3

Zijn dochter belde net toen hij uit de douche kwam. Als gewoonlijk wekte alleen al het horen van Belles stem een warm gevoel bij hem op. Een opvlammen van vaderlijke trots.

Verder gaf haar boodschap weinig aanleiding tot vrolijkheid. Ze hadden half en half afgesproken om dit weekend een dag samen door te brengen. Of twee. Hij had ernaar uitgezien – op de grimmig gereserveerde manier waarop hij nog steeds durfde uit te zien naar dingen – maar nu was er een boottochtje naar de eilanden tussen gekomen. Dus als hij het niet erg vond …?

Hij vond het niet erg. Waarom zou hij zijn zeventienjarige dochter, van wie hij boven alles op de wereld hield, geen boottochtje met leeftijdgenoten gunnen? Dat was toch beter dan met een dikke, vroeg grijze, licht aan de drank verslaafde vader op te moeten trekken? God verhoede.

‘Weet je het zeker?’ vroeg ze. ‘Vind je het niet erg? Misschien kunnen we dan het volgende weekend afspreken?’

‘Natuurlijk’, verzekerde hij haar. Dat kwam hem in feite ook beter uit. Hij had het nu nogal druk op zijn werk.

Misschien geloofde ze hem wel, zo oud was ze nou ook weer niet.

Ze gaf hem een zoen door de hoorn en verdween. Hij slikte een brok weg en knipperde vocht uit zijn ogen. Hij liep naar de kiosk en kocht de Allgemejne. Ontbijten en de krant lezen, slapjanus! dacht hij.

En dat deed hij.

Hij was een paar minuten over negen bij de Aldemarckt in Linden, en een kwartier later had hij de Kammerweg gevonden. Hij parkeerde schuin tegenover Villa Zefier, draaide het zijraampje naar beneden en stelde zich in op wachten.

Linden was op zich weinig meer dan een provinciestadje. Naar schatting twintig- tot dertigduizend inwoners. Een paar kleine bedrijven. Een tamelijk bekende brouwerij, een kerk uit de vroege dertiende eeuw, en een bebouwing die voornamelijk na de oorlog was ontstaan en die bestond uit kleine huisjes en lage flats. Op pendelafstand van Maardam. Hij wist nog dat hij in zijn puberteit eens een meisje van hier had ontmoet; ze was koel en mooi geweest en hij had haar niet durven kussen. Margarita heette ze en hij vroeg zich af wat er van haar was geworden.

Verder stelde het hier niet veel voor. Het trage riviertje de Megel – ook mooi en tamelijk koel, waarschijnlijk, en voorzover hij zich kon herinneren een zijtak van de Maar – meanderde rustig door de stad en verder over het vlakke landschap naar het noordwesten. Ten zuiden van de rivier lag een heuvelrug en op die heuvelrug lag de Kammerweg. Ruim vier kilometer van het centrum van Linden, waar het stadhuis, het politiebureau, de markt en allerhande uitvindingen en gemakken van de beschaving te vinden waren. En een kerk uit de dertiende eeuw, zoals gezegd.

En een brouwerij, hij voelde dat hij dorst kreeg.

Verlangen zuchtte. Hij zette zijn zonnebril op, ook al was de zon er nog niet in geslaagd door het witgrijze wolkendek te breken, en stak een sigaret op. Hij keek spiedend naar het huis, dat hij ternauwernood kon onderscheiden tussen de rijen bomen en bloeiende struiken door, die langs de weg waren geplant om inkijk tegen te gaan, en probeerde de marktwaarde te schatten.

Niet onder een miljoen, concludeerde hij. Vermoedelijk ook niet onder de anderhalf miljoen. Maar ze huurden het alleen, als hij mevrouw Hennan goed had begrepen.

Het huis lag in veel opzichten ideaal. Een groot perceel met aan één kant bos of een verwilderd park. En een minstens even groot perceel aan de andere kant, met een huis erop dat ook half begraven stond in het groen. Hij gokte dat de Trotta’s, het gezin van de piloot met de onuitstaanbare dochters, hier woonden, maar daar durfde hij natuurlijk geen eed op te doen.

Aan de kant van de straat waar hij had geparkeerd, stonden helemaal geen huizen; er was alleen een steile helling naar een geasfalteerd fietspad dat evenwijdig aan de heuvel naar de stad voerde.

Tamelijk splendid isolation dus, constateerde Verlangen met een automatische steek van jaloezie. Het huis van de Hennans, dat hij vaag kon onderscheiden, was bleekblauw; hij had wel mooiere kleuren gezien, maar wat maakte dat uit? Zijn eigen vijfenveertig vierkante meter bevatte meer nuances dan Kandinsky had kunnen dromen, en verder zag hij een spierwitte springtoren vlak naast het huis oprijzen … ja, voorzover hij kon zien was het inderdaad een springtoren.

Ook nog een zwembad, dus. En waarom geen tennisbaan en een flinke serre aan de achterkant? Hij vroeg zich even af hoe ingewikkeld het eigenlijk zou zijn om de hele boel af te branden – als het even kon moest G. in de vlammen omkomen, terwijl de privéspeurder zelf diens jonge vrouw daar heldhaftig uit redde en met haar op zijn schouders op lenige benen naar buiten rende – maar hij moest zijn speculaties onderbreken toen een glimmend blauwe Saab langzaam de weg op reed tussen de zwarte granieten pilaren door die de oprit naar het huis flankeerden. Ze stonden daar als twee stijve, maar goed geüniformeerde en lichtelijk dreigende lakeien en drukten hun ongenoegen uit over alle soorten ongenode gasten.

De bestuurder zat alleen in de auto en, ook al ving hij maar even een glimp van hem op, Verlangen twijfelde er niet aan of het betrof Jaan G. Hennan in hoogsteigen persoon.

Wie moest het anders zijn? Je mocht er toch wel van uitgaan dat Barbara Hennan hem in ieder geval het juiste adres had gegeven.

Hij gaf de Saab vijftig meter voorsprong, toen startte hij zijn oude, trouwe Toyota en zette de achtervolging in.

Klassiek, dacht hij met koppige monotonie.

Hennan parkeerde in een van de smalle steegjes achter de kerk en liep honderd meter in de richting van de markt. Hij verdween door een deur in een winkel- en kantorencomplex in traditionele, beigekleurige jarenvijftigsnit van drie verdiepingen hoog. Verlangen slaagde erin de Toyota op een krappe plek aan de andere kant van de straat te zetten. Hij schakelde de motor uit, stak weer een sigaret op en draaide het zijraampje naar beneden.

Hij hield zijn aandacht gericht op de rij lege, karakterloze ramen boven de winkels op de begane grond. Een schoenwinkel. Een begrafenisonderneming. Een slagerij.

Nauwelijks twee minuten later ging een van de ramen boven de begrafenisonderneming open. Jaan G. Hennan leunde naar buiten en leegde zijn koffiekopje op het trottoir. Vervolgens deed hij het raam weer dicht.

Typisch, dacht Verlangen. Eens een klootzak, altijd een klootzak. Hij nam niet eens de moeite te kijken of hij iemand zou raken.

Hij zette de rugleuning naar achteren, zodat hij lekker onderuit kon zakken. Hij pakte het sportkatern van de Allgemejne en keek op zijn horloge. Het was kwart voor tien.

Kijk, kijk, dacht hij. Voor je het weet, ben je alweer druk aan het werk.

Toen hij zelfs de rouwadvertenties twee keer had gelezen en zo’n tien sigaretten had gerookt, begon Verlangen spijt te krijgen van zijn plannen voor een dag zonder alcohol.

Het was twintig over elf en hij stelde ze snel bij naar een ochtend zonder alcohol. Een paar biertjes bij de lunch – als het van lunchen zou komen – mocht hij toch wel hebben na deze grauwe uren van observeren, die even saai waren als meditatie-oefeningen in een boeddhistisch klooster. Verlangen had een goede vriend die een paar jaar geleden langs die weg was verdwenen. Naar Tibet of Nepal of waar het ook was.

Hennan liet zich nauwelijks zien. Hij was nog een keer achter het raam verschenen, dat was alles. Hij had een paar seconden roerloos naar het wolkendek staan turen, alsof hij ergens over piekerde. Of net op dat moment een lichte hersenbloeding kreeg. Daarna had hij zich omgedraaid en was uit Verlangens blikveld verdwenen.

Het object. Het voorwerp van zijn observatie. De reden dat Verlangen hier zat in zijn gammele Japanse rijstkoker, met zijn gammele leven, voor driehonderd gulden per dag. Carpe diem, potverdorie.

Hij richtte zijn gedachten weer op de Hennan van vroeger. Op de weinige indrukken die hij twaalf jaar geleden tijdens het vooronderzoek van hem had opgedaan.

Het proces zelf was tamelijk pijnloos verlopen. Toen ze een paar onderknuppels aan het praten hadden gekregen, waren de bewijzen tegen Jaan G. Hennan overweldigend geweest. Hij had een paar jaar lang cannabis, heroïne en amfetamine gekocht en verkocht via koeriers, hij had een goed functionerend netwerk opgebouwd en waarschijnlijk wel een miljoentje of wat opzij kunnen zetten. Vooral omdat hijzelf nooit aan drugs begonnen was.

Geen bijzondere zaak dus, die vooral door het ijverige voeten- en speurwerk van Verlangen en zijn collega Müller was opgelost. Zij hadden ervoor gezorgd dat G. zijn verdiende loon kreeg: twee jaar en zes maanden. Daarom zouden zij tweeën, G. en Verlangen, vermoedelijk nooit bij elkaar op de verjaardag of op andere feestjes komen. Ook al werden ze vijfhonderd jaar oud.

Hij herinnerde zich Hennans ijskoude, bijna persoonlijke verachting tijdens de verhoren. Zijn pertinente weigering om vanuit een bepaald moreel perspectief naar zijn vuile zaakjes te kijken. G. had geen moraal, had Müller een keer geponeerd, en daar zat wel iets in. Zijn zelfverzekerdheid, en de wraakzucht die af en toe diep in zijn zwarte, licht oscillerende blik schitterde waren van het soort dat je niet zomaar wegwuifde.

En zijn opmerkingen. Als uit een vergeten B-film uit de jaren veertig.

‘Ooit kom ik terug. Hoed je dan maar, achterbakse gluipkoppen!’

Of: ‘Denk maar niet dat ik jullie vergeet. Jullie denken dat jullie hebben gewonnen, maar dit is slechts het begin van jullie nederlaag. Geloof me, verdraaide slippendragers, maak dat je wegkomt en laat me met rust!’

Zelfverzekerd? Dat was nog zacht uitgedrukt. Wanneer Verlangen terugdacht, kon hij zich voor de vuist weg geen groter, halsstarriger ego herinneren, in al zijn jaren bij het korps niet. Veertien in totaal. Jaan G. Hennan had iets werkelijk dreigends, zo was het toch? Een soort langzame, smeulende haat, die je niet zomaar van je afschudde. Een duistere belofte dat er represailles en vergeldingsacties zouden plaatsvinden. Bedreigingen van wat voor soort dan ook waren natuurlijk aan de orde van de dag in deze branche, maar in het geval van Hennan had hij het gevoel gehad dat het geen loze kreten waren. Hij was puur slecht. Als Hennan een ziekte was geweest in plaats van een mens, bedacht Verlangen, dan was hij een vorm van kanker geweest. Geen twijfel mogelijk.

Een kwaadaardig glioom midden in de voorhoofdskwab.

Hij schudde zijn hoofd en ging rechtop zitten. Hij begon last te krijgen van zijn onderrug en besloot een eindje te wandelen. Een klein blokje om, naar het plein en weer terug. Dat was maar vijftig meter, daarvoor hoefde hij zijn object niet uit het oog te verliezen.

Als Hennan hem echt wilde afschudden, was dat natuurlijk de simpelste zaak van de wereld. Hij hoefde het gebouw alleen aan de achterkant te verlaten en weg was hij. Geen kunst aan.

Maar waarom zou hij? Hij wist toch niet dat hij geobserveerd werd?

En de observator had geen idee waarom hij observeerde.

Lieve Heer, dacht Maarten Verlangen, toen hij het portier dichtsloeg. Geef mij twee redenen om nuchter te zijn in deze wereld.

Om half een ging Jaan G. Hennan lunchen. Verlangen verliet zijn auto weer en liep achter hem aan het plein over en een kroeg binnen met de naam Cava del Popoio. Hennan koos een tafeltje buiten bij het raam, Verlangen ging in een afgescheiden hoekje verderop in het lokaal zitten. Het mocht dan wel lunchtijd zijn, toch was het niet druk. De schaduw kon zijn object goed in de gaten houden en optimistisch bestelde hij twee biertjes plus de pastaschotel van de dag.

Hennan bleef veertig minuten zitten en er gebeurde niets, behalve dat hij de krant las, vissoep at en een klein flesje witte wijn dronk. Verlangen had daarentegen ook nog tijd voor koffie met cognac, en met de vrome hoop dat hij een middagdutje van een uurtje of anderhalf zou mogen doen, keerde hij terug naar zijn auto.

Zo ging het ook. Hij werd om half drie wakker doordat de zon door de wolken was gebroken en door zijn besmeurde voorruit naar binnen scheen. Het was zo heet als in een oven en hij merkte dat de alcoholconsumptie spijkers in zijn kop begon te slaan. Hij keek of Hennans donkerblauwe Saab er nog stond, stapte uit en ging een blikje bier en een blikje fris halen bij de kiosk voor het stadhuis.

Toen hij die ophad, was het tien over drie. De zon was de middag verder aan het veroveren en zijn kleren plakten aan zijn lijf. Hennan had zich weer een paar seconden achter de rechthoek van het raam vertoond met een telefoon aan zijn oor, en er was een parkeerwachter komen snuffelen, die onverrichter zake weer was afgetaaid. Dat was alles.

Verlangen trok zijn sokken uit en stopte die in het dashboardkastje. Dat luchtte een beetje op, maar niet veel. Hij stak de vijfentwintigste sigaret van die dag op en vroeg zich af wat hij nu eens zou gaan doen.

Na nummer zesentwintig was het huis nog steeds niet ontploft en was het niet koeler geworden. Verlangen liep naar de telefooncel voor de slagerij en belde zijn opdrachtgever. Na anderhalf keer overgaan nam ze op.

‘Mooi’, zei ze. ‘Fijn dat u belt. Hoe gaat het?’

‘Uitstekend’, zei Verlangen. ‘Van een leien dakje. Het leek me alleen weinig zinvol om meteen de eerste ochtend al te bellen. Hij zit op zijn kantoor, uw echtgenoot. Hij zit hier feitelijk de hele dag al.’

‘Ik weet het’, verklaarde Barbara Hennan. ‘Ik heb hem zojuist aan de telefoon gehad. Hij komt over een uur thuis.’

‘Is dat zo?’ vroeg Verlangen.

‘Ja, dat zei hij.’

O? dacht Verlangen. En waarom moet ik hier dan zitten wachten tot ik een ons weeg?

‘Ik denk dat u voor vandaag wel kunt stoppen’, ging mevrouw Hennan verder. ‘We zijn de hele avond samen, u hoeft pas morgenmiddag weer verder te gaan met uw werk.’

‘Morgenmiddag?’

‘Ja. Als u morgen na de lunch ter plaatse bent en in de gaten houdt wat hij doet en hoe hij de middag en de avond doorbrengt … vooral de avond … ja, voor mij is het van groot belang dat u hem dan niet uit het oog verliest.’

Verlangen dacht twee seconden na.

‘Begrepen’, zei hij. ‘Uw wil is wet. U krijgt overmorgen weer een verslag van me, zullen we dat afspreken?’

‘Dat is prima’, zei Barbara Hennan en ze hing op.

Hij bleef nog even in de bedompte telefooncel staan, maar toen zag hij de vrouwelijke parkeerwachter in haar begrafenis-grijze uniform aankomen en hij liep snel naar zijn auto.

Leven, waar is uw prikkel? dacht hij. Hij startte de auto en reed weg.

Ook al had hij meer tijd dan in het vagevuur, toch besloot Verlangen om niet terug te rijden naar zijn huis in Maardam. Het alternatief van de schone lakens was te aanlokkelijk en om kwart voor vijf checkte hij in bij hotel Belveder, een eenvoudig, maar schoon hotel aan de Lofterstraat, in de wijk achter het stadhuis.

Tussen zeven en acht dineerde hij in de sepiabruine eetzaal, samen met een zwemclub uit Warschau. Hij kreeg een soort ragout die hem vaag aan zijn voormalige schoonmoeder deed denken. Misschien niet aan haarzelf, maar wel aan de zondagse maaltijden die ze altijd bereidde, en dat was een herinnering waar hij heel goed zonder kon. Hij kocht twee donkere biertjes, die hij meenam naar zijn kamer, hij slaagde erin de groeiende behoefte te smoren om zijn dochter te bellen en viel halverwege een Amerikaanse politieserie in slaap, ergens tussen elf en half twaalf.

De lakens waren koel en pas gemangeld, en ook al had hij die dag uiteindelijk niet zo weinig gedronken als hij eerst van plan was, toch zat hij nog een heel eind onder het maximum van tien. Echt een heel eind.