulp van een paar onafhankelijke waarnemingen en getuigen kon men dat later met een grote mate van waarschijnlijkheid vaststellen.