1

Toen privédetective Maarten Verlangen op dinsdag 3 juni onderweg was naar zijn werk, kocht hij zes biertjes en zes nieuwe stofzuigerzakken.

De eerstgenoemde aankoop was routine, de laatste uitzonderlijk. Sinds zijn Martha vijf jaar geleden van hem gescheiden was, had zijn schoonmaakwoede zulke hoogten niet meer bereikt. Hij maakte de met roestwerende verf behandelde stalen deur van zijn kantoortje dan ook met een wat onwennig goed gevoel open en stapte naar binnen.

Het was een kamertje van drie bij vier meter en geen architect ter wereld zou op het idee gekomen zijn om ‘kantoor’ op de tekening te schrijven. Het lokaal was gesitueerd in een van de beroete, oude huurkazernes achteraan in de Armastenstraat vlak bij het spoor. In het souterrain. Waarschijnlijk was het oorspronkelijk bedoeld geweest als een soort opslagruimte voor de conciërge, waar allerlei dingen die nodig waren voor de huurders bewaard konden worden: wc-potten, doucheslangen, kookplaten en andere gebruiksvoorwerpen die aan slijtage onderhevig waren.

Maar nu was het dus een kantoor. Weliswaar geen erg modieus kantoor. De wanden waren afgewerkt met vies, aardekleurig stucwerk dat er vanaf het begin op zat, de vloer was twintig of dertig jaar geleden donkerblauw geverfd, en er kwam alleen licht naar binnen door een krap bemeten raampje op beganegrondniveau, vlak onder het plafond. Het meubilair was eenvoudig en functioneel. Een bureau met een bureaustoel, een grijze, plaatstalen archiefkast, een lage boekenkast en een brommende koelkast van vijftig liter, een waterkoker en een versleten bezoekersstoel. Aan een van de muren hing een kalender met reclame voor een benzinestation, aan een andere muur een reproductie van een sombere litho van Piranesi. De overige twee muren waren kaal.

Afgezien van de kalender, die Verlangen met de precisie van een slaapwandelaar elk jaar eind januari of begin februari verving, zag het kantoor er al vier jaar lang hetzelfde uit. Vanaf het moment dat hij het had betrokken. Een veilige omgeving verleent stabiliteit aan het leven. Die invloed moet je niet onderschatten, dacht hij altijd. Je moet het stof niet verachten dat met de jaren op onze schouders komt te liggen.

Hij deed de lamp aan het plafond aan, aangezien de bureaulamp kapot was. Hij hing zijn dunne windjack aan een haak aan de binnenkant van de deur en zette de biertjes in de koelkast.

Hij ging op de bureaustoel zitten en legde de stofzuigerzakken in de rechterbovenla. Hij was niet van plan ze hier te gebruiken. Integendeel. Zijn stofzuiger van het merk Melfi – een van de weinige artikelen die hij na de scheiding had meegekregen, misschien wel omdat hij even slecht functioneerde als hun huwelijk – stond in zijn huis in de Heerbanerstraat. Daar wilde hij gaan schoonmaken. Daar was de grens bereikt. Hij vroeg zich even af of hij de zakken niet op het bureau moest laten liggen; het gevaar bestond dat ze aan het eind van de werkdag in de la zouden blijven liggen, maar dat risico besloot hij te nemen. Stofzuigerzakken hoorden niet bij de attributen die een cliënt verwachtte te zullen aantreffen op een gerenommeerd detectivebureau.

detectivebureau verlangen. Dat stond op een eenvoudig, maar stijlvol bordje op de deur. Hij had het zelf geschreven en geplastificeerd. Hij was er een ochtend mee bezig geweest, maar het resultaat mocht er zijn.

Hij keek in zijn agenda. Vanmiddag een bespreking met de verzekeringsmaatschappij. Verder stond er niets in. Hij controleerde of het antwoordapparaat geen ingesproken berichten bevatte. Hij haalde een biertje uit de koelkast, maakte het open en stak een sigaret op.

Hij keek op zijn horloge. Het was tien over tien.

Als ik voor twaalf uur geen cliënt krijg, ga ik uitgebreid lunchen bij Oldener Maas en daarna schiet ik me voor mijn kop, dacht hij en hij lachte grimmig in zichzelf.

Het was een dwanggedachte die elke ochtend terugkeerde, en op een dag zou hij er misschien gevolg aan geven. Hij was zevenenveertig jaar oud en de mensen die hem misschien zouden missen, waren op de duim van een hand te tellen.

Ze heette Belle en was zijn dochter. Zeventien lentes jong. Hij keek even naar haar lachende gezicht op de foto naast de telefoon en nam nog een slok bier. Hij knipperde de tranen weg die het bittere vocht naar zijn ogen stuwde en boerde.

Hoe komt zo’n klootzak als ik aan zo’n dochter? vroeg hij zich af.

Dat was ook een terugkerende gedachte. Er waren veel dingen die terugkwamen in het brein van Maarten Verlangen. In het bijzonder troebele, oude vragen waar geen antwoord op was. In heldere momenten schrok hij daar weleens van.

Maar er bestond een middeltje tegen de angst van heldere momenten. Gelukkig maar. Hij nam nog een slok en lurkte aan zijn sigaret. Hij stond op, zette het raam op een kier en ging weer zitten.

Het was inmiddels dertien over tien geworden.

Ze belde vlak voor elven en een half uur later verscheen ze.

Een tamelijk lange vrouw van een jaar of vijfendertig. Roodbruin, schouderlang haar. Een smal gezicht met hoge jukbeenderen en fijne trekken. Slank en sportief, maar toch met een opvallende buste. Ze droeg een strakke zwarte lange broek en een bordeauxrode blouse met heel korte mouwen. Goed geëpileerde wenkbrauwen. Hij vond haar mooi.

Ze ging snel met haar blik door het vertrek. Ze bleef even naar de Piranesi-reproductie kijken, voordat ze haar aandacht ten slotte op Verlangens sombere gezicht richtte.

‘You mind if we speak English?’

Verlangen verklaarde dat hij die taal in de dertig minuten die waren verstreken sinds ze elkaar aan de telefoon hadden gesproken nog niet was verleerd. Ze glimlachte licht en ging in de bezoekersstoel zitten. Ze sloeg haar benen over elkaar en kuchte. Hij bood haar een sigaret aan, maar ze schudde afwerend haar hoofd. Ze haalde een pakje Gauloises uit haar rode handtas, nam er een sigaret uit en stak die met een ranke gouden aansteker aan.

‘U bent privédetective?’

Verlangen knikte.

‘Daar zijn er tegenwoordig zeker niet zoveel meer van?’

‘Er zijn er nog wel een paar.’

‘Vijf in deze stad.’

‘Hoe weet u dat?’

‘Dat heb ik in het telefoonboek opgezocht.’

‘Daar staan ze waarschijnlijk niet allemaal in.’

‘Nee? Nou, in ieder geval heb ik u zo gevonden.’

Verlangen haalde zijn schouders op. Het viel hem op dat ze een kleine tatoeage had op haar linkerbovenarm, vlak onder de rand van haar mouw. Het leek wel een zwaluw. In ieder geval een vogel.

Het viel hem ook op dat ze nogal bruin was. Ze had al heel wat zon opgedaan, dacht hij, ook al was het nog maar begin juni. Haar huid had de prettige tint van café au lait, hij vroeg zich af hoe het zou voelen om er met zijn vingertoppen overheen te gaan.

Of was ze gewoon een zonnebanktypje?

‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’ vroeg hij.

‘Een observatieopdracht.’

‘Observatie?’

‘Of hoe u het wilt noemen. Dat hoort toch bij uw repertoire?’

‘Uiteraard. En wie moet er worden geobserveerd?’

‘Mijn man.’

‘Uw man?’

‘Ja. Ik wil dat u hem een paar dagen voor me in de gaten houdt.’

‘Ik begrijp het.’

Hij bladerde naar een schone bladzij in zijn schrijfblok en klikte twee keer met zijn balpen.

‘Wat is uw naam, als ik vragen mag?’

Ze had haar naam over de telefoon niet willen geven en ze had zich niet voorgesteld toen ze binnenkwam. Ze leek ook nu even te aarzelen terwijl ze een trekje van haar sigaret nam.

‘Barbara Hennan.’

Verlangen noteerde het.

‘Ik ben Amerikaanse. Mijn meisjesnaam is Delgado. Ik ben getrouwd met Jaan G. Hennan.’

Hij was al bij de eenzame tussenletter aangekomen, toen hij stopte.

Jaan G.? dacht hij. Krijg nou wat. Jaan G. Hennan.

‘We wonen nog maar een paar maanden in dit land. Hoewel mijn man oorspronkelijk uit Maardam komt. We hebben een huis in Linden gehuurd … dertig kilometer hiervandaan, ik neem aan dat u weet waar dat ligt?’

‘Jazeker.’

Zouden er meer Jaan G. Hennans zijn? Vermoedelijk wel. Maar hoe waarschijnlijk was het dat het een van hen was? En hoe …?

‘Wat is uw tarief?’

‘Dat hangt ervan af.’

‘Waar hangt dat van af?’

‘Van de aard van de opdracht. De tijd die ermee gemoeid is. De kosten …’

‘Ik wil dat u mijn man een paar dagen in de gaten houdt. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, u zult nauwelijks tijd overhouden voor andere opdrachten.’

‘Waarom wilt u hem laten observeren?’

‘Daar wil ik niet verder op ingaan. Ik wil alleen dat u zijn gangen nagaat en mij daarvan verslag uitbrengt. Goed?’

Ze trok een wenkbrauw op en werd nog mooier.

Klassiek, dacht hij. Dit is verdorie klassiek. Hij voelde zich net Philip Marlow, en dat overkwam hem niet vaak, althans niet als hij nuchter was. Misschien moest hij ervan genieten zolang het duurde.

‘Dit is geen ongewone opdracht’, zei hij. ‘Maar ik heb een paar vragen.’

‘Ga uw gang.’

‘Hoe ver en hoe discreet, bijvoorbeeld?’

‘Hoe ver …?’

‘Hoe gedetailleerd wilt u het? Als hij naar een restaurant gaat, wilt u dan ook weten wat hij eet, met wie hij praat, wat ze zeggen …?’

Ze onderbrak hem door haar linkerhand een decimeter boven de tafel te houden. De zwaluw bewoog sensueel.

‘Ik begrijp wat u bedoelt. Nee, het is genoeg als ik het in grote lijnen weet. Als ik van bepaalde omstandigheden meer wil weten, kan ik u dat toch later alsnog zeggen?’

‘Vanzelfsprekend. U bepaalt de regels. En hij mag niet merken dat ik hem in het oog hou?’

Ze aarzelde weer.

‘Liever niet.’

‘Mag ik vragen wat uw man doet?’

‘Hij is zakenman. Hij heeft een importfirma. Pas opgericht natuurlijk … maar iets dergelijks heeft hij ook in Denver gedaan.’

‘Welke producten?’

Ze haalde haar schouders op.

‘Verschillend. Componenten voor computers, bijvoorbeeld. Maar wat doet het beroep van mijn man ertoe? U hoeft hem immers alleen maar te schaduwen.’

Verlangen vouwde zijn handen voor zich op het bureau en was even stil.

‘Mag ik u erop wijzen, mevrouw Hennan,’ zei hij vervolgens nadrukkelijk op een manier waarvan hij hoopte dat die bars en mannelijk overkwam, ‘mag ik u erop wijzen dat ik de opdracht nog niet heb aanvaard? U wilt dat ik uw man in de gaten hou, en als ik daarmee akkoord ga, dan moet ik eerst weten waar ik aan begin … Het is niet mijn gewoonte zomaar ergens blindelings in te stappen, dan word je niet oud in dit vak.’

Ze fronste haar voorhoofd. Hij zag dat ze zich niet had gerealiseerd dat hij de opdracht ook zou kunnen weigeren.

‘Ik begrijp het’, zei ze. ‘Neem me niet kwalijk. Maar u bent toch gewend aan een zekere mate van … discretie, nietwaar?’

‘Natuurlijk. Binnen redelijke grenzen. Maar zonder bepaalde gegevens kan ik de opdracht gewoon niet op een bevredigende manier uitvoeren. Ik moet iets weten van de gewoonten van uw echtgenoot. Hoe zijn werkdag eruitziet. Naar welke plaatsen hij toe gaat, welke mensen hij spreekt. Enzovoort. Het liefst zou ik natuurlijk weten wat erachter zit … Waarom u hem wilt laten schaduwen, maar ik ben bereid het zonder die informatie te stellen.’

Ze maakte een vaag gebaar met haar hoofd van rechts naar links en keek weer een paar seconden naar de Piranesi-reproductie.

‘Tja, ik respecteer uw beroepscode natuurlijk. Wat zijn gewoonten betreft is het niet zo ingewikkeld. We wonen dus in een huis aan de rand van Linden. Hij heeft een kantoor in het centrum, daar brengt hij elke dag zes, zeven uur door. Soms lunchen we samen, als ik een boodschap moet doen in de stad. Ik heb het eten altijd om zeven uur klaar, maar af en toe dineert hij ergens met zakelijke contacten … We hebben geen grote kennissenkring, we wonen hier immers nog maar een paar maanden. Ja, dat is het wel zo’n beetje. In het weekend is het natuurlijk anders, dan zijn we vaak de hele tijd samen en dan heb ik uw diensten niet nodig.’

Verlangen had ijverig aantekeningen gemaakt terwijl ze praatte. Nu krabde hij in zijn nek en keek op.

‘Welke kennissen hebt u?’

Ze viste weer een sigaret op.

‘Helemaal geen kennissen eigenlijk. Mijn man heeft door zijn werk natuurlijk de nodige contacten, maar ikzelf heb alleen de Trotta’s waar ik naartoe kan gaan als er iets is. Dat zijn onze naaste buren, een vreselijk saai stel, om eerlijk te zijn, maar we zijn in ieder geval over en weer bij elkaar wezen eten. Hij is piloot, zij huisvrouw. Ze hebben ook twee onuitstaanbare dochters.’

‘Trotta?’

‘Ja.’

Verlangen noteerde het.

‘Hebt u een foto?’ vroeg hij. ‘Ik heb een foto van uw man nodig.’

Ze haalde een witte envelop uit haar handtas en overhandigde die. Hij haalde er twee foto’s uit, beide van het formaat tien bij vijftien.

Jaan G. Hennan keek hem ernstig aan.

Tien jaar ouder, maar dezelfde Jaan G., geen twijfel mogelijk. De foto’s leken tamelijk recent, waarschijnlijk allebei van hetzelfde rolletje, beide met het onderwerp in half profiel. De ene van rechts, de andere van links. Dezelfde diepliggende ogen. Dezelfde stijve lippen en krachtige kaakpartij. Hetzelfde kortgeknipte, donkere haar. Hij stopte de foto’s weer in de envelop.

‘Goed’, zei hij. ‘Ik doe het. Als we het over de details eens worden.’

‘Welke details?’

‘Tijd. Uitvoering. Honorarium.’

Ze knikte.

‘Een paar dagen maar, wat ik al zei. Zeker niet meer dan twee weken. Het zou mooi zijn als u morgen kon beginnen. En wat bedoelt u met uitvoering?’

‘Vierentwintig uur per dag, of maar twaalf? De mate van discretie of opdringerigheid … ja, wat ik al noemde.’

Ze nam een trekje en blies een smalle, peinzende rooksliert uit. Even kreeg hij het idee dat ze normaal gesproken helemaal niet rookte, dat ze alleen een pakje Gauloises had gekocht om een bepaalde indruk te wekken.

‘Wanneer hij van huis is’, besloot ze. ‘Dat is voldoende. Vanaf het moment dat hij ’s ochtends vertrekt tot het moment dat hij ’s avonds thuiskomt … vroeg of laat in de avond.’

‘En hij mag mij niet zien?’

Er ontstond opnieuw een korte pauze en het viel hem weer op dat ze over dat punt niet goed nagedacht scheen te hebben.

‘Nee’, zei ze. ‘Zorg dat hij u niet ziet. Als ik van gedachten verander, zeg ik het wel. Hoeveel moet ik betalen?’

Hij deed alsof hij nadacht en krabbelde een paar getallen op zijn collegeblok.

‘Driehonderd per dag plus onkosten.’

Daar leek ze niet van te schrikken.

‘Een voorschot voor drie dagen. Misschien moet ik ook een kamer in Linden nemen … Hoe wilt u dat ik verslag uitbreng?’

‘Eén keer per dag’, zei ze zonder aarzeling. ‘Ik zou graag willen dat u mij elke ochtend belt. Dan ben ik altijd thuis. Als ik het nodig acht, kunnen we afspreken, maar hopelijk hoeft het niet zo ver te komen.’

Verlangen had opnieuw de vraag ‘waarom?’ op het puntje van zijn tong, maar slaagde erin die in te slikken.

‘Goed dan’, zei hij en hij leunde achterover op zijn stoel. ‘Dan zijn we eruit. Zou u dan nog even uw adres en telefoonnummer kunnen geven, dan ga ik morgenvroeg aan de slag … en mijn voorschot natuurlijk.’

Ze haalde een donkerrode portefeuille tevoorschijn, waaruit ze twee biljetten van vijfhonderd gulden opdiepte. En een visitekaartje.

‘Duizend’, zei ze. ‘Laten we met duizend beginnen.’

Hij nam het geld en het kaartje in ontvangst. Ze stond op en reikte hem over het bureau heen haar hand.

‘Dank u wel, meneer Verlangen. Ik ben heel blij dat u dit op u neemt. Het zal … het zal mijn leven gemakkelijker maken.’

Werkelijk? dacht hij en hij pakte haar hand. Hoe dan? Ze keek hem een lange fractie van een seconde recht in de ogen, en hij vroeg zich opnieuw af hoe het zou voelen om een ander deel van haar lichaam aan te raken dan haar stevige en aangenaam koele handpalm.

‘Ik zal mijn best doen’, beloofde hij.

Ze glimlachte even. Ze draaide zich op haar hielen om en liet hem alleen.

Haar voetstappen verwijderden zich op de trap en hij bleef een poosje naar het geluid ervan staan luisteren. Hij verwachtte bijna dat er een soort doek zou vallen.

Vervolgens deed hij de koelkast open en haalde er een biertje uit.